ECLI:NL:RBAMS:2025:8812

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
C/13/741346 / FA RK 23-7119 C/13/771743 / FA RK 25/4923
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake ontzegging omgang en toewijzing eenhoofdig gezag na geweldsincident

Op 8 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende de ontzegging van omgang en de toewijzing van eenhoofdig gezag. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. M.F. Achekar, verzocht de rechtbank om het gezag over haar kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], uitsluitend aan haar toe te wijzen, en om de man, die gedetineerd is op verdenking van het neersteken van de vrouw, het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen. De rechtbank oordeelde dat de man, die sinds 6 april 2024 in voorlopige hechtenis zit, een ernstig risico vormt voor de kinderen, die getuige waren van het geweld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om de omgang voor een jaar te ontzeggen, wat de rechtbank overnam. De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden zodanig waren gewijzigd dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de kinderen was. De vrouw had door het geweld een trauma opgelopen, en de rechtbank achtte het noodzakelijk dat zij alleen met het gezag werd belast om verdere schade aan de kinderen te voorkomen. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten droeg.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
locatie Amsterdam
zaak- en / rekestnummers:
C/13/741346 / FA RK 23-7119 en C/13/771743 / FA RK 25/4923 (AL/NN)
Beschikking van 8 oktober 2025 betreffende een ontzegging omgang en wijziging gezag
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.F. Achekar, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
gedetineerd te [detentieplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. El Aqde, kantoorhoudende te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Amsterdam, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.De (verdere) procedure

1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2024 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding van partijen uitgesproken en is bepaald dat de man het recht op omgang met:
  • [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2017, en
  • [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2020,
wordt ontzegd in afwachting van het onderzoek van de Raad en totdat nader op de verzoeken betreffende de omgangsregeling zal worden beslist. In voornoemd onderzoek dient de Raad de navolgende vragen te onderzoeken:
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders?
  • Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit de minderjarigen en welke vanuit de ouders?
  • Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van de minderjarigen vorm te worden gegeven?
  • Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?
  • Is omgang (anderszins) in strijd met de zwaarwegende belangen van het kind?
De overige inhoud van voornoemde beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
1.2.
Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het rapport van de Raad van 16 januari 2025, ingekomen op 20 januari 2025;
  • het verzoekschrift van de vrouw voor éénhoofdig gezag, ingekomen op 27 juni 2025.
1.3.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 8 oktober 2025. Partijen zijn bij deze gelegenheid gescheiden gehoord. Om 15.20 uur waren aanwezig:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat en een tolk Arabisch;
  • de advocaat van de man;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam]
Om 15.55 uur waren aanwezig:
  • de advocaat van de vrouw;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Arabisch;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam] .

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben zowel de Nederlandse nationaliteit als de Marokkaanse nationaliteit.
2.2.
De man zit sinds 6 april 2024 in voorlopige hechtenis op verdenking van het neersteken van de vrouw en verblijft in het [detentiecomplex] . De man is nog niet (onherroepelijk) veroordeeld. De strafzaak moet nog inhoudelijk worden behandeld door de rechtank.
2.3.
Voor de andere feiten verwijst de rechtbank naar haar beschikking van 22 mei 2024.

3.De nog (openstaande) verzoeken van de vrouw

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank, om bij beschikking, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat uitsluitend de vrouw zal worden belast met het gezag over [minderjarige 1]
en [minderjarige 2] , met een veroordeling van de man in de proceskosten;
- te bepalen dat de man het recht tot omgang met de kinderen voor onbepaalde tijd wordt ontzegd.
3.2.
Met betrekking tot haar verzoek om met het eenhoofdig gezag te worden belast stelt de vrouw als volgt. De vrouw is van mening dat het in het belang van de kinderen nodig is om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders ook na de echtscheiding gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De vrouw is van mening dat van haar in de huidige omstandigheden, waarbij zij door het steekincident een enorm trauma heeft en nog steeds zowel psychische als lichamelijke klachten ervaart, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij met de man overleg voert over in het kader van de uitoefening van het ouderlijk gezag te nemen beslissingen. ledere vorm van contact is gegeven het verleden niet in het belang van de kinderen en evenmin in dat van de vrouw. Daarnaast is contact ook (nagenoeg) onmogelijk vanwege de detentie en het strafrechtelijke contactverbod dat de man is opgelegd. Het is ook in het belang van de kinderen die door het steekincident ernstig zijn getraumatiseerd noodzakelijk dat het ouderlijk gezag over de kinderen nu alleen door de vrouw wordt uitgeoefend. Er is sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de man en de vrouw bij voortzetting van gezamenlijk gezag. Ook is niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen.
3.3.
De man heeft zich voor wat betreft het verzoek van de vrouw om alleen met het belast te worden gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verhoudingen zijn ernstig verstoord en de man begrijpt dat van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij contact met hem opneemt.
3.4.
Inzake het verzoek tot het ontzeggen van de omgang van de man met de kinderen stelt de vrouw dat zij op 6 april 2024 officieel zeventien keer door de man gestoken is. De kinderen hebben alles gezien en zaten ook onder het bloed. Zij zijn getraumatiseerd. Ze voelen zich een stuk veiliger omdat de man vastzit en tegelijkertijd maken
ze zich zorgen over wanneer hun vader weer vrijkomt. Ook de vrouw is bang voor het moment dat de man vrijkomt. Zij weet zeker dat de man dan haar en de kinderen zal opzoeken en eerst haar en daarna de kinderen zal doden. Nu, na anderhalf jaar, gaat het iets beter met de vrouw en de kinderen. De kinderen staan onder behandeling van een (trauma)psycholoog. De vrouw kan zich vinden in het rapport en advies van de Raad. De ontzegging zou in feite voor onbepaalde duur moeten gelden. Echter de Hoge Raad stelt dat de omgang in principe voor een jaar kan worden ontzegd dan wel voor in ieder geval een bepaalde duur. De vrouw legt zich hierbij neer.
3.5.
Ten aanzien van de ontzegging van de omgang heeft de man het volgende aangevoerd. De man heeft zijn kinderen nu zeventien maanden niet gezien. De man mist zijn kinderen en wil hen zien. Hij wil niet dat zijn recht op omgang hem wordt afgenomen, want hij heeft niets meer in zijn leven, alleen zijn kinderen. De man denkt dat het voor de traumaverwerking van de kinderen juist goed is als er weer contact tussen hen is. Hij is bereid om alle handvatten te accepteren om toch contact met zijn kinderen te hebben. De man vindt het niet terecht dat hij als boosdoener neergezet wordt en verantwoordelijk wordt gehouden voor alles wat er voorgevallen is. De man probeert zijn daden niet goed te praten, maar vindt dat de vrouw hem geprovoceerd heeft. De vrouw vertelt leugens. Iedereen is hier slachtoffer, maar de kinderen zijn het grootste slachtoffer.

4.Het advies van de Raad

Ten aanzien van het gezag
4.1.
De Raad adviseert de rechtbank te beslissen conform het verzoek van de vrouw. In de gegeven situatie kan van haar niet verwacht worden dat zij contact opneemt met de man.
Ten aanzien van de omgang
4.2.
De Raad adviseert niet anders dan het advies in het raadsrapport van januari 2025. Er is niks veranderd ten opzichte van toen; derhalve adviseert de Raad, zoals ook in het rapport onderbouwd, om de man de uitoefening van het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar te ontzeggen, omdat contact ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. Op dit moment is het belang van het welzijn van de kinderen belangrijker dan het opbouwen van een band met hun vader. De man zit vast op verdenking van het neersteken de vrouw waarvan de kinderen getuige zijn geweest. Om rust en stabiliteit te waarborgen, adviseert de Raad voorlopig geen contact tussen de kinderen en hun vader, ook niet onder begeleiding. De focus moet liggen op een veilige omgeving voor de kinderen en op het herstel van de vrouw. Voor hen is traumabehandeling nodig. Volgens de hulpverleners is contactherstel alleen mogelijk als de man de verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en actief investeert in het vertrouwen van zijn kinderen. De man vindt zichzelf echter slachtoffer en geen dader. Hij heeft hiermee tot nog toe onvoldoende oog gehad voor de impact van het steekincident op de kinderen.
Als contact op enig moment later mogelijk blijkt, moet dit onder professionele begeleiding opgebouwd worden. Daarnaast moet de vrouw voldoende draagkracht hebben om een eventueel contact tussen de man en de kinderen te kunnen ondersteunen/emotioneel toestemming te kunnen geven. De Raad hanteert vanwege de uitspraak van de Hoge Raad om de omgang met een jaar te ontzeggen. Dat wil niet zeggen dat na ommekomst van dit jaar er wel omgang zal kunnen plaatsvinden.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot het vaststellen van het verzoek tot éénhoofdig gezag en het ontzeggen van de omgang.
Beoordeling inzake het gezag
Wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, BW kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Op grond van artikel 1:251a, eerste lid BW, kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Beoordeling
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende vast komen te staan dat met het steekincident op 6 april 2024 en de daarop volgende detentie van de man sprake is van gewijzigde omstandigheden zoals bedoeld in de wet en ook dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren raken tussen de ouders dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
5.4.
Net als voor zowel de man als de vrouw staat voor de rechtbank vast dat de man de vrouw ernstig letsel toegebracht heeft middels het meermaals met een mes steken van de vrouw. De kinderen waren bij dit ernstige steekincident aanwezig en zijn hierdoor ernstig getraumatiseerd. De vrouw is bang voor de man en wil niets meer met hem te maken hebben. Met de Raad is de rechtbank het eens dat gelet op deze ernstige feiten van de vrouw niet gevraagd kan worden om contact met de man te zoeken, ook niet als het gaat om gezagsbeslissingen betreffende hun kinderen. De kinderen zouden daarmee klem en verloren raken indien het gezamenlijk gezag langer voortduurt. Ook acht de rechtbank het, gezien het eigen trauma van de kinderen in hun belang noodzakelijk dat de vrouw alleen met het gezag wordt belast. Het verzoek van de vrouw zal dus worden toegewezen.
Proceskosten
5.5.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Beoordeling inzake het ontzeggen van de omgang
Wettelijk kader
5.6.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel iedere ouder recht heeft op omgang met zijn/haar kinderen. Dat is het uitgangspunt van de wet. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het recht op omgang worden ontzegd. In artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat het recht op omgang slechts wordt ontzegd, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Beoordeling
5.7.
In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat zich een dergelijke uitzonderlijke situatie voordoet. Gelet op de stukken, voornoemd advies van de Raad en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling acht de rechtbank de hiervoor onder a,b en d genoemde situaties aan de orde.
5.8.
Vaststaat dat de moeder van de kinderen door hun vader meermaals gestoken is en dat kinderen bij het steekincident aanwezig zijn geweest. Zij zijn hierdoor getraumatiseerd en dat trauma moet verwerkt worden. In tegenstelling tot de man volgt de rechtbank het Raadsadvies dat het trauma niet verwerkt kan worden als de kinderen gedurende het verwerkingsproces contact moeten hebben met hun vader terwijl zij dit ook zelf niet willen. De rechtbank zal derhalve de man de omgang met zijn kinderen, zoals de Raad adviseert, voor de duur van een jaar ontzeggen.

6.De beslissing

De rechtbank:
In de zaak met zaak- en rekstnummer: C/13/771743 / FA RK 25/4923
6.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en belast de vrouw voortaan met de uitoefening van het gezag over de minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] ,
  • [minderjarige 2] ,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
6.2.
draagt de griffier op aantekening van deze gezagsbeslissing te laten opnemen in het gezagsregister;
6.3.
compenseert proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure dragen;
In de zaak met zaak- en rekstnummer: C/13/741346 / FA RK 23-7119
6.4.
ontzegt de man de omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
In beide zaken- en rekestnummers C/13/741346 / FA RK 23-7119 en C/13/771743 / FA RK 25/4923:
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025 door mr. A. van Luijck, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Nauta en op schrift gesteld op 16 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.