ECLI:NL:RBAMS:2025:9086

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
13/197381-25 (A) en 13/230430-25 (B) ter terechtzitting gevoegd
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor smaadschrift met gevangenisstraf en contactverbod

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het meermalen plegen van smaadschrift jegens drie benadeelde partijen. Verdachte heeft via sociale mediaplatformen beschuldigingen geuit waarin de benadeelden werden neergezet als pedofielen, wat hun eer en goede naam aantastte. De uitlatingen betroffen concrete gedragingen en werden openbaar verspreid, waarmee aan de wettelijke vereisten voor smaadschrift is voldaan.

De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging, ondanks bezwaren van de verdediging over de klachttermijnen. De bewezenverklaring omvatte diverse uitingen van smaadschrift in de periode van januari tot juli 2025. Verdachte werd vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten die niet voldeden aan het bepaalbaarheidsvereiste of niet als smaadschrift konden worden aangemerkt.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een contactverbod met de benadeelden voor dezelfde duur. De rechtbank legde geen algemeen uitlatingsverbod op vanwege de vrijheid van meningsuiting. De benadeelden [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] kregen een immateriële schadevergoeding van €1.500,- toegewezen, terwijl materiële schadevorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering van [benadeelde partij 2] werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf waarvan één maand voorwaardelijk en een contactverbod van twee jaar wegens smaadschrift.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/197381-25 (A) en 13/230430-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 21 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende op het adres [adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.D. Braber, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. B. Ivanov-Petkova, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
in zaak A
feit 1
smaadschrift in de periode van 30 januari 2025 tot en met 28 mei 2025 van [benadeelde partij 1] ;
feit 2
smaadschrift in de periode van 30 januari 2025 tot en met 28 mei 2025 van [benadeelde partij 2] ;
in zaak B
smaadschrift in de periode van 15 januari 2025 tot en met 5 juli 2025 van [benadeelde partij 3] , subsidiair ten laste gelegd als belediging.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis zijn gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3.Ontvankelijkheid

3.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie ten aanzien van het in zaak A onder feit 1, gedachtestreepje 2 en zaak B, onder gedachtestreepje 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. In zaak A heeft zij aangevoerd dat de niet-ontvankelijkheid volgt uit het ontbreken van een aangifte en een formele klacht. De aangifte en de klacht van 21 februari 2025 zien op uitspraken die zouden zijn geuit in de periode van 30 januari 2025 tot en met 4 februari 2025. En niet op later voorgevallen uitspraken die tenlastegelegd zijn onder gedachtestreepje 2.
Ten aanzien van zaak B, gedachtestreepje 2 heeft zij aangevoerd dat de aangifte en klacht niet binnen de wettelijke klachttermijn zijn gedaan.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Met betrekking tot zaak A heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangever [benadeelde partij 1] op een later moment zijn aangifte heeft aangevuld. Met betrekking tot zaak B heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet is gebleken dat aangever [benadeelde partij 3] al in januari op de hoogte was en dat de aangifte en klacht binnen de klachttermijn zijn ingediend.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Smaad(schrift) is een klachtdelict. Dit betekent dat vervolging van smaad(schrift) alleen kan plaatsvinden als een klacht is gedaan door degene tegen wie het misdrijf is begaan.
Uit de jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een (formele) klacht bij klachtdelicten niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hoeft te leiden, indien de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven vervolging te wensen (vergelijk HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, r.o. 4.2.2). Naar huidig recht geldt dat het bij klachtdelicten erom gaat dat vervolging van de verdachte de instemming geniet van degene die aangifte doet. Doorslaggevend is of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat het de uitdrukkelijke wens is van degene die aangifte heeft gedaan, dat het Openbaar Ministerie vervolging instelt tegen de verdachte ten aanzien van het feit.
In het eerste lid van artikel 66 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr) is bepaald dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank (enige) ruimte heeft om concreet te beoordelen wanneer de klachttermijn is aangevangen, maar dat een binnen de wettelijke termijn ingediende klacht bij klachtdelicten onverkort als voorwaarde geldt voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De rechtbank stelt vast dat aangever [benadeelde partij 1] op 21 februari 2025 aangifte heeft gedaan en op die dag ook een formele klacht heeft ingediend. Op 22 april 2025 is [benadeelde partij 1] aanvullend gehoord door de politie. [benadeelde partij 1] is toen gevraagd of er, nadat hij aangifte had gedaan, nog nieuwe smaad/lastermomenten door verdachte zijn geweest. [benadeelde partij 1] heeft hierop bevestigend geantwoord en hij heeft op 23 april 2025 aanvullende stukken gemaild naar de politie. Uit deze gang van zaken maakt de rechtbank op dat [benadeelde partij 1] voor de incidenten die zijn voorgevallen na zijn oorspronkelijke aangifte, de uitdrukkelijke wens had dat het openbaar ministerie ook deze uitlatingen zou vervolgen. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk ten aanzien van het in zaak A onder feit 1, gedachtestreepje 2, tenlastegelegde.
Op 30 mei 2025 heeft aangever [benadeelde partij 3] , middels een brief, aangifte en klacht gedaan ten aanzien van onder andere smaad. In de brief van 30 mei 2025 verwijst [benadeelde partij 3] naar een bericht van 15 januari 2025 van verdachte met daarin onder andere de woorden ‘pedo [benadeelde partij 3] ’. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat [benadeelde partij 3] direct op 15 januari 2025 op de hoogte is geraakt van dit bericht. Uit het dossier volgen geen aanknopingspunten dat [benadeelde partij 3] dit bericht eerder dan (vlak voor) 30 mei 2025 heeft gezien. De rechtbank betrekt daarbij dat dit bericht niet rechtstreeks naar [benadeelde partij 3] is gestuurd maar is geplaatst op het openbare mediaplatform X zonder dat [benadeelde partij 3] daarin werd getagd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de klacht tijdig is ingediend. Het Openbaar Ministerie isten aanzien van het in zaak B, onder gedachtestreepje 2 tenlastegelegde ontvankelijk in de vervolging.
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in zaak A vrij dient te worden gesproken van alle ten laste gelegde feiten. Volgens de raadsvrouw is niet voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste als bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr. Er is namelijk geen sprake van een ‘bepaald feit’.
Ten aanzien van zaak B, gedachtestreepje 1, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van gedachtestreepje 2 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat ook in dit geval niet is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Voor een bewezenverklaring van smaad(schrift) is onder meer vereist dat sprake is van tenlastelegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr Pro. Daarvan is sprake indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst. Indien het feit waarvan iemand wordt beschuldigd niet ziet op een concrete gedraging maar op een eigenschap die hem wordt toegedicht, is geen sprake van smaad.
In het algemeen heeft een beschuldiging een smadelijk karakter wanneer het een min of meer concreet omschreven misdrijf of zodanig omschreven feit betreft dat met de positieve moraal strijdt, iemands eer of goede naam wordt aangerand of waarmee iemand publiekelijk in een ongunstig daglicht wordt gesteld.
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift is verder vereist dat vast komt te staan dat de verdachte de kennelijke bedoeling heeft gehad om aan de door hem geuite beschuldiging ruchtbaarheid te geven. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 Sr Pro dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Hiermee is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.
Zaak A, feit 1 en zaak B
Op 30 januari 2025 heeft verdachte op internet een oproep gedaan met, onder andere, de volgende woorden:
“Waarom kan tot heden niemand aangifte doen tegen riooljournalist [benadeelde partij 1] , de beschermheer van de pedo doofpotten? Wie doet een melding bij Veilig thuis tegen [benadeelde partij 1] om zijn kinderen te beschermen?”
De rechtbank is van oordeel dat de tweede zin in samenhang bezien met de eerste zin dient te worden opgevat als de tenlastelegging van een bepaald feit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [benadeelde partij 1] door verdachte wordt neergezet als de beschermheer van de pedo doofpotten waartegen zijn kinderen moeten worden beschermd. Deze tekst wijst zonder meer op een duidelijk te onderkennen concrete gedraging.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte in de periode van 4 maart tot en met 26 mei 2025 [benadeelde partij 1] diverse keren ‘pedo’ heeft genoemd. En in de periode van 15 januari 2025 tot en met 22 mei 2025 heeft verdachte [benadeelde partij 3] diverse keren een pedo genoemd door te schrijven ‘Pedo [benadeelde partij 3] ’ of ‘ [benadeelde partij 3] de Pedo’. Naar het oordeel van de rechtbank is ook hier sprake van de tenlastelegging van een bepaald feit. De rechtbank begrijpt dit verwijt zo dat aangevers wordt verweten dat zij niet van (kleine) kinderen kunnen afblijven. Daarmee is sprake van een gedraging [1] .
De rechtbank is voorts van oordeel dat ook het bericht van 5 juli 2025 waarin staat:
“@ [benadeelde partij 3] Wanneer word jou de toegang ontzegd voor kindermisbruik, smaad, laster, haatzaaien, pedohandboek, pedoclub Martijn promoten en verdedigen, intimidatie, stemmingmakerij tegen politieke tegenstanders, valse aangifte tegen @KAFKA_Dev” de tenlastelegging van een bepaald feit betreft.Ook hier wordt [benadeelde partij 3] door verdachte neergezet als iemand die (kleine) kinderen seksueel misbruikt.
De rechtbank oordeelt dat de door verdachte geuite beschuldigingen een smadelijk karakter hebben. [benadeelde partij 1] wordt immers neergezet als pedofiel en dat zijn kinderen tegen hem moeten worden beschermd. [benadeelde partij 3] wordt eveneens neergezet als pedofiel. Dergelijke verdenkingen worden in het maatschappelijk verkeer als moreel verwerpelijk beschouwd en kunnen daardoor dus in strijd worden geacht met de positieve moraal.
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift is verder vereist dat vast komt te staan dat de verdachte de kennelijke bedoeling heeft gehad om aan de door hem geuite beschuldigingen ruchtbaarheid te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit bestanddeel bewezen. Verdachte heeft zijn uitingen op verschillende sociale mediaplatformen geplaatst. Zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 3] zijn daarin door verdachte neergezet als “pedofiel”. De reputaties van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] zijn publiekelijk geschaad dan wel aangetast, aangezien zij door de uitlatingen in een ongunstig daglicht zijn gesteld. Verdachte heeft door deze uitlatingen, de eer en goede naam van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] aangerand.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘verspreiding van een geschrift en/of afbeelding’. Volgens vaste jurisprudentie moet onder ‘geschrift’ ook uitlatingen op internet en sociale media worden verstaan.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in zaak A onder feit 1, gedachtestreepjes 1 en 2, en zaak B primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden in die zin dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.
Ten aanzien van zaak B, primair ten laste gelegde, merkt de rechtbank nog op dat het bestanddeel ‘terwijl die [benadeelde partij 3] nooit is veroordeeld voor een zedendelict’ niet noodzakelijk is om tot een bewezenverklaring van smaadschrift te komen. Dit bestanddeel kan een rol spelen bij laster, maar dat is niet tenlastegelegd. De rechtbank heeft daarom dit bestanddeel niet in de bewezenverklaring opgenomen.
Zaak A, feit 1, derde gedachtestreepje en feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend gebleken dat verdachte in een video van 30 januari 2025 de woorden
‘sado pedo deepstate maffiabeschermer’heeft geuit. Deze woorden kunnen worden gekwalificeerd als het ten laste leggen van een bepaald feit. Het gaat hier om een concrete gedraging die aan aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] wordt toegeschreven en niet om een eigenschap. Verder kan deze uiting ook als smadelijk worden gekwalificeerd, nu aangevers door verdachte worden neergezet als pedofiel en de beschermers van (een) pedofielen(netwerk). Verdachte had het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door de uitlatingen te doen. In zoverre is voldaan aan de eisen van artikel 261, lid 1 Sr en kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van smaad. Het Openbaar Ministerie heeft echter aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich aan smaadschrift heeft schuldig gemaakt. Dit is een strafverzwarende omstandigheid. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of ook in dit geval sprake is van smaadschrift.
In het tweede lid van artikel 261 Sr Pro is opgenomen wanneer sprake is van smaadschrift. Hiervan is sprake als de tenlastelegging van een bepaald feit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen die worden verspreid, openlijk tentoongesteld of openlijk ten gehore worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat de zinsnede ‘openlijk ten gehore’ niet is opgenomen in de tenlastelegging. Uit het dossier volgt dat verdachte de woorden ‘sado pedo deepstate maffiabeschermer’ heeft geuit op Space waar een filmpje van is gemaakt. Omdat ‘ten gehore brengen’ niet ten laste is gelegd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het verspreiden van een video waarin voornoemde uitingen zijn gedaan kunnen worden gekwalificeerd als geschrift of afbeelding. In dit specifieke geval beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. Het gaat om de opname van een gesprek dat heeft plaatsgevonden in een zogenoemde Space op X. De smadelijke uitingen zijn mondeling gedaan en niet vastgelegd in een geschreven bericht of een afbeelding, maar er is feitelijk (en juridisch) sprake van ‘ten gehore brengen’. Nu het ‘ten gehore brengen’ niet ten laste is gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken van smaadschrift voorzover het ziet op video’s die via het internet toegankelijk zijn.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het tenlastegelegde onder feit 1, derde gedachtestreepje en feit 2.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder zaak A feit 2 ten laste is gelegd zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
Feit 1
in de periode van 30 januari 2025 tot en met 28 mei 2025 in Nederland, meermalen opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde partij 1] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, telkens door middel van verspreiding van geschriften en/of afbeeldingen door:
- op 30 januari 2025 op een openbaar toegankelijk kanaal via het internet, een bericht te plaatsen en/of delen waarin staat: "Wie doet een melding bij Veilig Thuis tegen [benadeelde partij 1] om zijn kinderen te beschermen?", en
- in de periode van 4 maart 2025 tot en met 26 mei 2025 op een openbaar toegankelijk kanaal, te weten X die [benadeelde partij 1] een pedo te noemen;
Zaak B
primair
in de periode van 15 januari 2025 tot en met 5 juli 2025 in Nederland, meermalen opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde partij 3] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, telkens door middel van verspreiding van geschriften door:
- op 5 juli 2025 op een openbaar toegankelijk kanaal, te weten X, een bericht te plaatsen en/of delen waarin staat:
“@ [benadeelde partij 3] Wanneer word jou de toegang ontzegd voor kindermisbruik, smaad, laster, haatzaaien, pedohandboek, pedoclub Martijn promoten en verdedigen, intimidatie, stemmingmakerij tegen politieke tegenstanders, valse aangifte tegen @KAFKA_Dev”, en
- in de periode van 15 januari 2025 tot en met 22 mei 2025 meermalen op een openbaar toegankelijk kanaal, te weten X, in meerdere berichten die [benadeelde partij 3] een pedo(fiel) te noemen door te schrijven “Pedo [benadeelde partij 3] ” en “ [benadeelde partij 3] de Pedo”.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf en maatregel

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijke met een proeftijd van drie jaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en een verbod om zich via (social) media of anderszins via internet of in het openbaar uit te laten over aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] voor de duur van vijf jaar. De officier van justitie vordert daarbij vervangende hechtenis van een week bij iedere overtreding en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht, bij een veroordeling, om aan verdachte een geldboete, al dan niet voorwaardelijk, op te leggen.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van smaadschrift. Verdachte heeft via sociale media bijzonder kwalijke uitlatingen gedaan over de slachtoffers. Publicaties op internet zijn eenvoudig benaderbaar, kunnen door iedereen worden gelezen en blijven in beginsel onbeperkt op internet zichtbaar. De gevolgen van smadelijke berichten kunnen daarom verstrekkend zijn. Ter zitting hebben de slachtoffers verklaard dat de feiten voor hen een grote impact hebben gehad op hun (privé)leven. De slachtoffers hebben verder verklaard zij reputatieschade hebben opgelopen en dat zij een dreiging ervaren omdat de aantijgingen van verdachte anderen tot eigenrichting kunnen aanzetten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.
Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op zoals bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en ook - nu de wet zich daartegen niet verzet - [benadeelde partij 2] voor de duur van twee jaren. Omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde zich belastend zal gedragen jegens de hiervoor genoemde personen, beveelt de rechtbank dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank legt geen verbod op, bestaande uit een algemeen verbod om op sociale media of anderszins publiekelijk over aangevers te schrijven. Het gaat hier om een vergaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, terwijl verdachte reeds gebonden zal zijn aan het verbod om direct dan wel indirect contact met aangevers op te nemen en het doen van smadelijke, beledigende of opruiende uitspraken reeds onder de algemene voorwaarde om geen strafbare feiten te plegen, valt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat een dergelijk uitlatingsverbod niet past binnen de in artikel 38v Sr, limitatief, opgesomde vrijheidsbeperkende maatregelen.

9.Vorderingen van benadeelde partijen

Vordering van [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 500,- aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering van [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering van [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 550,- aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vorderingen betrekking hebben op de materiële schade, de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering. De behandeling van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.
9.2
Immateriële schade
Vordering van [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen onder zaak A feit 2 ten laste is gelegd.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
Vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3]
Vast staat dat aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek hebben de benadeelde partijen recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partijen ten gevolge van de strafbare feiten in hun eer en goede naam zijn aangetast.
De rechtbank heeft bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Zij heeft aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. De bewezen smaadschriften sluiten aan bij de categorie ernstig (tot € 3.000,-). Verdachte heeft immers via social media ernstige aantijgingen verspreid en de benadeelde partijen hebben hier nadelige gevolgen van ondervonden.
Op grond van de door de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 1.500,-. De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling van het schadevergoedingsbedrag, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
Verdachte wordt verder veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering hebben gemaakt. Deze kosten begroot de rechtbank tot op heden op nihil.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c,36f, 38v, 38w, 57 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak A feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A feit 1, zaak B primair:
telkens smaadschrift, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte,
groot 1 (één) maand, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Legt op de
maatregeldat veroordeelde op
geen enkele wijze, direct of indirect, contact op zal nemen, zoeken of hebbenmet [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] .
Beveelt dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 (één) weekvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van
6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens de hiervoor genoemde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van [benadeelde partij 1]
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is in zijn vordering ten aanzien van de materiële schade.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 1.500,-(duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.500,-(duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering van [benadeelde partij 3]
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk is in zijn vordering ten aanzien van de materiële schade.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 1.500,-(duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 1.500,-(duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering van [benadeelde partij 2]
Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas – van Es en J.C.E Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2025.

Voetnoten

1.Zie ook HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009 en HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:331.