ECLI:NL:RBAMS:2025:9191

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/13/757722 / FA RK 24-6774
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en zorgregeling tussen partijen met minderjarige kinderen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, die op 7 april 2013 in Freetown, Sierra Leone zijn gehuwd. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, terwijl de vrouw de Sierra Leoonse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de vrouw zal zijn. De rechtbank heeft ook een zorgregeling vastgesteld, waarbij de man de kinderen iedere zaterdag van 10:00 uur tot 20:00 uur bij zich heeft. De vrouw heeft verzocht om een uitbreiding van de zorgregeling, maar dit verzoek is afgewezen omdat er onduidelijkheid bestond over de haalbaarheid en het belang van de kinderen. De rechtbank heeft de draagkracht van de man in aanmerking genomen, waarbij rekening is gehouden met zijn aflossingen op huwelijkse schulden. De man is verplicht om een bijdrage van € 50 per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Daarnaast is de vrouw als huurster van de echtelijke woning aangewezen. De rechtbank heeft ook de verdeling van de huwelijkse schulden vastgesteld, waarbij de man volledig draagplichtig is voor deze schulden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummers / rekestnummers: C/13/757722 / FA RK 24-6774 (echtscheiding)
C/13/774536 / FA RK 25-6395 (afwikkeling huwelijks vermogen)
Beschikking van 28 november 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J. Wildevuur, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
blijkens de huwelijksakte: [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K.R. Lieuw On, gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 3 oktober 2024;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op 10 december 2024;
- het verweerschrift op zelfstandige verzoeken, ingekomen op 29 januari 2025;
- het verzoekschrift tot wijziging c.q. vermeerdering van verzoeken van de vrouw, ingekomen op 15 oktober 2025;
- het F9-formulier van de zijde van de man met daaraan gehecht aanvullende producties, ingekomen op 21 oktober 2025.
1.2.
De minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen en hun advocaten. Beide partijen werden bijgestaan in een tolk in de Engelse taal. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 7 april 2013 te Freetown, Sierra Leone. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Sierra Leoonse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 20 mei 2025 heeft deze rechtbank bepaald:
- met wijziging van de beschikking van 6 september 2024:
o dat het voorlopige gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegedeeld;
o dat er een voorlopige zorgregeling geldt inhoudende dat de kinderen bij de man zijn met ingang van 1 juni 2025 in de woning van de man, iedere zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terug brengt naar de vrouw
o dat de man voorlopig € 25 per kind per maand betaalt als kinderbijdrage.

3.De beoordeling

Sc
heiding
3.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.3.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
3.4.
Door geen van partijen is een ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Nu uit de standpunten van partijen en de verzoeken voldoende blijkt dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in het verzoek tot echtscheiding.
3.5.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.6.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Verblijfplaats
3.7.
Beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.
3.8.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
3.9.
De rechtbank zal het gelijkluidende verzoek van partijen toewijzen nu de vrouw de hoofdverzorger is van de kinderen en het de bedoeling is van beide partijen dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning zal verblijven. Toewijzing van het verzoek komt de rechtbank in het belang van de kinderen voor.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
3.10.
Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.
De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen totdat hij over een eigen woning beschikt van elke zaterdag 10.00 uur tot 20.00 uur in de echtelijke woning. Zodra de man een eigen woning heef, verzoekt hij de zorgregeling aan te passen naar om de week een weekend van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, met daarnaast in overleg één contactmoment door de week, alsmede de helft van de vakantie en feestdagen in overleg te bepalen.
3.11.
De vrouw heeft bij aanvulling van haar zelfstandige verzoeken verzocht
1. een gewijzigde regeling vast te stellen inhoudende dat de man de zorg heeft voor de kinderen
- gedurende drie opeenvolgende weekenden, telkens van vrijdag 17.00 uur tot zondag 20.00 uur en waarbij
- het vierde weekend de kinderen bij de vrouw verblijven, waarna dit patroon zich herhaalt;
- de vrouw de kinderen op vrijdag om 17.00 uur naar de woning van de man brengt, en de man de kinderen op zondag om 20.00 uur terugbrengt naar de woning van de vrouw;
2. een vakantieregeling vast te stellen, inhoudende dat:
- de man gedurende de helft van alle schoolvakanties de zorg heeft over de kinderen;
- partijen de vakanties in onderling overleg uiterlijk vier weken voor aanvang van iedere vakantie onder elkaar te verdelen, bij gebreke waarvan de vakanties bij helfte worden verdeeld volgens het in het aanvullende verzoekschrift opgenomen standaardpatroon.
3.12.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
.
3.13.
De man heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij graag meer voor de kinderen zou zorgen, maar dat een weekend om de week het maximaal haalbare is. De man zou de kinderen dan kunnen ophalen op vrijdag om 17.00 uur en ze op zondag om 19.00 uur terugbrengen. De man kan met zijn werk niet regelen dat de kinderen de helft van de vakanties bij hem zijn. Als hij meer voor de kinderen gaat zorgen zal hij nog minder kunnen bijdragen in de kosten van de kinderen. Hij ontkent woede jegens hen te uiten.
3.14.
De vrouw heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij zich in een dilemma bevindt. Er is onvoldoende geld beschikbaar om van te kunnen leven en de vrouw moet meer uren gaan werken. Als de man in de weekends vaker voor de kinderen zou kunnen zorgen dan zou de vrouw in het weekend meer geld kunnen verdienen. De man draagt minimaal bij in de kosten van de kinderen. De omgang van de man met de kinderen is echter niet goed. De man heeft veel last van woede en uit deze ook naar de kinderen toe, die daar last van hebben. De man is zich ervan bewust van, hij moet leren meer geduld te hebben. De oudste dochter heeft iemand bij het Ouder Kind Team die haar begeleidt.
3.15.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht leidt de rechtbank af dat er discussie is of de huidige zorgregeling wel goed verloopt. Omdat dat niet duidelijk is, ligt uitbreiding niet in de rede. Weliswaar verzoeken beide partijen om uitbreiding, maar de vrouw alleen omdat zij anders financieel niet rondkomt. Dat is geen goede reden om uit breiden als er tegelijkertijd discussie is of de huidige zorgregeling wel goed verloopt. Overigens is het ook de vraag of de man de uitbreiding die de vrouw voorstaat wel kan nakomen vanwege zijn werk en hij heeft ook nog geen eigen woning. De rechtbank zal daarom de bij voorlopige voorzieningen opgelegde zorgregeling vastleggen als geldend vanaf de echtscheiding. Die wordt nu als het meest in het belang van de kinderen geacht Mogelijk kunnen partijen in overleg met het OKT onderzoeken met welke eventuele uitbreiding het belang van de kinderen is gediend, wat daar voor nodig is en welke bovendien past bij de situatie van partijen.
Woning
3.16.
Beide partijen hebben verzocht dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld.
3.17.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
3.18.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.19.
De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu beide partijen hebben verzocht om toewijzing en dit verzoek op de wet is gegrond.
Onderhoudsbijdrage
3.20.
De vrouw heeft verzocht een door de man met ingang van 5 december 2024 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 300,00 per kind per maand.
De man heeft zich daartegen verweerd.
3.21.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
3.22.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
3.23.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij minder verdient dan voorheen omdat zij haar werk moet combineren met de bijna volledige zorg voor de kinderen. Volgens de vrouw moet de man in staat zijn om een inkomen te genereren waarbij hij tenminste € 300 per maand kan bijdragen in de kosten van de kinderen. Hij werkt formeel 25 uren als schoonmaker maar hij verdient zwart bij en de man heeft in feite een hogere draagkracht.
3.24.
De man heeft aangevoerd dat hij 105 uren per maand werkt en een inkomen heeft van € 1.574,33 bruto per maand en dat hij ook nog aflost op gezamenlijke schulden en dat hij geen enkele draagkracht heeft.
3.25.
De rechtbank overweegt als volgt.
De behoefte
3.26.
De rechtbank zal voor de behoefte uitgaan van hetgeen hierover is overwogen in de beschikking voorlopige voorzieningen van € 497,- per kind per maand. Niet gebleken is dat die behoefte onjuist is vastgesteld
De draagkracht
3.27.
Aan de zijde van de vrouw rekent de rechtbank met een gemiddeld bruto maandinkomen van € 1.781 per maand, uitgaande van de salarisstroken van juni tot en met september 2025, en een gemiddelde maandelijkse inhouding voor premies van € 92,67, te vermeerderen met vakantietoeslag. De rechtbank rekent verder met de geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaanden ouderkop en de verschuldigde inkomensheffing.
3.28.
De rechtbank rekent aan de zijde van de man met een verdiencapaciteit van 38 uren, een ander zoals is overwogen door de rechtbank in de procedure voorlopige voorzieningen. De rechtbank gaat uit van een bruto inkomen aan de zijde van de man dat gelijkstaat met een inkomen dat de man zou verdienen indien hij 38 uur per week zou werken bij dezelfde werkgever, zijnde bruto € 2.350 per maand exclusief vakantietoeslag. De rechtbank rekent verder met de geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting en de verschuldigde inkomensheffing. Zwarte inkomsten zijn weliswaar door de vrouw gesteld, maar niet gebleken. Daarmee wordt dan ook geen rekening gehouden.
3.29.
Bij de huidige zorgregeling past een een zorgkorting van 10%.
3.30.
De man heeft aangevoerd dat hij op huwelijkse schulden aflost met een bedrag van € 372 per maand zodat daarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht. Op de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat naar verwachting de schulden zijn afgelost na verloop van 1,5 jaar als de man blijft aflossen zoals hij nu doet.
3.31.
De vrouw heeft niet weersproken dat de man op huwelijkse schulden aflost. Zij heeft wel weersproken voor die schulden draagplichtig te zijn en dat als de rechtbank de draagkracht met de aflossing vermindert, de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap niet tevens draagplichtig kan zijn voor de helft van deze schulden. Dan zou de vrouw immers dubbel worden benadeeld.
3.32.
Feit is dat de man met € 372 per maand op huwelijkse schulden aflost en dat die aflossing drukt op zijn draagkracht. De rechtbank zal dan ook daarmee rekening houden.
Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat de man een negatieve draagkracht heeft. De rechtbank is van oordeel dat de man de minimale bijdrage van € 25 per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Ingangsdatum is de datum van deze beschikking.
Verdeling
3.33.
De man heeft op de mondelinge behandeling zijn verzoek beperkt in die zin dat hij nu vraagt om vast te stellen dat ieder der partijen draagplichtig is voor de helft van de huwelijkse schulden, te weten:
o Terugvordering zorgtoeslag 2024
o Terugvordering huurtoeslag 2024
o Terugvordering huurtoeslag 2024
o Terugvordering gecombineerde aanslag afval 2024.
3.34.
De man heeft daartoe aangevoerd dat de terugvorderingen van de Belastingdienst huwelijkse schulden zijn als gevolg van het feit dat de vrouw méér verdiende dan de man wist, terwijl de man de financiële zaken regelde. De vrouw heeft haar inkomen afgeschermd, zij wilde ook geen gezamenlijke rekening met de man.
3.35.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man, en heeft bij wijze van zelfstandig verzoek nog verzocht om de tv in de zitkamer aan haar toe te delen zonder nadere verrekening en verzocht te bepalen dat de man alleen draagplichtig is voor de schulden.
3.36.
De vrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De tv is nodig voor de kinderen.
Voor wat betreft de schulden stelt de vrouw dat zij niet op de hoogte was van het bestaan van deze schulden. De vrouw is pas in 2020 naar Nederland gekomen en kende de taal niet en evenmin de alhier geldende regels met betrekking tot toeslagen, en de man heeft de vrouw daar nooit bij betrokken. De toeslagen zijn nooit ten goede gekomen van de vrouw. Zij heeft steeds uit haar beperkte inkomen de huishouding draaiende moeten houden en heeft ook steeds geld moeten afdragen aan de man. De man wist of moest redelijkerwijs weten dat hij geen aanspraak kon maken op de toeslagen. De vrouw heeft, anders dan de man stelt, de loonstrook van de vrouw gezien. De schulden zijn onnodig veroorzaakt en de redelijkheid en billijkheid brengt met zich mee dat de man deze schulden volledig moet dragen, de activa zijn ontoereikend om de schulden te voldoen. Daar komt bij dat de schulden wèl worden betrokken aan de zijde van de man bij zijn draagkracht voor de kinderbijdrage. Het is niet redelijk dat de vrouw vervolgens ook nog daaraan dient bij te dragen door vast te stellen dat zij draagplichtig is voor de helft, aldus de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.37.
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
3.38.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
3.39.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
3.40.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
3.41.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking niet op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
3.42.
De rechtbank is van oordeel dat nu het hele gezin in Nederland woont, partijen ook in Nederland werken en de schulden zijn ontstaan in Nederland, het huwelijksvermogensregime met Nederland de nauwste band heeft, zodat krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 3 van het Verdrag het recht van dit land daarop van toepassing is. Partijen zijn daarom gehuwd in gemeenschap van goederen. De TV en de schulden vallen in die gemeenschap.
3.43.
Nu de man zich daartegen niet langer heeft verweerd, zal de rechtbank bepalen dat de tv in de zitkamer aan de vrouw wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening.
3.44.
Voor wat betreft de vast te stellen draagplicht ten aanzien van de schulden overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 1:100 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit voort dat na ontbinding van de gemeenschap ieder van de echtgenoten in beginsel voor de helft van de gemeenschapsschulden draagplichtig is. Ingevolge het met ingang van 1 januari 2018 gewijzigde lid 2 van artikel 1:100 BW, dat van toepassing is nu de ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen na voornoemde datum heeft plaatsgevonden, geldt deze gelijke draagplicht ook voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. De echtgenoot die meent dat dient te worden afgeweken van een gelijke draagplicht, zal de feiten en omstandigheden dienen te stellen die met zich brengen dat van de gelijke draagplicht moet worden afgeweken.
3.45.
Niet in geschil is dat de boedel niet toereikend is om de schulden uit te voldoen. Aan de orde is dan de vraag of van de onderlinge gelijke draagplicht dient te worden afgeweken op grond van de redelijkheid en billijkheid. in die zin dat in de onderlinge verhouding alleen de man draagplichtig is.
3.46.
Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Doordat rekening wordt gehouden met de aflossing is te betalen kinderbijdrage minimaal en wordt de komende tijd bij lange na niet in de financiële behoefte van de kinderen voorzien. In de praktijk komt dat op de schouders van de vrouw terecht, die immers het merendeel van de zorg heeft. Het is dan niet redelijk en/of billijkheid dat de vrouw ook voor de helft draagplichtig is voor de schulden.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Freetown, Sierra Leone op
7 april 2013;
4.2.
bepaalt dat voornoemde minderjarigen hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
4.3.
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man de voornoemde minderjarigen iedere zaterdag van 10:00 uur tot 20:00 uur bij zich heeft, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terug naar de vrouw brengt;
4.4.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
4.5.
bepaalt dat de man € 50 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.6.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast:
aan de vrouw wordt toegedeeld: de tv in de zitkamer, zonder nadere verrekening;
4.7.
bepaalt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat de man volledige draagplichtig is voor de volgende huwelijkse schulden:
- Terugvordering zorgtoeslag 2024
- Terugvordering huurtoeslag 2024
- Terugvordering huurtoeslag 2024
- Terugvordering gecombineerde aanslag afval 2024.
4.8.
verklaart de beslissing met betrekking tot het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het huurrecht van de woning, de kinderbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van den Berg op 28 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.