ECLI:NL:RBAMS:2025:8898

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
11793238
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht in een geschil tussen RICHTIE BROS. B.V. en TH MINING GMBH

In deze zaak, die voor de Rechtbank Amsterdam is behandeld, heeft de kantonrechter op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen RICHTIE BROS. B.V. en TH MINING GMBH. RICHTIE BROS. B.V., gevestigd in Zevenberg, heeft TH MINING GMBH, een rechtspersoon naar buitenlands recht gevestigd in Nagold, Duitsland, aangeklaagd. TH MINING GMBH is niet verschenen in de procedure, waardoor verstek is verleend. De zaak betreft een internationale koopovereenkomst waarbij partijen expliciet hebben gekozen voor Nederlands recht en de toepassing van het Weens Koopverdrag hebben uitgesloten. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de rechtbank bevoegd is op basis van artikel 25 lid 1 sub a van de Brussel I-bis verordening, omdat er een geldige forumkeuze is gemaakt in de koopovereenkomst. De eisende partij heeft voldaan aan de vereisten voor betekening en de gedaagde partij heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vordering van RICHTIE BROS. B.V. toegewezen, waarbij TH MINING GMBH is veroordeeld tot betaling van beslagkosten, proceskosten en een hoofdsom van € 20.000,00, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten zijn vastgesteld op € 2.121,40, en de gedaagde partij moet deze binnen veertien dagen na aanschrijving voldoen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11793238 \ CV EXPL 25-9494
Vonnis van 13 november 2025
in de zaak van
RICTHIE BROS. B.V.,
gevestigd te Zevenberg,
eisende partij,
gemachtigde: mr. D.J.C. van Bemmel,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
TH MINING GMBH,
gevestigd te Nagold (Duitsland),
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om een certificaat van betekening als bedoeld in artikel 11 van de Betekeningsverordening (Verordening (EU) 2020/1784) over te leggen (hierna: formulier K). Ook is eisende partij in de gelegenheid gesteld een stuk over te leggen waaruit blijkt dat aan het in artikel 18 van de Betekeningsverordening gestelde is voldaan.
1.2.
Bij e-mail van 22 september 2025 heeft eisende partij een akte ingediend, houdende een kopie van het formulier K. Deze akte heeft zij tevens per post verstuurd, welke door de rechtbank is ontvangen op 25 september 2025.
1.3.
Bij brief ontvangen op 30 september 2025 heeft eisende partij het origineel van het Formulier K overgelegd.
1.4.
De zaak staat thans voor vonnis

2.De verdere beoordeling

Betekening
2.1.
Vooropgesteld wordt dat eisende partij bij het herstelexploot van 12 mei 2025 een dagvaardingstermijn van ten minste vier weken in acht heeft genomen.
2.2.
Ingevolge het overgelegde formulier K is het herstelexploot op 10 juni 2025 betekend door achterlating in de brievenbus van gedaagde partij. Tussen het moment van betekening en de datum waartegen gedaagde partij is opgeroepen, 15 juli 2025, is eveneens een termijn van ten minste vier weken in acht genomen, zodat gedaagde partij in overeenstemming met artikel 22 van de Betekeningsverordening daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren.
2.3.
Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en heeft evenmin op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting van 15 juli 2025 geantwoord. Tegen haar wordt daarom verstek verleend.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
2.4.
De zaak heeft een internationaal karakter nu gedaagde partij in Duitsland is gevestigd. Eerst dient daarom te worden beoordeeld of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en, indien dat het geval is, welk recht op de zaak van toepassing is. De kantonrechter overweegt als volgt.
2.5.
Onderhavig geschil betreft een zaak waarop de Verordening (EU) nr. 1215/2012
van 12 december 2012 (Brussel I-bis) zowel materieel, temporeel als formeel van toepassing is. Artikel 25 van deze verordening regelt exclusieve bevoegdheid op grond van een tussen partijen overeengekomen forumkeuze. Voorwaarde voor gebondenheid aan deze forumkeuze is dat deze rechtsgeldig, volgens de strenge normen van artikel 25 van de verordening Brussel I-bis, tot stand is gekomen.
2.6.
Eisende partij stelt dat op grond van de
sales agreement(hierna: de koopovereenkomst) tussen partijen deze rechtbank bevoegd is van onderhavig geschil kennis te nemen en Nederlands recht van toepassing is. In de koopovereenkomst is opgenomen, voor zover van belang:
“This agreement is governed by Dutch law. UN convention for the International Sale of Goods does not apply. Any dispute or claim arising out of or relating to this Agreement, or the breach, termination or validity thereof, shall exclusively be settled by the court in Amsterdam, the Netherlands. […]”
2.7.
Artikel 25 Brussel I-bis bepaalt dat, indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, schriftelijk een gerecht van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht exclusief bevoegd is, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient een forumkeuzebeding autonoom op grond van het unierecht te worden beoordeeld. Voor het naar de maatstaf van artikel 25 van de Brussel I-bis rechtsgeldig maken van een forumkeuze is vereist, maar ook voldoende, dat er sprake is van een daadwerkelijke instemming van partijen met de forumkeuze. Hiervoor dient onderzocht te worden of de forumkeuze het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt, waarbij de vormvoorschriften in artikel 25 lid 1 sub a-c van de Brussel I-bis ten doel hebben te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen inderdaad vaststaat (HvJ EG 20 februari 1997, ECLI:EU:C:1997:70, MSG/Les Gravières Rhénanes, HvJ EU 7 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:525, Höszig).
2.8.
In dit geval staat in de door partijen op 21 december 2023 ondertekende koopovereenkomst uitdrukkelijk een clausule tot aanwijzing van een bevoegde rechter. De forumkeuze is op de tweede pagina van de overeenkomst, bestaande uit twee pagina’s, in een aparte alinea opgenomen. Partijen hebben de overeenkomst direct onder de bewuste alinea op diezelfde pagina ondertekend. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat partijen daadwerkelijk hebben ingestemd met de forumkeuze. Daarmee voldoet de forumkeuze aan de vormvereisten van artikel 25 lid 1 sub a Brussel I-bis.
2.9.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter op grond van artikel 25 Brussel I-bis exclusief bevoegd van onderhavig geschil kennis te nemen.
2.10.
Partijen hebben de toepasselijkheid van het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (hierna: Weens Koopverdrag) uitdrukkelijk uitgesloten, zo blijkt uit het beding als genoemd onder 2.6. Dit leidt ertoe dat het Weens Koopverdrag niet van toepassing is op de onderhavige vordering. Omdat er sprake is van een rechtskeuze voor Nederlands recht, is dat recht op grond van artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
2.11.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.12.
Eisende partij vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 688,00 als gevorderd aan griffierecht voor de verzoekschriftprocedure, voor welke procedure ook € 406,00 aan salaris advocaat (1,0 punt x € 406,00) toewijsbaar is, totaal € 1.094,00. De gevorderde rente over de beslagkosten zal worden toegewezen met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
2.13.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
406,00
(1 punt × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.121,40
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 8 mei 2024 tot en met de dag van algehele betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.094,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 2.121,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt gedaagde partij in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.
64443