ECLI:NL:RBAMS:2025:8960

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
13/221356-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens noodweer na poging tot doodslag en drugsmisdrijven

Op 19 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 26-jarige man, die werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot doodslag en het voorhanden hebben van verdovende middelen en vuurwapens. De rechtbank heeft vastgesteld dat op 22 mei 2025 een schietpartij plaatsvond in Amsterdam, waarbij de verdachte betrokken was. De verdachte heeft verklaard dat hij handelde uit noodweer, omdat hij een vriend wilde beschermen die werd aangevallen met een mes. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen en geconcludeerd dat er sprake was van een noodweersituatie. Hierdoor is de verdachte ontslagen van rechtsvervolging voor de poging tot doodslag. De rechtbank heeft echter wel vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van MDMA, cocaïne en een vuurwapen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, zonder voorwaardelijk strafdeel, en de rechtbank heeft de teruggave van bepaalde in beslag genomen voorwerpen gelast. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat er geen straf of maatregel is opgelegd voor het feit waar de vordering op is gebaseerd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/221356-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13/283503-23
Datum uitspraak: 19 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
5 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, en de benadeelde partij en diens advocaat, mr. C.C.J. Tuip, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:poging tot doodslag of zware mishandeling van [slachtoffer] op 22 mei 2025 in Amsterdam;
Feit 2:opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden MDMA en/of cocaïne op
22 mei 2025 in Amsterdam;
Feit 3:opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden hennep en hasj van meer dan 30 gram op 22 mei 2025 in Amsterdam;
Feit 4:voorhanden hebben van een gasalarmpistool en vijf patronen van categorie III op 5 augustus 2025 in Haarlem;
Feit 5:voorhanden hebben van een als echt gelijkend vuurwapen van categorie I op 22 mei 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De officier van justitie heeft verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor het onder 3 aan verdachte ten laste gelegde. De tenlastelegging is volgens haar onvoldoende duidelijk, omdat daarin geen specifieke hoeveelheid hennep/hasj is vermeld.
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen op dit punt.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoende specifiek is en dat het, in combinatie met het procesdossier, voor de verdediging voldoende duidelijk is wat de verdenking is. De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Inleiding
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 22 mei 2025 komt om 19:00 uur een melding binnen bij de politie dat er een schietpartij gaande is bij een coffeeshop op de Geldersekade in Amsterdam. Bij aankomst treffen verbalisanten getuige [naam getuige 1] aan in de deuropening van een pizzeria op de hoek van de Geldersekade en de Binnen Bantammerstraat. Hij heeft naar later blijkt steekwonden in zijn linkerschouder, linkerbovenarm en bij zijn linkeroor. Een ander slachtoffer, benadeelde partij [slachtoffer] , meldt zich later op de avond met schotwonden in het ziekenhuis. De schutter is ter plaatse niet aangetroffen. [slachtoffer] heeft verdachte aangewezen als de schutter.
Op dezelfde dag wordt daarom de woning van verdachte aan het [adres] in de gaten gehouden. Om 20:00 uur zien verbalisanten de ex-vriendin van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , de woning binnen gaan. Negen minuten later komt zij de woning uit met een tas. Zij wordt aangehouden en haar tas wordt gecontroleerd. In de tas worden onder meer een mes, een vuurwapen en verdovende middelen aangetroffen.
Op 5 augustus 2025 wordt verdachte in de woning van [medeverdachte] in [woonplaats] aangehouden. Bij de doorzoeking van de woning wordt in een ladekast ook een vuurwapen met munitie aangetroffen.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag, impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling van [slachtoffer] . Verdachte heeft gericht geschoten op de benen van [slachtoffer] . Daarmee bestaat er geen opzet op de dood. Hoogstens is sprake van een poging tot zware mishandeling.
Ook van de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten moet verdachte worden vrij-gesproken. De verdovende middelen, de vuurwapens en munitie zijn namelijk onder [medeverdachte] in beslag genomen en bevatten geen forensische sporen van verdachte.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet de volgende vragen beantwoorden:
  • heeft verdachte op 22 mei 2025 [slachtoffer] neergeschoten;
  • heeft verdachte op de dezelfde dag wetenschap van en beschikkingsmacht gehad over de bij [medeverdachte] aangetroffen verdovende middelen en het vuurwapen;
  • heeft verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht gehad over het vuurwapen en de munitie die op 5 augustus 2025 in de woning van [medeverdachte] zijn aangetroffen.
4.4.1
Vrijspraak van het voorhanden hebben van de hennep/hasj en het gasalarmpistool met munitie (3 en 4 op de tenlastelegging)
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van de hennep/hasj, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er sprake zou zijn van een hoeveelheid van meer dan 30 gram.
Ook van het voorhanden hebben van het gasalarmpistool en bijbehorende munitie, aangetroffen in de woning van [medeverdachte] op 5 augustus 2025, zal verdachte worden vrijgesproken. Het volgende is hiervoor redengevend. Verdachte kon op zich over dit wapen en de munitie beschikken, omdat hij al een paar weken in de woning van [medeverdachte] verbleef. Er zijn echter geen bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte ook de wetenschap had dat die goederen in de woning waren. [medeverdachte] heeft verklaard dat het wapen van verdachte is. Maar het wapen is aangetroffen in een lade met kleding van [medeverdachte] . Uit het forensisch sporenonderzoek is gebleken dat er sporen zijn aangetroffen op het wapen van een derde persoon, maar niet van verdachte.
4.4.2
Poging tot doodslag/zware mishandeling van [slachtoffer] (onder 1 ten laste gelegd)
De rechtbank stelt op grond van de beschrijving van de camerabeelden, de verklaring van verdachte op de zitting, de verklaring van [slachtoffer] en de medische informatie over [slachtoffer] de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 mei 2025 bevinden verdachte en [naam getuige 1] zich voor de deur van coffeeshop Het Gelderse op de Geldersekade in Amsterdam. Op enig moment komt [slachtoffer] samen met [naam] aanlopen. Zij voegen zich bij verdachte en [naam getuige 1] . [slachtoffer] maakt na een paar seconden slaande bewegingen richting [naam getuige 1] en steekt hem ten minste vier keer met een mes, terwijl verdachte erbij staat. Verdachte pakt dan zijn vuurwapen uit zijn schoudertas, richt dit op [slachtoffer] en schiet daarmee tenminste één keer. Het gaat om een echt vuurwapen en scherpe munitie. [slachtoffer] loopt in- en uitschotwonden op ter hoogte van zijn bekkenkam.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte met een vuurwapen gericht op [slachtoffer] heeft geschoten en dat het letsel van [slachtoffer] hierdoor is veroorzaakt.
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Over de manier waarop is geschoten, heeft alleen verdachte een verklaring afgelegd, namelijk dat hij op korte afstand richtte op de benen van [slachtoffer] omdat [slachtoffer] [naam getuige 1] aan het steken was.
De rechtbank komt wel tot het oordeel dat de handelingen die door verdachte zijn verricht, voorwaardelijk opzet op de dood meebrengen. Door als ongeoefend schutter met een vuurwapen, te midden van een vechtpartij, gericht op het lichaam van [slachtoffer] te schieten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden.
Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de tenlastegelegde poging tot doodslag van [slachtoffer] is bewezen.
4.4.3
Voorhanden hebben van de MDMA, cocaïne en het vuurwapen (feiten 2 en 5)
De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring dat verdachte de MDMA, cocaïne en het vuurwapen, die op 22 mei 2025 onder [medeverdachte] zijn aangetroffen, voorhanden heeft gehad en overweegt daartoe als volgt.
Zoals hiervoor is beschreven wordt [medeverdachte] op 22 mei 2025 aangehouden en de inhoud van haar tas onderzocht. De verbalisanten treffen in de tas onder andere vermoedelijk verdovende middelen en een vuurwapen aan. Uit forensisch onderzoek blijkt dat een deel van de in de tas aangetroffen stoffen MDMA en cocaïne bevatten. Ook blijkt uit het wapenonderzoek dat het gaat om een luchtdrukpistool dat lijkt op een echt vuurwapen, te weten een Sig Sauer model P226 en dat dit een verboden wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie is.
[medeverdachte] heeft in haar verhoor als verdachte verklaard dat zij al enige tijd geen contact meer had met verdachte, totdat hij haar kort voor zijn aanhouding opbelde, haar daarbij opdracht gaf om naar zijn woning te gaan en daar twee tassen op te halen. [medeverdachte] heeft dit vervolgens gedaan, waarbij de vader van verdachte haar in de woning heeft binnen gelaten. De twee tassen die de politie bij haar heeft aangetroffen vond zij in de slaapkamer van verdachte. Aangezien deze verklaring van [medeverdachte] steun vindt in de observaties door de verbalisanten acht de rechtbank deze verklaring bruikbaar voor het bewijs.
Op grond van de hierboven gegeven redengevende omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de beschikkingsmacht had over de drugs en het wapen en dat hij wetenschap had over de aanwezigheid van deze goederen in zijn slaapkamer. Verdachte heeft geen deze redengevende omstandigheden ontzenuwende verklaring afgelegd. Aan dit oordeel doet niet af dat de goederen niet onder verdachte maar onder [medeverdachte] zijn aangetroffen en dat daarop geen forensische sporen van verdachte zijn gevonden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman dat om die reden vrijspraak voor het onder 2 en 5 tenlastegelegde zou moeten volgen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 22 mei 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet van dichtbij met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 22 mei 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- hoeveelheden MDMA en
- hoeveelheden cocaïne,
in elk geval middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5
op 22 mei 2025 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een vuurwapen geleek dat dit voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een luchtdrukpistool dat qua vorm een sprekende gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen (Sig Sauer model P226), voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

6.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat aan hem een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toekomt. [slachtoffer] stak [naam getuige 1] neer. Verdachte heeft daarop, in een poging om [slachtoffer] te stoppen met steken, zijn vuurwapen gepakt en een enkele keer geschoten op zijn benen. Verdachte heeft dan ook gehandeld uit verdediging van het leven van [naam getuige 1] .
6.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens de officier van justitie kan het beroep op noodweer niet slagen. Hoewel sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op het moment dat [slachtoffer] instak op [naam getuige 1] , is onvoldoende aannemelijk geworden dat daarvan nog steeds sprake was op het moment dat verdachte schoot.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer is, op grond van artikel 41, eerste lid, Sr vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of eens anders lijf, eerbaarheid of goed.
Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk is geworden. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de door verdachte geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij met [naam getuige 1] voor de deur van de coffeeshop stond, [slachtoffer] samen met een ander persoon op hen af zag komen lopen. Toen [slachtoffer] en (naar later bleek) [naam] voor hen stonden, zei verdachte ‘we zijn goed, toch?’. [slachtoffer] haalde toen een mes tevoorschijn en begon in te steken op [naam getuige 1] . Een vrouw fietste toen net langs, tussen verdachte en [naam getuige 1] door. Door de schrik vielen verdachte en [naam getuige 1] op de vrouw met de fiets. [slachtoffer] bleef insteken op [naam getuige 1] . Verdachte heeft zich op enig moment weten los te maken uit de valpartij met de fiets en is opgestaan. Daarop heeft hij een vuurwapen uit zijn tas gepakt en op [slachtoffer] geschoten om ervoor te zorgen dat [slachtoffer] zou stoppen met het steken van [naam getuige 1] .
Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. [naam getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem heeft neergestoken. Getuige [naam getuige 2] , die met haar fiets op de grond viel met verdachte en [naam getuige 1] , heeft verklaard dat zij zag dat één van de mannen naar de andere liep en dat het leek alsof hij hem in zijn buik sloeg. Ook uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] slaande bewegingen maakt in de richting van [naam getuige 1] . Zoals hiervoor al is vastgesteld, is [naam getuige 1] meermalen gestoken.
Op grond van al deze voorgaande omstandigheden, in samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gestelde feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden. Op het moment dat [slachtoffer] in gevecht raakte met [naam getuige 1] en hem meermaals met een mes stak, was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, gericht tegen het lijf van [naam getuige 1] , waartegen verdediging noodzakelijk was: een noodweersituatie. [naam getuige 1] kon zich op dat moment niet aan de situatie onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verdachte [naam getuige 1] tegen deze ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding verdedigen en daarbij (gepast) geweld gebruiken. Dat deze noodweersituatie al voorbij was toen verdachte in actie kwam, zoals door de officier van justitie is gesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld op basis van het procesdossier.
Het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel – eenmaal schieten met een vuurwapen op het onderlichaam van verdachte – was ook proportioneel ten opzichte van de aanval door [slachtoffer] , die een mes gebruikte om [naam getuige 1] neer te steken en steekbewegingen bleef maken. Ook is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste, het slachtoffer was al gestoken, [slachtoffer] ging daarmee door terwijl iedereen was gevallen en hij vlakbij [naam getuige 1] en verdachte stond. Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank de veronderstelling van verdachte dat [naam getuige 1] in gevaar was aannemelijk en verdachte kon redelijkerwijs geen ander verdedigingsmiddel aanwenden om het gevaar voor [naam getuige 1] af te wenden.
Het beroep op noodweer slaagt. Als gevolg hiervan acht de rechtbank de onder 1 bewezen poging niet strafbaar. Verdachte zal dan ook voor dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf en maatregel

8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 4 en 5 bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd dat aan de proeftijd de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweren gevoerd, gelet op het pleidooi tot vrijspraak.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van handelshoeveelheden MDMA, cocaïne en een vuurwapen. Dit zijn ernstige feiten.
Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij daaraan bijgedragen.
Verdachte had verschillende soorten drugs voorhanden, in hoeveelheden die er op wijzen erop dat verdachte zich bezighield met drugshandel. Verdachte vormt hierdoor een belangrijke schakel in de handel in en verspreiding van voor de gezondheid schadelijke harddrugs en aan de daarmee gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit.
De rechtbank rekent verdachte aan dat hij heeft geprobeerd de drugs en het vuurwapen door zijn (ex-)vriendin op te laten halen, vlak na het schietincident, kennelijk om bewijsmateriaal weg te laten maken. Hij is ook onder gaan duiken om uit handen van de politie te blijven.
Uit het strafblad van verdachte van 22 september 2025 blijkt bovendien dat verdachte eerder is veroordeeld voor het voorhanden hebben van vuurwapens en harddrugs en ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in drie proeftijden liep. Verdachte heeft zich door onder te duiken na het gebeuren op 22 mei 2025 onttrokken aan reclasseringstoezicht en een net aangevangen behandeling bij De Waag daardoor heeft afgebroken. Dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft de rechtbank het meeste recente over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 7 oktober 2025 opgesteld door mw. K. Martina in aanmerking genomen. Dit advies houdt in dat de reclassering nog wel enige meerwaarde zit een voorwaardelijke strafdeel met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht en bijzonder voorwaarden, gelet op de instabiliteit op alle leefgebieden en de wil van verdachte om daaraan mee te werken. De rechtbank zal dit advies niet volgen. Reclasseringstoezichten in 2024 en 2025 zijn retour gezonden omdat hij onvoldoende meewerkte. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat verdachte zich nu wel reclasseringsbemoeienis zal onderwerpen.
Omdat de rechtbank tot minder bewezenverklaarde en strafbare feiten komt, wijkt zij af van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vier maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en zal deze daarom niet opleggen.

9.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
telefoon, Samsung A16, goednummer 6697633;
1 telefoon, Samsung S9, goednummer 6697643;
1 telefoon, Apple iPhone, goednummer 6697649;
2 stuks munitie, goednummer 6660066;
8 stuks munitie, goednummer 6660074;
1 stuk munitie, goednummer 6660076;
1 pistool, Sig Sauer gaspistool, goednummer 6660093;
1 mes, goednummer 6660477;
1 vuurwapen, goednummer 6660504;
1 stuk munitie, goednummer 6660095;
1 stuk munitie, goednummer 6660100.
De officier van justitie en de verdediging hebben geen standpunten ingenomen over het beslag.
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4 tot en met 11 dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Teruggave
De voorwerpen onder nummers 1 tot en met 3 zullen worden teruggegeven aan verdachte, nu geen relatie tussen deze voorwerpen en de bewezen geachte feiten kan worden vastgesteld.

10.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 1.188.- aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ter zake van feit 1 geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

11.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 30 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-283503-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 25 april 2025 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 45 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 29 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, op de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet en op de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag;
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 5:
handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het in rubriek 5 onder 1 bewezene niet strafbaar en
ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Verklaart het in rubriek 5 onder 2 en 5 bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
(vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 2 stuks munitie, goednummer 6660066;
  • 8 stuks munitie, goednummer 6660074;
  • 1 stuk munitie, goednummer 6660076;
  • 1 pistool, Sig Sauer gaspistool, goednummer 6660093;
  • 1 mes, goednummer 6660477;
  • 1 vuurwapen, goednummer 6660504;
  • 1 stuk munitie, goednummer 6660095;
  • 1 stuk munitie, goednummer 6660100.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
  • 1 telefoon, Samsung A16, goednummer 6697633;
  • 1 telefoon, Samsung S9, goednummer 6697643;
  • 1 telefoon, Apple iPhone, goednummer 6697649.
Verklaart
[slachtoffer]niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Gelast de
tenuitvoerleggingvan de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 april 2025, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 29 dagen.
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mr. A.M. Loots en mr. J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2025.