In deze zaak vordert De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, betaling van een huurachterstand door [gedaagde] B.V. De huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte op het Marineterrein is geëindigd, maar [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. De Staat vordert een bedrag van € 239.559,28, met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] voert verweer op basis van onvoorziene omstandigheden door de coronapandemie, en stelt dat de huurachterstand onredelijk is. Ook wordt aangevoerd dat De Staat nalatig is geweest in het versturen van facturen en betalingsherinneringen. De kantonrechter oordeelt dat de verweren van [gedaagde] niet slagen. De verplichting tot huurbetaling is rechtstreeks uit de huurovereenkomst voortgevloeid en de huurachterstand is erkend. De kantonrechter wijst de vordering van De Staat in zijn geheel toe, inclusief de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
De kantonrechter concludeert dat [gedaagde] de huurachterstand moet voldoen en dat de gevorderde kosten en rente toewijsbaar zijn. De proceskosten worden ook aan [gedaagde] opgelegd, aangezien deze in het ongelijk is gesteld. Het vonnis is uitgesproken op 30 oktober 2025 door kantonrechter J.F. Kuiken.