ECLI:NL:RBAMS:2025:9211

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
11704588 \ CV EXPL 25-7215
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurovereenkomst en schadevergoeding bij exploitatie van een kapperszaak in een moskee

In deze zaak gaat het om een geschil tussen [eiser], die een kapperszaak exploiteert in een ruimte van Moskee El Hijra, en de moskee zelf. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voortduurt, toegang tot de gehuurde ruimte en schadevergoeding, omdat hij meent dat de huurovereenkomst zonder geldige reden is opgezegd. Moskee El Hijra stelt echter dat de overeenkomst is beëindigd met wederzijds goedvinden en dat er geen sprake is van een huurovereenkomst, maar van een gebruiksovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat er wel degelijk sprake is van een huurovereenkomst, maar dat deze kwalificeert als 230a-ruimte, omdat de kapsalon niet toegankelijk was voor het publiek. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen, omdat hij onvoldoende heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden door de opzegging van de huurovereenkomst. Tevens wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten, omdat hij in het ongelijk is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11704588 \ CV EXPL 25-7215
Vonnis van 28 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L.B. Kamp,
tegen
STICHTING MOSKEE EL HIJRA VOOR MAROKKAANSE ISLAMIETEN IN GEUZENVELD/SLOTERMEER,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Moskee El Hijra,
gemachtigde: mr. A.W. van Dalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 mei 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord van 14 juli 2025 met producties,
- de akte van [eiser] van 16 mei 2025 met aanvullende bijlagen bij producties 1 en 4,
- het instructievonnis van 26 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aktes van Moskee El Hijra van 30 september en 6 oktober 2025 met aanvullende producties,
- de akte van [eiser] van 6 oktober 2025 met aanvullende productie.
1.2.
Op 13 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de heer I. Belhas (tolk Berbers) en de gemachtigde. Namens Moskee El Hijra zijn verschenen de heer [naam 1] (voorzitter) en de heer [naam 2] (tweede secretaris), met de gemachtigde. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van [eiser] mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Moskee El Hijra heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de op 6 oktober 2025 door [eiser] ingediende productie. Na partijen over en weer in de gelegenheid te hebben gesteld om hun standpunten toe te lichten, heeft de kantonrechter dat bezwaar afgewezen. Moskee El Hijra heeft immers voldoende tijd gehad om van de inhoud daarvan kennis te nemen (de productie is niet omvangrijk) en daar ter zitting inhoudelijk op te reageren.
1.4.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] exploiteert een kapperszaak. Vanaf 1 maart 2013 deed hij dat in een ruimte van Moskee El Hijra tegen betaling van € 500,00 per maand.
2.2.
Op 24 februari 2024 heeft Moskee El Hijra de ruimte wegens renovatiewerkzaamheden voor [eiser] afgesloten. [eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voortduurt, een veroordeling tot het verlenen van toegang tot de gehuurde ruimte op straffe van een dwangsom, een vergoeding van geleden schade en een veroordeling in de kosten van de procedure. Volgens [eiser] is er sprake van een huurovereenkomst van zogenoemde 290-bedrijfsruimte, die zonder geldige reden is opgezegd. Moskee El Hijra voert verweer. Volgens haar is de overeenkomst geëindigd met wederzijds goedvinden. Verder is er volgens haar geen sprake van een huurovereenkomst, maar een gebruiksovereenkomst. Als er wel sprake is van een huurovereenkomst en die niet met wederzijds goedvinden zou zijn geëindigd, dan gaat het volgens haar om zogenoemde 230a-ruimte en is de opzegging geldig. Verder vordert Moskee El Hijra een veroordeling van [eiser] in de werkelijke proceskosten.
2.3.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Dat wordt als volgt toegelicht.
Huur- of gebruiksovereenkomst?
2.4.
Partijen verschillen van mening over de aard van de overeenkomsten die zij vanaf 2013 met elkaar zijn aangegaan. Volgens [eiser] is er sprake van huurovereenkomsten en volgens Moskee El Hijra van gebruiksovereenkomsten.
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een huurovereenkomst. Het gaat namelijk om een ruimte die door Moskee El Hijra ter beschikking werd gesteld aan [eiser] voor een tegenprestatie van € 500,00 per maand. Moskee El Hijra heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiser] , onvoldoende concreet gemaakt dat dit bedrag symbolisch was en de werkelijke energiekosten niet zou dekken. Daarmee is sprake van een tegenprestatie en dus van een huurovereenkomst. [1]
Geen beëindiging met wederzijds goedvinden
2.6.
Moskee El Hijra heeft aangevoerd dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Volgens Moskee El Hijra heeft [eiser] in december 2023 tijdens een gesprek tussen [eiser] , de voorzitter en tweede secretaris van Moskee El Hijra ingestemd met het einde van de huurovereenkomst per 1 april 2025 in verband met renovatiewerkzaamheden aan het pand van de moskee.
2.7.
Moskee El Hijra heeft dit standpunt echter, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [eiser] , onvoldoende concreet gemaakt. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de huurovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd.
290-bedrijfsruimte of 230a-ruimte?
2.8.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voortduurt en een veroordeling tot het verlenen van toegang tot het gehuurde. Hiervoor is allereerst van belang om vast te stellen welk huurrechtelijk regime op de huurovereenkomst van toepassing is. Volgens [eiser] gaat het om een zogenoemde 290-bedrijfsruimte [2] , terwijl het volgens Moskee El Hijra een zogenoemde 230a-ruimte betreft. [3]
2.9.
Een (gedeelte van een) gebouwde onroerende zaak die krachtens een huurovereenkomst is bestemd voor de uitoefening van een ambachtsbedrijf valt onder de reikwijdte van artikel 7:290 BW, mits in die verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is. [4] Hierbij is bepalend wat partijen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, mede gelet op de aard en de inrichting van het gehuurde, voor ogen stond en op welke wijze zij hieraan uitvoering hebben gegeven. Als bedrijfsruimte niet kwalificeert als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, gaat het om een ruimte in de zin van artikel 7:230a BW.
2.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat een kappersbedrijf een ambachtsbedrijf in de zin van artikel 7:290 BW is. Wel in geschil is of er sprake is van een voor het publiek toegankelijk lokaal in voornoemde zin.
2.11.
De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een voor het publiek toegankelijk lokaal en dat de gehuurde ruimte dus kwalificeert als een 230a-bedrijfsruimte. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat de kapsalon uitsluitend te bereiken was via de hoofdingang van de moskee. De kapsalon had dus geen eigen aparte ingang van buitenaf. Ook is van belang dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden in 2013 voornamelijk bezoekers van de moskee knipte en dat Moskee El Hijra heeft toegelicht dat het de bedoeling was dat de kapperswerkzaamheden uitsluitend een dienst waren richting moskeebezoekers. Niet in geschil is verder dat [eiser] geen reclame maakte voor de kapperszaak en dat aan de buitenkant van de moskee ook niet zichtbaar was dat er een kappersbedrijf was gevestigd. Bovendien is van belang dat het vaststaat dat de huurprijs al bij aanvang van de huurovereenkomst in 2013 € 500,00 per maand bedroeg en dat deze huurprijs in al die jaren niet is verhoogd. Dat duidt
nietop een commerciële exploitatie van de kapperszaak, gericht op bezoekers van buiten de moskee. Al deze factoren in onderlinge samenhang bezien en gewogen brengen de kantonrechter tot het oordeel dat er niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een voor het publiek toegankelijk lokaal. Partijen hebben bij aanvang niet die bedoeling gehad, terwijl evenmin is vast komen te staan dat Moskee El Hijra gedurende de loop van de huur heeft ingestemd met een daarvan afwijkend gebruik.
2.12.
Wat [eiser] daartegenover heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Zo heeft [eiser] er op gewezen dat er in de aanhef van de huurovereenkomst ‘290-bedrijfsruimte’ staat. Maar daar staat tegenover dat [eiser] zelf heeft verklaard dat hij de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig was – ter zitting werd hij ook bijgestaan door een tolk -, zodat naar oordeel van de kantonrechter slechts een beperkte waarde aan de letterlijke bewoordingen in de titel van de overeenkomst kan worden gehecht. Bovendien heeft Moskee El Hijra onweersproken toegelicht dat de huurovereenkomst destijds door een vrijwilliger van de moskee van internet was ‘geplukt’. Ook daarom moet naar oordeel van de kantonrechter niet te veel waarde aan de titel daarvan worden gehecht. Bovendien hebben partijen in die huurovereenkomst een korte looptijd (van 1 jaar) en een korte opzegtermijn (van 1 maand) opgenomen, terwijl huurovereenkomsten voor 290-bedrijfsruimte volgens de wet kort gezegd een looptijd van vijf jaren en een opzegtermijn van één jaar hebben. [5] Ook daaruit blijkt dus niet dat partijen de bedoeling hadden een overeenkomst zoals bedoeld in art. 7:290 BW te sluiten. En zelfs als het zo zou zijn dat na verloop van tijd nog maar 40% van zijn klanten moskeebezoekers zouden zijn, zoals [eiser] heeft aangevoerd, maar Moskee El Hijra gemotiveerd heeft betwist, zou dat tegenover de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen.
2.13.
De huurovereenkomst had dus betrekking op 230a-ruimte. Omdat de vorderingen van [eiser] hun grondslag vinden in de huurbeschermingsregels van artikel 7:290 BW en verder, zijn zij daarom niet toewijsbaar. [eiser] had op grond van artikel 7:230a BW om ontruimingsbescherming kunnen verzoeken, opdat hij een langere termijn zou hebben om het gehuurde te verlaten, maar dat heeft hij niet gedaan. Dit komt, hoe vervelend ook, voor zijn eigen risico.
Te korte opzegtermijn in acht genomen
2.14.
Wel is het zo dat partijen in de huurovereenkomst een opzegtermijn van één maand hadden afgesproken en dat Moskee El Hijra een kortere opzegtermijn heeft gehanteerd. Zij heeft namelijk op 22 februari 2024 een brief aan [eiser] gestuurd met de opzegging van de huurovereenkomst tegen 1 maart 2024. Gevolg daarvan is dat Moskee El Hijra in beginsel gehouden is om de schade te vergoeden die [eiser] heeft geleden doordat een te korte opzegtermijn in acht is genomen.
2.15.
Maar [eiser] heeft in het licht van de betwisting door Moskee El Hijra onvoldoende onderbouwd dat hij daardoor schade heeft geleden. Niet in geschil is namelijk dat hij ná 1 maart 2024 tijdelijk zijn werkzaamheden heeft mogen voortzetten in een andere ruimte van de moskee. Bovendien heeft Moskee El Hijra gemotiveerd aangevoerd dat [eiser] daarvoor niets hoefde te betalen. Zij heeft dit onderbouwd met bankafschriften, waarop in de maanden maart, april en mei 2024 terugbetalingen zijn gedaan van € 500,00 per keer. Volgens [eiser] heeft hij die bedragen daarna opnieuw terug aan Moskee El Hijra overgemaakt, maar dit heeft hij niet met stukken onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] drie maanden gebruik heeft gemaakt van een ruimte in de moskee zónder dat hij daarvoor hoefde te betalen. Dat zijn schade door de onregelmatige opzegging dat voordeel te boven zou zijn gegaan, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Ook is van belang dat [eiser] niet heeft weersproken dat hij in december 2023 al wist dat de moskee zou worden verbouwd en dat hij daarom alternatieve ruimte zou moeten vinden en dat Moskee El Hijra [eiser] , mede ondersteund door een overgelegde verklaring, gemotiveerd naar voren gebracht dat zij [eiser] heeft geholpen met het vinden van een alternatieve ruimte.
2.16.
Omdat aldus niet is gebleken dat [eiser] schade heeft geleden door de onregelmatige opzegging, kan ook op die grondslag zijn vordering tot schadevergoeding niet worden toegewezen.
[eiser] moet de proceskosten vergoeden
2.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Moskee El Hijra heeft een vordering ingesteld om de werkelijke proceskosten vergoed te krijgen, omdat [eiser] volgens haar een document heeft vervalst. De kantonrechter volgt Moskee El Hijra daarin niet. Alhoewel niet in geschil is dat de door [eiser] overgelegde bouwtekening anders is dan de door Moskee El Hijra overgelegde bouwtekening, blijkt daaruit nog niet zonder meer dat [eiser] die tekening heeft vervalst en om die reden de werkelijke proceskosten zou moeten vergoeden.
2.18.
De proceskosten van Moskee El Hijra worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
745,50

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 745,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 28 oktober 2025.
58441

Voetnoten

1.Artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Zoals bedoeld in artikel 7:290 BW.
3.Een ‘overig’ gebouwde onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 7:230a BW.
4.Artikel 7:290 lid 2 sub a BW.
5.Artikel 7:292 en 7:293 BW.