ECLI:NL:RBAMS:2025:9148

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
11862465
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en loonvordering werknemer na intrekking Schipholpas

In deze zaak heeft de kantonrechter op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, [verzoeker], en zijn werkgever, [verweerder] B.V. De werknemer was in dienst bij [verweerder] en had een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na de intrekking van zijn Schipholpas kon hij zijn werkzaamheden niet meer uitvoeren, wat leidde tot een geschil over de voortzetting van de arbeidsovereenkomst en de betaling van loon. De werknemer had op 2 september 2025 een verzoek ingediend tot vernietiging van het vermeende ontslag en om een billijke vergoeding. De werkgever diende op 24 september 2025 een verzoek in tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, stellende dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos was geworden door de intrekking van de Schipholpas. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 oktober 2025 werd duidelijk dat de werkgever erkende dat er geen sprake was van een ontslag. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op grond van de h-grond ontbonden kon worden, omdat de werknemer zijn functie niet meer kon uitoefenen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 december 2025 en de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en een transitievergoeding aan de werknemer. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer recht had op loon tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst, ondanks de intrekking van de Schipholpas, omdat hij gedurende een bepaalde periode andere werkzaamheden had verricht. De kantonrechter heeft de verzoeken van de werknemer grotendeels toegewezen, maar de billijke vergoeding afgewezen, omdat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11862465 \ EA VERZ 25-1005
Beschikking van 30 oktober 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij in het verzoekschrift van 2 september 2025,
verwerende partij in het verzoekschrift van 24 september 2025,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.J.M. Buining,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij in het verzoekschrift van 2 september 2025,
verzoekende partij in het verzoekschrift van 24 september 2025,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. den Hertog.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 2 september 2025 een voorwaardelijk verzoek met producties ingediend dat strekt tot vernietiging van het vermeend gegeven ontslag, dan wel tot toekenning van een billijke vergoeding en nevenvergoedingen, tevens houdende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.2.
[verweerder] heeft op 24 september 2025 een verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.
1.3.
[verzoeker] heeft een verweerschrift inzake het ontbindingsverzoek van [verweerder] , met producties, ingediend, waarin ook een voorwaardelijk tegenverzoek is opgenomen, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
1.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Namens [verzoeker] is zijn gemachtigde verschenen. Namens [verweerder] zijn [naam 1] (medewerker algemene administratie op zzp-basis) en [naam 2] (stagemanager) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] nadere producties ingediend. Beide partijen hebben hun standpunt, mede aan de hand van spreekaantekeningen, nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat uit het zelfstandige verzoekschrift van [verweerder] van 24 september 2025 blijkt dat zij erkent dat er geen sprake is geweest van een (vermeend) ontslag van [verzoeker] . Om die reden heeft de gemachtigde van [verzoeker] de verzoeken uit het voorwaardelijke verzoekschrift van 2 september 2025 die daarop betrekking hebben (vernietiging vermeend ontslag/billijke vergoeding), ingetrokken, met dien verstande dat het verzoek met betrekking tot het loon in stand blijft.
1.6.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2002, is sinds 1 maart 2021 in dienst bij [verweerder] (inmiddels) voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder] is Vliegtuig onderhoudstechnicus (algemeen) met een loon van € 2.845,28 bruto per maand voor 40 uur per week. In de arbeidsovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende:

Artikel 4: standplaats
1. De overeengekomen werkzaamheden zullen gewoonlijk op Schiphol/Oostende/Orly Paris worden verricht. (…)
2.2.
De kernactiviteiten van [verweerder] bestaan uit het verrichten van diensten en werkzaamheden met betrekking tot onderhoud, reparatie en assistentie aan vliegtuigen op Luchthaven Schiphol en daarmee gerelateerde diensten. De bestuurder en directeur van [verweerder] is [naam 3] (hierna: [naam 3] ). [verzoeker] is de neef van [naam 3] .
2.3.
Op 26 oktober 2024 is [verzoeker] aangehouden door de Koninklijke Marechaussee op Schiphol, nadat [verzoeker] een voertuig met een Duits kenteken verkeerd had geparkeerd, waarbij vervolgens in de auto ongeveer zevenduizend euro contact geld werd aangetroffen. De Schipholpas van [verzoeker] is toen direct ingenomen en [verzoeker] is een aantal dagen in verzekerde bewaring gesteld.
2.4.
Nadat [verzoeker] in vrijheid was gesteld, hebben hij en [verweerder] afgesproken dat hij alternatieve werkzaamheden zou gaan doen, in afwachting van het terugkrijgen van de Schipholpas. Deze werkzaamheden bestonden onder andere uit het opzetten en inrichten van twee nieuwe stations voor [verweerder] op Charles de Gaulle airport, Orly Airport in Parijs en Liège Airport.
2.5.
Op 2 juni 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. Die ziekmelding wordt niet geaccepteerd. Op 10 juni 2025 heeft [naam 3] [verzoeker] thuis opgezocht waar een discussie is ontstaan over de ziekmelding van [verzoeker] . Op 13 juni 2025 heeft [naam 3] aan [verzoeker] geappt met de vraag of hij [naam 3] kan bellen. De dag erna heeft [naam 3] geappt dat hij het beste met [verzoeker] voor heeft, hij van hem houdt en dat [verzoeker] goed voor zichzelf moet zorgen.
2.6.
[verweerder] heeft in ieder geval vanaf juli 2025 geen loon meer uitbetaald aan [verzoeker] .
2.7.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft [verweerder] op 21 augustus 2021 zich per aangetekende e-mail op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en verzocht [verzoeker] zo spoedig mogelijk op te roepen voor een consult met de bedrijfsarts. Ook wordt verzocht het achterstallige loon te betalen aan [verzoeker] .
2.8.
[verweerder] heeft geen bedrijfsarts ingeschakeld.

3.De verzoeken, het verweer en het tegenverzoek

Het verzoekschrift van [verzoeker] van 2 september 2025
3.1.
[verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het salaris vanaf 30 juni 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.
3.2.
[verzoeker] verzoekt voorts, samengevat, na het intrekken van het voorwaardelijke verzoek ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW, [verweerder] te veroordelen bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, tot:
betaling van € 2.845,28 bruto aan salaris per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en emolumenten vanaf 30 juni 2025 tot het moment de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
het oproepen van [verzoeker] voor een consult met de bedrijfsarts binnen 14 dagen na dagtekening op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 5.000,00;
en [verweerder] te veroordelen inzake de volgende nevenverzoeken tot betaling van:
€ 1.000,00 netto aan achterstallig salaris over mei 2025;
€ 2.845,28 bruto aan achterstallig salaris over juni 2025;
€ 2.654,94 bruto aan achterstallig vakantiegeld over 1 juni 2024 t/m 30 juni 2025;
de wettelijke verhoging over de onder c t/m e verzochte bedragen;
de wettelijke rente vanaf 30 mei 2025 over de onder c, e en/of f verzochte bedragen;
de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 over de onder d en/of f verzochte bedragen;
€ 869,91 aan buitengerechtelijke kosten;
de proceskosten.
3.3.
[verzoeker] legt aan het verzoek ten grondslag dat nu het dienstverband nog doorloopt, hij aanspraak kan maken op loondoorbetaling tijdens ziekte op basis van artikel 7:629 lid 1 BW. Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] recht op doorbetaling van 100% van het loon tijdens het eerste ziektejaar. [verweerder] heeft ten onrechte niet het volledige loon over de maand mei 2025 en het volledige loon voor de maand juni 2025 uitbetaald. Voorts heeft [verweerder] tot op heden nagelaten een bedrijfsarts in te schakelen, terwijl [verweerder] daartoe verplicht is.
3.4.
[verweerder] concludeert tot afwijzing van de verzoeken en stelt daartoe dat [verzoeker] vanaf 26 oktober 2024, de dag van de inname van de Schipholpas, geen aanspraak meer heeft op loon, omdat [verzoeker] de overeengekomen arbeid niet meer kon verrichten en de oorzaak hiervan voor rekening van [verzoeker] komt. De reden dat [verweerder] [verzoeker] in eerste instantie wel heeft doorbetaald na 26 oktober 2024, was dat [verweerder] vanuit de familieband [verzoeker] heeft aangeboden om in afwachting van teruggave van de Schipholpas andere werkzaamheden uit te voeren. Dit heeft [verweerder] onverplicht gedaan.
Het verzoekschrift van [verweerder] van 24 september 2025
3.5.
[verweerder] verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en hierbij [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
3.6.
Aan dit verzoek legt [verweerder] – kort gezegd – ten grondslag dat er sprake is van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 jo lid 1 BW. Volgens [verweerder] is primair de arbeidsovereenkomst inhoudsloos geworden (h-grond), subsidiair is sprake van verwijtbaar handelen (e-grond), meer subsidiair is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en uiterst subsidiair stelt [verweerder] dat een combinatie van voorgaande ontslaggronden (i-grond) resulteert in een volwaardige ontslaggrond.
3.7.
Ter onderbouwing daarvan stelt [verweerder] – samengevat – dat het [verzoeker] vanwege het intrekken van de Schipholpas niet meer is toegestaan zijn functie uit te voeren waardoor zijn arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden. Ook beschikt hij niet over de benodigde Verklaring Geen Bezwaar (VGB). De Schipholpas is daarbij ingetrokken door toedoen van [verzoeker] . [verzoeker] heeft verder oneigenlijke reis,- verblijf- en andere kosten in rekening gebracht bij [verweerder] . Ook was [verzoeker] nauwelijks tot niet bereikbaar. [verzoeker] heeft alle kansen gekregen en hij heeft het vertrouwen teniet gedaan en met zijn gedragingen heeft hij het voortbestaan van [verweerder] in gevaar gebracht.
3.8.
[verzoeker] verweert zich primair tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verzoeker] betwist – kort gezegd – dat zijn arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden, nu hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst ook zijn werkzaamheden kan verrichten op Oostende, Orly en Parijs.
3.9.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, heeft [verzoeker] subsidiair een tegenverzoek gedaan. [verzoeker] verzoekt veroordeling van [verweerder] tot:
betaling van € 4.868,23 aan transitievergoeding;
betaling van € 67.603,80 aan billijke vergoeding;
betaling van de aanvullende vergoeding, indien wordt ontbonden op de i-grond;
bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor [verweerder] geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode van de procedure; en
ten slotte zowel primair en subsidiair [verweerder] te veroordelen tot betaling van:
de wettelijke rente over de hiervoor genoemde vergoedingen; en
de proceskosten.
3.10.
Op haar beurt betwist [verweerder] deze verzoeken en voert aan dat niet [verweerder] maar [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

4.De beoordeling in de verzoeken en het tegenverzoek

De voorlopige voorziening
4.1.
[verzoeker] heeft, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv verzocht. Omdat in deze beschikking over het gehele geschil zal worden beslist, heeft [verzoeker] bij het incidentele verzoek geen belang meer en behoeft deze verder geen bespreking. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.
Het verzoek tot ontbinding
4.2.
De verzoeken en het tegenverzoek lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Opzegverbod tijdens ziekte
4.3.
[verweerder] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat dit verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Het ontbindingsverzoek vindt haar grondslag in de stelling dat [verzoeker] de werkzaamheden niet meer kan uitvoeren doordat zijn Schipholpas is ingetrokken. Vaststaat dat de Schipholpas ver vóór de ziekmelding is ingetrokken.
De h-grond
4.4.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst gelegen in de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst een lege huls is geworden (h-grond). Vaststaat dat [verzoeker] op dit moment niet over een Schipholpas beschikt en de benodigde VGB op dit moment ook niet bezit. Hiermee staat vast dat [verzoeker] zijn eigen functie op Schiphol niet meer kan uitvoeren. Voor zover [verzoeker] heeft gesteld dat hij zijn functie voor een groot deel wel kan uitoefenen op de andere overeengekomen standplaatsen, te weten Oostende en Orly Paris, heeft [verweerder] dit gemotiveerd weersproken. De aldaar geldende regelgeving is gebaseerd op dezelfde Europese veiligheidsvoorschriften als die welke gelden op Schiphol. Hoewel de lokale autoriteiten op die luchthavens formeel eigen bevoegdheden hebben, komt de inhoud van de regelgeving in de kern overeen. Het ligt daarom niet in de rede dat [verzoeker] daar wel de vereiste verklaringen zal verkrijgen. Daar komt bij dat [verweerder] op de locaties in Oostende en Orly Paris feitelijk nog niet in bedrijf is. Hierdoor is het op dit moment ook praktisch niet mogelijk om de bedongen arbeid aldaar te verrichten. Er is bovendien geen concreet zicht op dat deze locaties op korte termijn operationeel zullen worden. Het feit dat [verzoeker] in de afgelopen maanden incidenteel werkzaamheden heeft verricht op deze standplaatsen in het kader van het opzetten van deze locaties, leidt niet tot een ander oordeel. [verweerder] heeft immers overtuigend toegelicht dat het hierbij ging om werkzaamheden van tijdelijke aard, die niet kunnen worden aangemerkt als structurele uitvoering van de bedongen arbeid.
Herplaatsing ligt niet in de rede
4.6.
Niet weersproken is dat [verweerder] een bedrijf is met slechts elf medewerkers. Die medewerkers werken allen binnen de airside van Schiphol. [verweerder] heeft [verzoeker] aanvankelijk nog de mogelijkheid geboden om werkzaamheden uit te voeren op kantoor waarvoor hij geen Schipholpas nodig heeft. Inmiddels is, zo is ter zitting gebleken, een dergelijke kantoorfunctie niet meer aanwezig. [verweerder] heeft [verzoeker] nog werkzaamheden laten verrichten in Parijs en Oostende. [verweerder] heeft op 20 januari 2025 duidelijk aan [verzoeker] gecommuniceerd dat dat deze werkzaamheden niet voldoende en eindig zijn en zijn daarmee dus niet passend. Bovendien heeft [verzoeker] de stelling van [verweerder] dat alle medewerkers technische functies op Schiphol vervullen en dat deze functies sinds 2022 als vertrouwensfuncties zijn aangemerkt waarvoor een VGB is vereist, onvoldoende concreet betwist. Herplaatsing is dus niet mogelijk.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
4.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op grond van de h-grond. De overige door [verweerder] aangevoerde ontbindingsgronden en daaraan verbonden verzoeken behoeven daarom geen nadere bespreking. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 december 2025. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [3] [verzoeker] heeft nog in zijn tegenverzoek verzocht om bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst geen rekening te houden met de duur van de procedure, terwijl [verweerder] verzoekt daar rekening mee te houden. Gelet op de uitkomst van deze procedure gaat de kantonrechter aan het niet onderbouwde verzoek van [verzoeker] voorbij en gaat uit van de overeengekomen opzegtermijn van twee maanden.
4.8.
Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 zal worden ontbonden, heeft [verzoeker] geen belang meer bij zijn verzoek om [verweerder] te verplichten hem op te roepen voor een consult bij een bedrijfsarts. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De transitievergoeding
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. [verweerder] heeft gesteld dat de beëindiging van het dienstverband samenhangt met ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] en verwijst hierbij naar een uitspraak van de Rechtbank Overijssel [4] waarin een werknemer strafbare feiten heeft gepleegd en dat dit als ernstig verwijtbaar werd aangemerkt. [verweerder] gaat echter voorbij aan het feit dat het in de aangehaalde uitspraak ging om de situatie waarbij de werknemer reeds strafrechtelijk was veroordeeld. Dat is in dit geschil niet aan de orde. Op dit moment is [verzoeker] slechts verdachte in een strafzaak, maar is hij niet strafrechtelijk veroordeeld. Voor zover [verweerder] stelt dat [verzoeker] zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen, doordat hij maandenlang niet is verschenen op het werk voor het uitvoeren van de tijdelijk vervangende werkzaamheden en onterecht reis- en verblijfskosten in rekening heeft gebracht bij [verweerder] , heeft [verzoeker] dit gemotiveerd betwist met onder andere foto’s van zijn werkzaamheden voor [verweerder] . Dat [verzoeker] niets heeft gedaan of ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht, is daarmee niet vast komen te staan. Bovendien, ook als dit wel zo zou komen vast te staan, haalt dat niet de hoge lat van de ernstige verwijtbaarheid. Hetzelfde geldt voor het feit dat [verweerder] , door de arrestatie van [verzoeker] reputatieschade heeft opgelopen. Alles overziend is de conclusie dat [verweerder] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verweerder] .
4.10.
Het voorgaande betekent dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. De kantonrechter gaat bij de vaststelling van de hoogte van de transitievergoeding uit van een bruto maandloon van € 3.072,90 (inclusief 8% vakantiegeld), zoals [verzoeker] heeft gesteld. [verweerder] heeft dit bedrag niet betwist. De wettelijke transitievergoeding wordt bij een ontbindingsdatum van 1 december 2025 berekend op € 4.868,23. [verweerder] zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [verzoeker] te betalen als gevorderd. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, zij het dat die bij niet betaling ingaat vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 januari 2026. [5]
De loonvordering
4.11.
Niet (langer) is betwist dat [verzoeker] dusdanig ziek is dat hij zijn werkzaamheden niet kan verrichten. Reeds daarom staat het niet voorhanden hebben van deskundigenbericht van het UWV over de verhindering van [verzoeker] om zijn of passende arbeid ter verrichten niet aan de loonvordering in de weg. [6]
4.12.
[verzoeker] heeft gesteld dat [verweerder] vanaf juni 2025 ten onrechte geheel geen loon meer heeft betaald. De kantonrechter volgt [verzoeker] hierin en is van oordeel dat [verweerder] het (achterstallige) loon aan [verzoeker] dient te voldoen tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst, te weten 1 december 2025. [verweerder] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat [verzoeker] over deze periode geen recht meer had op loon, omdat hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht en dit op grond van artikel 7:628 lid 1 BW voor zijn rekening zou moeten komen. Hoewel juist is dat [verzoeker] na de intrekking van zijn Schipholpas de overeengekomen werkzaamheden niet meer kon uitvoeren en dat dit in beginsel voor zijn rekening komt, staat vast dat [verzoeker] na de inname van de pas op 26 oktober 2024 gedurende geruime tijd andere werkzaamheden voor [verweerder] heeft verricht. Dat dit niet voor 40 uur per week was, is aan te nemen, mede gezien stellingen en onderbouwing hierover van [verzoeker] zelf, maar niet gebleken is dat [verweerder] gedurende deze periode daar een punt van heeft gemaakt en heeft het loon van [verzoeker] gewoon doorbetaald. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [verweerder] het loon tot aan de ziekmelding van [verzoeker] onverschuldigd heeft betaald. Artikel 7:628 BW ziet immers eveneens op de situatie waarin de werknemer andere passende arbeid verricht. Nu [verzoeker] gedurende langere tijd dergelijke passende werkzaamheden heeft uitgevoerd en [verweerder] het loon pas na zijn ziekmelding heeft stopgezet, is niet gebleken van een omstandigheid die maakt dat het niet verrichten van de overeengekomen arbeid voor rekening van [verzoeker] behoort te komen. Dat betekent dat [verzoeker] over voornoemde periode recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BW en de vordering toewijsbaar is tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Dat het loon van juni 2025 al is betaald heeft [verweerder] niet aangetoond. Het verzochte vakantiegeld over de maanden juni 2024 tot en met juni 2025 is als niet weersproken eveneens toewijsbaar.
4.13.
Ten aanzien van de maand mei 2025 stelt [verweerder] dat zij € 1.000,00 op het uit te betalen loon van [verzoeker] in mindering heeft gebracht, omdat zij dit bedrag heeft verrekend met een openstaande schuld van [verzoeker] . [verzoeker] zou volgens [verweerder] een contant bedrag van haar hebben geleend dat nog niet is terugbetaald. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 6:136 BW een vordering, ondanks een beroep op verrekening, kan worden toegewezen indien de gegrondheid van dat verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. [verweerder] heeft haar stelling over de gestelde lening op geen enkele wijze nader onderbouwd. De kantonrechter gaat daarom aan dit verrekeningsverweer voorbij en concludeert dat het loon over mei 2025 volledig toewijsbaar is.
4.14.
De kantonrechter ziet aanleiding om de verzochte wettelijke verhoging over voornoemde bedragen te matigen tot 25% en zal verder worden toegewezen zoals in het dictum vermeld, met dien verstande dat deze over de maanden oktober en november 2025 niet toewijsbaar is, nu dit loon nog niet opeisbaar is en nog niet vaststaat dat [verweerder] dat niet tijdig zal betalen. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar voor zover [verweerder] in verzuim is met betaling, zoals in het dictum vermeld.
De billijke vergoeding
4.15.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [7] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [8] In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.16.
Van belang in deze zaak is dat het gaat om een oom die aan zijn jonge neef een baan heeft aangeboden bij zijn bedrijf ( [verweerder] ) om hem een kans te geven om een bestaan op te bouwen. [verzoeker] deed zijn werk goed, zijn oom was tevreden. Nadat [verzoeker] was aangehouden heeft [naam 3] hem nog het vertrouwen gegeven en kansen om alternatieve werkzaamheden te verrichten. [verweerder] heeft echter vanaf het moment dat [verzoeker] zich ziek heeft gemeld, geen loon meer uitbetaald, terwijl hij hier wel recht op had (zoals is overwogen in punt 4.9 en 4.10). Ook heeft [verweerder] ten onrechte geen bedrijfsarts ingeschakeld ondanks dat zij hiertoe verplicht was na de ziekmelding van [verzoeker] . De kantonrechter is van oordeel dat dit [verweerder] valt te verwijten, maar dat dit niet aangemerkt kan worden als ernstig verwijtbaar, zeker niet in het licht van de verhouding tussen de oom en neef. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] op de Whatsappberichten van [naam 3] van 13 en 14 juni 2025 niet meer heeft gereageerd. Dat aan hem een voorstel tot beëindiging met wederzijds goedvinden is gedaan is niet verwijtbaar, temeer nu het voor [verzoeker] na de brief van januari 2025 al duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst zonder een Schipholpas zou gaan eindigen. [verweerder] is daar niet meteen tot overgaan maar [verweerder] heeft [verzoeker] juist de kans geboden om na de inname van de Schipholpas andere werkzaamheden dan de bedongen werkzaamheden uit te voeren met behoud van zijn loon.
De buitengerechtelijke incassokosten gevorderd door [verzoeker]
4.17.
[verzoeker] heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn redelijk, zodat de kantonrechter die toewijst.
De proceskosten in beide verzoeken en het tegenverzoek
4.18.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen. Daartoe bestaat aanleiding gezien de aard van de zaak en de onderlinge familiaire verhoudingen tussen partijen, alsmede omdat beide partijen op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van één van hen.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek van [verzoeker] van 2 september 2025
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
€ 2.845,28 bruto aan salaris per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en emolumenten vanaf 30 juni 2025 tot het moment de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te weten 1 december 2025,
de wettelijke verhoging tot 25% over de onder a toegewezen bedragen voor de maanden juli tot en met september 2025 binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking,
de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 over de onder a en b toegewezen bedragen voor zover [verweerder] op dat moment in verzuim was met betaling daarvan, en daarna steeds vanaf het moment dat [verweerder] in verzuim was met betaling van het loon dat tot aan de algehele dag der voldoening,
€ 1.000,00 netto aan achterstallig salaris over mei 2025, binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking,
€ 2.845,28 bruto aan achterstallig salaris over juni 2025, binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking,
€ 2.654,94 bruto aan achterstallig vakantiegeld over 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2025, binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking,
de wettelijke verhoging tot 25% over de onder d tot en met f verzochte bedragen, binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking,
de wettelijke rente vanaf 30 mei 2025 over de onder d verzochte bedragen tot aan de algehele dag der voldoening,
de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 over de onder e en f verzochte bedragen en over het onder g verzochte bedrag vanaf de dag van verzuim, in alle gevallen tot aan de algehele dag der voldoening,
€ 896,91 aan buitengerechtelijke incassokosten.
5.2.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het verzoek van [verweerder] van 24 september 2025
5.3.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2025,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek van [verzoeker]
5.5.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 4.868,23 bruto binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking en indien daaraan niet wordt voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af,
op beide verzoeken en het tegenverzoek
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
4.Rechtbank Overijssel 9 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1235.
5.Artikel 7:686a lid 1 BW.
6.Artikel 7:629a leden 1 en 2 BW.
7.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
8.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (