Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties,
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak hebben eisers, [eiser 1] en [eiser 2], een vordering ingesteld tegen IB Krediet B.V. met betrekking tot een kredietovereenkomst die zij in 2010 hebben afgesloten. De eisers vorderen onder andere de vernietiging van de rentebepaling en de wijzigingsbepaling in de kredietovereenkomst, alsook de terugbetaling van door hen betaalde bedragen. De procedure is gestart met een dagvaarding op 3 december 2024, gevolgd door een conclusie van antwoord van IB Krediet en diverse rolmededelingen. De eisers hebben echter nagelaten te reageren op het verweer van IB Krediet, dat stelde dat de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden niet in het geding waren gebracht, waardoor een adequate beoordeling van de vordering niet mogelijk was.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van eisers niet kan worden beoordeeld, omdat zij de relevante stukken niet hebben overgelegd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat het op de weg van eisers lag om de kredietovereenkomst in het geding te brengen, en dat het ontbreken van deze stukken hen in een onevenredig voordeel zou kunnen brengen. Uiteindelijk heeft de kantonrechter de vorderingen van eisers afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten, die zijn begroot op € 271,50. De beslissing is openbaar uitgesproken op 25 november 2025.