ECLI:NL:RBAMS:2025:8998

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
11789171 / CV EXPL 25-9424
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 lid 1 sub a BWArt. 7:17 lid 1 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 6:265 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst bromfiets wegens non-conformiteit met terugbetaling en onderzoekskosten

Eiser kocht op 11 februari 2025 een Kreidler bromfiets van gedaagde voor €5.900,-. Kort na aflevering bleek de bromfiets motorische mankementen te vertonen. Ondanks herstelpogingen door gedaagde bleef de bromfiets niet naar behoren functioneren. Eiser stelde gedaagde formeel in gebreke en ontbond de koopovereenkomst buitengerechtelijk op 20 mei 2025, waarna hij terugbetaling van de koopsom en vergoeding van onderzoekskosten vorderde.

De kantonrechter kwalificeerde de koop als particuliere koop, omdat gedaagde niet aannemelijk maakte dat hij handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Uit deskundigenrapporten bleek dat de bromfiets motorisch niet in orde was, wat gedaagde onvoldoende betwistte. Het aanbod van gedaagde om de bromfiets te herstellen was onvoldoende omdat eiser niet verplicht kon worden de bromfiets naar gedaagde te brengen zonder vergoeding van transportkosten.

Gedaagde kwam hierdoor in verzuim, waardoor eiser de overeenkomst rechtsgeldig kon ontbinden. De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van de koopsom en vergoeding van de onderzoekskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 mei 2025. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom en vergoeding van onderzoekskosten wegens non-conformiteit van de bromfiets.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11789171 \ CV EXPL 25-9424
Vonnis van 14 november 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] heeft een Kreidler bromfiets van [gedaagde] gekocht. [eiser] stelt dat de bromfiets niet aan de overeenkomst beantwoordt, omdat het meerdere mankementen vertoont en hij dit niet had hoeven te verwachten. Hij heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld één en ander op te lossen, maar [gedaagde] heeft van die gelegenheid geen gebruik willen maken. Daarom heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden. Hij vordert in deze zaak dat [gedaagde] het aankoopbedrag terugbetaalt. Daarnaast vordert hij een vergoeding voor gemaakte onderzoekskosten.
1.2.
[gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij stelt zich op het standpunt dat hij voldoende moeite heeft gedaan de bromfiets, voor zover daar al daadwerkelijk wat mee aan de hand is, te herstellen. [eiser] heeft echter geweigerd om de bromfiets naar hem te komen brengen en wat [gedaagde] betreft, hield het daar dan ook op. Volgens [gedaagde] komt het er eigenlijk op neer dat [eiser] (van meet af aan) spijt had van zijn aankoop en daarom nu redenen verzint om van de koop af te komen.
1.3.
De kantonrechter geeft [eiser] gelijk en beslist dat [gedaagde] de koopsom aan [eiser] moet terugbetalen. Daarnaast moet [gedaagde] de door [eiser] gemaakte onderzoekskosten vergoeden. Hierna wordt dit oordeel nader uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 juni 2025, met producties,
- de als conclusie van antwoord te beschouwen brief van [gedaagde] , ingekomen ter griffie op 11 juli 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 31 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 november 2025 en de daarin genoemde stukken, alsmede de door de griffier gemaakte aantekeningen van die mondelinge behandeling die zich in het dossier bevinden.

3.De achtergrond

3.1.
[eiser] heeft op 11 februari 2025 een Kreidler bromfiets van [gedaagde] gekocht voor een bedrag van € 5.900,-.
3.2.
De bromfiets is op 15 februari 2025 door [gedaagde] bij [eiser] afgeleverd.
3.3.
Al snel bleek dat er problemen waren met de bromfiets, waaronder met de voorvork en de afstelling. Partijen hebben hierover overleg gehad. [gedaagde] heeft eerst een aantal onderdelen ter vervanging opgestuurd, maar omdat dit de problemen niet verhielp, heeft [gedaagde] uiteindelijk de bromfiets bij [eiser] opgehaald voor herstel. Zoals door [gedaagde] ter zitting is erkend, was er inderdaad iets mis met de voorvork en zat er ook vuil in de tank. Hij heeft daarom de tank gedemonteerd en dit probleem opgelost en de voorvork vernieuwd. Alleen dat laatste had hij [eiser] meegedeeld.
3.4.
Nadat [gedaagde] deze herstelwerkzaamheden had afgerond en de bromfiets weer bij [eiser] had afgeleverd, constateerde [eiser] dat er nog steeds problemen waren met de bromfiets.
3.5.
Op 8 mei 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een ingebrekestelling gestuurd en hem gesommeerd om de bromfiets binnen twee weken te herstellen.
3.6.
Per brief van 20 mei 2025 heeft [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] gesommeerd om binnen zeven dagen tot (terug)betaling van de koopsom en onderzoekskosten van € 250,- over te gaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat (inmiddels) vast dat [eiser] de bromfiets van [gedaagde] heeft gekocht voor een bedrag van € 5.900,-. [eiser] vordert nu terugbetaling van dit bedrag, omdat hij de overeenkomst op 20 mei 2025 heeft ontbonden. De vraag die nu voorligt is of [eiser] de overeenkomst met succes heeft ontbonden. Voordat deze vraag kan worden beantwoord, moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen hoe de overeenkomst kan worden gekwalificeerd: als een consumentenkoop of als een particuliere koop.
Er is sprake van een particuliere koop
4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval sprake van een particuliere koop. Daartoe is redengevend dat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat [gedaagde] handelde in uitoefening van zijn beroep of bedrijf en dat is wel nodig om te kunnen spreken van een consumentenkoop. [1] Weliswaar zijn er, zoals [eiser] terecht stelt, meerdere aanwijzingen in het dossier dat [gedaagde] regelmatig bromfietsen verkoopt, nu hij onder meer twee bromfietsen aan [eiser] te koop heeft aangeboden, een garantie heeft afgegeven en in het verleden meerdere bromfietsen heeft verkocht, maar [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat hij dit doet in uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Hij heeft uitgebreid toegelicht dat hij in een bromfietsenclub zit, dat hij daarom vaker op verzoek van anderen (vooral leden van de club) een bromfiets opknapt en deze vervolgens verkoopt en dat hij dit uitsluitend hobbymatig doet; hij leeft van zijn AOW-uitkering, staat niet ingeschreven in de Kamer van Koophandel en heeft geen zakelijke rekening. Verder heeft hij toegelicht dat hij enkel een garantie heeft afgegeven, omdat hij op zijn beurt een garantie (op de motor) had verkregen van degene bij wie hij het motorblok van de Kreidler had gekocht. Een en ander heeft [eiser] niet weersproken, zodat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat dit onjuist is en [gedaagde] wel handelde in uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Dat brengt mee dat het hier gaat om een koop tussen twee particulieren, zodat [eiser] geen beroep kan doen op de bepalingen voor consumentenkoop.
De bromfiets beantwoordt niet aan de overeenkomst
4.3.
[eiser] heeft een beroep gedaan op non-conformiteit van de bromfiets. Daarvoor moet worden vastgesteld of de bromfiets aan de overeenkomst beantwoordt. [2] Uit de wet volgt dat dit niet het geval is als de zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Daarbij moet onder andere worden gekeken naar de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. Verder mag de koper verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. [3]
4.4.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat de bromfiets, ook nadat [gedaagde] de voorvork had vernieuwd en de problemen met de tank had opgelost, niet aan de overeenkomst beantwoordde en dat dus sprake was van non-conformiteit. [eiser] heeft immers zijn stelling dat de bromfiets niet de eigenschappen bezit die hij hiervan mocht verwachten, voldoende onderbouwd met twee diagnoses van verschillende partijen. Zo heeft [naam C.V.] te Mechelen de door [eiser] aangekochte Kreidler onderzocht en op 13 mei 2025 het volgende aan [eiser] bericht:

De Kreidler is motorisch niet in orde. De lucht/brandstofverhouding en/of carburatie, in combinatie met o.a. de cilinder, zijn niet juist. Hierdoor loopt de motor zeer slecht, zowel in hoge als in lage toeren. Er is eigenlijk niet of nauwelijks mee te rijden. Bijv. wanneer je afremt en weer moet optrekken komt de brommer nauwelijks van zijn plaats en valt zelfs soms bijna helemaal uit. Je moet dan ook met onnodig veel gas optrekken om überhaupt in beweging te komen. Kortweg NIET GOED.”
Verder heeft RC Scooters te Magraten op 20 mei 2025 het volgende aan [eiser] bericht:
“U bent bij onze winkel langsgekomen met uw Kreidler RS (..) ivm een slecht lopende motor. Wij hebben een korte testrit gemaakt om te controleren hoe de bromfiets loopt. Deze loopt niet naar behoren en trekt zowel in lage als hoge toeren niet zoals deze bromfiets zou moeten lopen. Om verder te kijken wat er zou moeten gebeuren, is het noodzakelijk om een en ander te demonteren / controleren / afstellen.”
Hieruit volgt dat de bromfiets motorisch niet in orde is, aangezien de motor zowel in de hoge als in de lage toeren niet loopt. [gedaagde] heeft deze bevindingen onvoldoende weersproken. Hij heeft hier slechts tegenin gebracht dat dergelijke bevindingen altijd aan een derde kunnen worden gevraagd en dat het zijn indruk was dat [eiser] spijt had van zijn aankoop, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de bromfiets wel naar behoren functioneerde. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] , zoals uit het navolgende zal blijken, de mogelijkheid heeft gehad om de juistheid van één en ander zelf te (laten) onderzoeken, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
[eiser] heeft de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden
4.5.
[eiser] heeft op 20 mei 2025 de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. De vraag is of hij dit rechtsgeldig heeft gedaan. De wet bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een verbintenis de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt. [4] Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. [5]
4.6.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Vaststaat dat de bromfiets niet aan de overeenkomst beantwoordt, zodat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] . Omdat nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, kon [eiser] de overeenkomst pas ontbinden nadat [gedaagde] in verzuim was geraakt.
4.7.
Uit de wet volgt dat bij non-conformiteit de verkoper verplicht is om gebreken te herstellen. [6] Dat betekent dat [eiser] de overeenkomst pas mocht ontbinden als hij [gedaagde] een redelijke termijn heeft gegeven om de gebreken te herstellen en dit herstel is uitgebleven. Het geven van een redelijke termijn heeft [eiser] gedaan, want hij heeft per brief van 8 mei 2025 [gedaagde] meegedeeld dat de bromfiets nog altijd niet goed liep, dat hij [gedaagde] hierbij formeel in gebreke stelde en dat hij hem verzocht om de bromfiets binnen veertien dagen alsnog volledig en deugdelijk te herstellen.
4.8.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij, in reactie op de ingebrekestelling, aanvankelijk al op 13 mei 2025 had aangeboden om de bromfiets te herstellen, maar dat dit aanbod stukliep op de weigering van [eiser] om de bromfiets naar hem te komen brengen. Volgens [gedaagde] had [eiser] dit niet in redelijkheid mogen weigeren. [eiser] heeft ter zitting erkend dat deze discussie inderdaad voorafgaand aan de ontbinding heeft gespeeld.
4.9.
Met [eiser] is de kantonrechter echter van oordeel dat het aanbod van [gedaagde] om tot herstel van de Kreidler over te gaan, geen deugdelijk aanbod is geweest. Dat [eiser] (vanuit [woonplaats 1] , Zuid-Limburg) voor dat herstel de bromfiets naar [gedaagde] ( [woonplaats 2] ) zou moeten komen brengen, zijnde de voorwaarde die [gedaagde] stelde, kon namelijk niet van [eiser] worden gevergd. De wet bepaalt immers dat de kosten van herstel voor rekening van de verkoper komen. [7] Dit impliceert ook eventuele bijkomende kosten, zoals voor het transport. Uit niets blijkt dat [gedaagde] heeft aangeboden om de kosten voor het brengen van de bromfiets voor zijn rekening te nemen, zodat [eiser] ook niet met deze voorwaarde hoefde in te stemmen. Daar komt bij dat [gedaagde] de bromfiets steeds naar [eiser] heeft gebracht en eerder ook had opgehaald voor herstel, zodat [eiser] hier nu ook vanuit mocht gaan. Dat [eiser] de bromfiets niet naar [gedaagde] heeft gebracht voor herstel, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen.
Vervolgens heeft [eiser] op 13 mei 2025 nog een nadere toelichting gegeven op de eerdere ingebrekestelling. Hij heeft daarbij gewezen op de door hem ingewonnen informatie van [naam C.V.] en RC Scooters, waarvan de rapporten nog zouden volgen, en heeft [gedaagde] toen nogmaals de kans geboden om de bromfiets te komen ophalen. Hierop heeft [gedaagde] echter een dag later per Whatsapp gereageerd met de mededeling:
Hier veeg ik mijn reed mee af (…)”.
De kantonrechter volgt [eiser] in zijn standpunt dat [gedaagde] door dat laatste bericht in verzuim is geraakt. Uit de houding die uit dat laatste bericht kon worden afgeleid, mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde] de situatie zo inkleedde alsof er niets aan de hand was en dus ook niet tot herstel zou overgaan, zodat op grond van artikel 6:83 sub c BW Pro het verzuim van [gedaagde] is ingetreden.
4.10.
Gelet op het voorgaande bestond voor [eiser] de mogelijkheid om de overeenkomst met [gedaagde] te ontbinden, wat hij op 20 mei 2025 schriftelijk heeft gedaan.
[eiser] heeft recht op terugbetaling van de koopsom
4.11.
Ontbinding heeft tot gevolg dat partijen verplicht zijn om de reeds ontvangen prestaties ongedaan te maken. [8] Daarom is [eiser] gehouden om de bromfiets aan [gedaagde] terug te geven en [gedaagde] de koopsom van € 5.900,- aan [eiser] terug te betalen. De vordering van [eiser] tot terugbetaling van de koopsom wordt dan ook toegewezen. Voor de plicht om de bromfiets terug te geven zal geen afzonderlijke veroordeling worden uitgesproken, omdat dit niet is gevorderd. Dat neemt niet weg dat [eiser] hier wel rechtens toe gehouden is.
[eiser] heeft recht op betaling van de gemaakte kosten
4.12.
[eiser] vordert daarnaast een vergoeding voor de door hem gemaakte onderzoekskosten van € 250,-, bestaande uit de kosten van de expertises van [naam C.V.] en RC Scooters en het transport dat in dat kader heeft plaatsgehad. Deze kosten worden toegewezen, omdat deze kwalificeren als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en toewijsbaar zijn op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. [gedaagde] heeft ook geen verweer gevoerd tegen deze vordering.
Wettelijke rente
4.13.
[eiser] vordert de wettelijke rente over de koopsom en over de onderzoekskosten vanaf 20 mei 2025. De wet bepaalt dat de schuldenaar wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van de vordering. [9] De datum van verzuim moet voor de (terug)betalingsverplichting apart worden beoordeeld. Er is sprake van verzuim als aan de schuldenaar schriftelijk een termijn wordt gesteld voor nakoming en de nakoming binnen die termijn uitblijft. [10]
4.14.
Per brief van 20 mei 2025 heeft [eiser] gelijktijdig met de ontbinding (terug)betaling gevraagd van de koopsom en de onderzoekskosten. Hiervoor is een termijn van zeven dagen gegeven. Omdat [gedaagde] niet binnen deze termijn heeft betaald, verkeert hij vanaf 28 mei 2025 in verzuim. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 28 mei 2025 over € 6.150,-, bestaande uit de koopsom van € 5.900,- en de toegewezen onderzoekskosten van € 250,-.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [eiser] geen gemachtigde heeft wordt geen ‘salaris gemachtigde’ en ‘nakosten’ toegewezen. Omdat [eiser] bij de zitting is verschenen, wordt wel ambtshalve een forfaitair bedrag van € 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten toegekend. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- verletkosten
50,00
Totaal
453,14

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 28 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 453,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad [11] .
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, kantonrechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.

Voetnoten

1.Zie artikel 7:5 lid 1 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Zie artikel 7:17 lid 1 BW Pro.
3.Zie artikel 7:17 lid 2 BW Pro.
4.Zie artikel 6:265 lid 1 BW Pro.
5.Zie artikel 6:265 lid 2 BW Pro.
6.Zie artikel 7:21 lid 1 jo Pro 7:21 lid 3 BW.
7.Zie artikel 7:21 lid 2 BW Pro.
8.Zie artikel 6:271 BW Pro.
9.Zie art. 6:119 lid 1 BW Pro.
10.Zie artikel 6:81 BW Pro jo artikel 6:82 BW Pro.
11.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.