ECLI:NL:RBAMS:2025:9359

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
11451526 \ CV EXPL 24-16017
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht en afwijzing vordering wegens ontbrekende kredietovereenkomst

In deze zaak hebben eisers, [eiser 1] en [eiser 2], een vordering ingesteld tegen IB Krediet B.V. met betrekking tot een kredietovereenkomst die zij in 2010 hebben afgesloten. De eisers vorderen onder andere de vernietiging van de rentebepaling en de wijzigingsbepaling in de kredietovereenkomst, alsook de terugbetaling van door hen betaalde bedragen. De procedure is gestart met een dagvaarding op 3 december 2024, gevolgd door een conclusie van antwoord van IB Krediet en diverse rolmededelingen. De eisers hebben echter nagelaten te reageren op het verweer van IB Krediet, dat stelde dat de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden niet in het geding waren gebracht, waardoor een adequate beoordeling van de vordering niet mogelijk was.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van eisers niet kan worden beoordeeld, omdat zij de relevante stukken niet hebben overgelegd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat het op de weg van eisers lag om de kredietovereenkomst in het geding te brengen, en dat het ontbreken van deze stukken hen in een onevenredig voordeel zou kunnen brengen. Uiteindelijk heeft de kantonrechter de vorderingen van eisers afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten, die zijn begroot op € 271,50. De beslissing is openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11451526 \ CV EXPL 24-16017
Vonnis van 25 november 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: K&B Finance B.V.,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IB KREDIET B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: IB Krediet,
gemachtigde: mr. G.J.L. Bergervoet.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 december 2024,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de rolmededeling van 11 maart 2025, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op het verzoek van IB Krediet tot aanhouding van de procedure,
- de akte uitlaten verzoek tot aanhouding van [eiser 1] en [eiser 2] ,
- de rolmededeling van 8 juli 2025, waarbij het verzoek tot aanhouding is afgewezen, de kantonrechter heeft beslist dat schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd en de zaak is verwezen naar de rol voor repliek.
1.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben niet gerepliceerd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

Tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en IB Krediet anderzijds heeft een kredietovereenkomst bestaan. De schuld uit hoofde van deze kredietovereenkomst is op 1 oktober 2010 in één keer afgelost.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
Primair
een verklaring voor recht dat de doorlopende kredietovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd door de verklaring bij dagvaarding, althans deze te vernietigen,
veroordeling van IB Krediet tot (terug)betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van de door hen krachtens de kredietovereenkomst betaalde kredietvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente,
Subsidiair
de rentebepaling in de kredietovereenkomst en de wijzigingsbepaling in de algemene voorwaarden te vernietigen en IB Krediet te gebieden alle door [eiser 1] en [eiser 2] betaalde bedragen op basis van rentes aan hen (terug) te betalen, vermeerderd met wettelijke rente,
met in alle gevallen veroordeling van IB Krediet in de proceskosten.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen, kort gezegd, dat de wijzigingsbepaling een niet transparant en oneerlijk kernbeding is dat moet worden vernietigd. Vernietiging daarvan leidt tot vernietiging van de gehele kredietovereenkomst. Voor zover de kantonrechter oordeelt dat dit niet tot vernietiging van de kredietovereenkomst leidt, heeft IB Krediet in ieder geval geen recht op kredietvergoeding, omdat niet alleen de wijzigingsbepaling maar ook de rentebepaling vernietigd moet worden. De rentebepaling is ook niet transparant en oneerlijk, omdat de gemiddelde consument niet in staat is om op basis daarvan de concrete werking ervan te begrijpen, laat staan dat de economische gevolgen voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen.
3.3.
IB Krediet heeft aangevoerd dat tussen partijen een rechtsverhouding heeft bestaan. IB Krediet betwist de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde bewoordingen van de bedingen, omdat zij de inhoud daarvan niet kan vaststellen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden niet in het geding gebracht. IB Krediet beschikt niet over deze stukken. De kredietovereenkomst is in 2010 volledig afgewikkeld, in die zin dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hadden. De termijn van de bewaarplicht van IB Krediet als bedoeld in artikel 33 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen is reeds tien jaar verstreken. Door het ontbreken van genoemde stukken staan de precieze bewoordingen van de bedingen tussen partijen niet vast, terwijl dat cruciaal is voor een adequate toetsing van de bedingen aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Onbekendheid van de precieze bewoordingen zou, vanwege de aard van de toetsing en de vordering, [eiser 1] en [eiser 2] onevenredig voordeel opleveren en IB Krediet in haar verdediging schaden. IB Krediet concludeert daarom tot afwijzing van de vordering.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen een met IB Krediet gesloten kredietovereenkomst aan de vordering ten grondslag, maar zij hebben deze niet in het geding gebracht. IB Krediet heeft weliswaar aangevoerd dat tussen partijen een rechtsverhouding heeft bestaan, maar (ook) dat zij niet meer over de kredietovereenkomst beschikt, reden waarom zij betwist dat de bedingen die [eiser 1] en [eiser 2] in de dagvaarding hebben geciteerd ook zo in de kredietovereenkomst hebben gestaan.
4.2.
Met IB Krediet wordt geoordeeld dat de kantonrechter voor een adequate beoordeling van het geschil beschikking moet hebben over (de volledige inhoud van) de kredietovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan.
4.3.
Het lag naar aanleiding van het verweer van IB Krediet op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] om de kredietovereenkomst in het geding te brengen. Weliswaar stellen zij dat zij niet meer over de kredietovereenkomst beschikken, maar dan vraagt de kantonrechter zich af hoe zij komen aan de citaten uit de kredietovereenkomst opgenomen in punten 2 en 3 van de dagvaarding.
4.4.
Nu de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig zijn aangevoerd, kan de vordering niet worden beoordeeld. Het lag, zeker gelet op bovenstaand verweer van IB Krediet, op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] , om tenminste te reageren op dit verstrekkende verweer, maar dat hebben zij nagelaten, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld.
4.5.
Nu [eiser 1] en [eiser 2] zich op bepaalde rechtsgevolgen beroepen, waarvan niet kan worden vastgesteld of die rechtsgevolgen gerechtvaardigd zijn omdat de daarvoor van belang zijnde stukken niet zijn overgelegd, worden de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] afgewezen.
4.6.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IB Krediet worden begroot op:
- salaris gemachtigde
204,00
(1 punt × € 204,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
271,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
5.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 271,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak en in het bijzijn van mr. S. Homringhausen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
991