Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met productie 1,
- het instructievonnis van 10 juni 2025,
- de aanvullende producties 13-17 van Rochdale, ontvangen op 2 oktober 2025.
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen woningstichting Rochdale en een huurder, aangeduid als [gedaagde]. Rochdale vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, omdat zij meende dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde had, maar elders. De procedure begon met een dagvaarding op 15 mei 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 9 oktober 2025. Tijdens deze behandeling heeft Rochdale bewijs gepresenteerd, waaronder meldingen van omwonenden en huisbezoeken, waaruit zou blijken dat [gedaagde] niet in de woning verbleef. [gedaagde] voerde echter aan dat hij wel degelijk in de woning woonde, ondanks dat hij vaak buitenshuis was vanwege sociale activiteiten en de aanwezigheid van zijn zoon, die een drugsverslaving had. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf elders had. De rechter oordeelde dat de omstandigheden en verklaringen van [gedaagde] niet ongeloofwaardig waren en dat Rochdale niet had aangetoond dat er sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Daarom werden de vorderingen van Rochdale afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten.