Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
Artikel 4: standplaats
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, [verzoeker], en zijn werkgever, [verweerder] B.V. De werknemer was in dienst bij [verweerder] en had een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na de intrekking van zijn Schipholpas kon hij zijn werkzaamheden niet meer uitvoeren, wat leidde tot een geschil over de voortzetting van de arbeidsovereenkomst en de betaling van loon. De werknemer had op 2 september 2025 een verzoek ingediend tot vernietiging van het vermeende ontslag en om een billijke vergoeding. De werkgever diende op 24 september 2025 een verzoek in tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, stellende dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos was geworden door de intrekking van de Schipholpas. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 oktober 2025 werd duidelijk dat de werkgever erkende dat er geen sprake was van een ontslag. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op grond van de h-grond ontbonden kon worden, omdat de werknemer zijn functie niet meer kon uitoefenen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 december 2025 en de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en een transitievergoeding aan de werknemer. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer recht had op loon tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst, ondanks de intrekking van de Schipholpas, omdat hij gedurende een bepaalde periode andere werkzaamheden had verricht. De kantonrechter heeft de verzoeken van de werknemer grotendeels toegewezen, maar de billijke vergoeding afgewezen, omdat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.