ECLI:NL:RBAMS:2025:8810

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
11792639 EA VERZ 25-775
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer bij de NPO wegens verstoorde arbeidsverhouding en verwijtbaar handelen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 7 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en een werknemer, aangeduid als [verweerster]. De NPO verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van een verstoorde arbeidsverhouding en verwijtbaar handelen van de werknemer. De werknemer had zich ziekgemeld en er was een arbeidsconflict ontstaan, waarbij de NPO stelde dat de werknemer zich negatief had uitgelaten over collega's en niet constructief had meegewerkt aan een mediationtraject. De werknemer verweerde zich tegen het verzoek en stelde dat er geen verstoorde arbeidsverhouding was en dat de NPO niet had geprobeerd haar te herplaatsen in een andere functie.

De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, mede door de communicatie van de NPO richting de werknemer, die niet transparant was over de zorgen van collega's. De rechter concludeerde dat de werknemer niet meer kon terugkeren in het genreteam en dat herplaatsing binnen de NPO niet mogelijk was. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 januari 2026, en de werknemer kreeg recht op een transitievergoeding van € 11.004,63 bruto. Het verzoek om een billijke vergoeding werd afgewezen, omdat de kantonrechter oordeelde dat het handelen van de NPO niet als ernstig verwijtbaar kon worden gekwalificeerd.

De uitspraak benadrukt het belang van transparante communicatie en het bieden van ondersteuning aan werknemers in conflict situaties, evenals de noodzaak voor werkgevers om zorgvuldig om te gaan met de zorgen van werknemers en de gevolgen daarvan voor de arbeidsrelatie.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11792639 \ EA VERZ 25-775
Beschikking van 7 november 2025
in de zaak van
STICHTING NEDERLANDSE PUBLIEKE OMROEP,
te Hilversum,
verzoekende partij,
hierna te noemen: NPO,
gemachtigde: mr. K.J. Hillebrandt,
tegen
[verweerster],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. S. Le Noble.

1.De procedure

1.1.
NPO heeft op 15 juli 2025 een verzoekschrift met producties ingediend. [verweerster] heeft een verweerschrift met producties ingediend en daarbij (voorwaardelijke) tegenverzoeken gedaan.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2025. Namens NPO zijn verschenen [naam 1] (directeur Video, hierna: [naam 1] ), [naam 2] (HR Business Partner, hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (arbeidsrechtjurist, hierna: [naam 3] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen bijgestaan door de gemachtigde. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft NPO een aanvullende producties ingediend. Ter zitting heeft de kantonrechter bepaald dat producties 48 en 49 van het verweerschrift buiten beschouwing worden gelaten omdat deze producties te laat zijn ingediend en daarbij productie 48 een anonieme verklaring betreft. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verweerster] , geboren [geboortedatum] 1974, is sinds 10 maart 2022 in dienst bij NPO in de functie van Genrecoördinator bij de afdeling Genreteam Journalistiek en Sport. Het huidige salaris bedraagt € 7.600,39 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en 6% eindejaarsuitkering.
2.2.
[verweerster] is in haar functie als Genrecoördinator onder meer belast met de beoordeling van journalistieke programmavoorstellen en de programmastrategie van die voorstellen voor de lineaire platformen NPO 1, 2 en 3 en de streamingsdienst NPO Start. In haar functie rapporteerde [verweerster] aan de Genremanager, destijds [naam 4] (hierna: [naam 4] ). De Genreafdeling wordt aangestuurd door de directeur Video, [naam 1] .
2.3.
[verweerster] is sinds 1 maart 2023 lid van de Ondernemingsraad (hierna: OR). Daarnaast heeft [verweerster] , naast de werkzaamheden behorend tot haar eigen functie, gewerkt aan het project Gedeelde Verantwoordelijkheid.
2.4.
In de periode van november 2023 tot en met september 2024 heeft [verweerster] verschillende aanvaringen gehad met [naam 4] .
2.5.
Begin 2024 hebben de Raad van Bestuur en de directie van NPO toestemming gegeven om de samenvoeging van het Genreteam Journalistiek bij de directie Video en het Zenderteam van NPO Radio 1 bij de directie Audio verder te gaan onderzoeken.
2.6.
Bij e-mail van 15 februari 2024 heeft [verweerster] onder meer het volgende aan [naam 1] en de directeur Audio, [naam 5] , geschreven:
“(…) Heel graag zou ik met jullie het gesprek aangaan over wat mijn rol in de organisatie in de nabije, altijd in beweging zijnde toekomst zou kunnen zijn. Dat klinkt wellicht voorbarig omdat we met het geïntegreerde genreteam een traject in zullen gaan om te bepalen hoe het organogram eruit zou moeten zien en om samen de functieprofielen van de verschillende fte’s in dat team te bepalen. Voor mij is het echter belangrijk er nu al mee aan de slag te gaan omdat ik mijn rol op dit moment al vind knellen. De rol van genrecoördinator onder genremanager [naam 4] (toevoeging ktr.: [naam 4] ) is een heel fijne omdat hij veel vertrouwen in mij stelt – zowel inhoudelijk als organisatorisch – en mij daarom veel verantwoordelijkheid geeft. (…)
De organisatie en administratie van het genreteam is de belangrijkste van mijn taken, maar dat doe ik met – met alle respect! – twee vingers in de neus. Wat voor mij het werk leuk maakt is nadenken en spreken over en het samen uitzetten van de strategische koers van het genre journalistiek. (…)”
2.7.
Op 3 september 2024 hebben [verweerster] en [naam 1] een gesprek gehad over het functieprofiel van haar functie Genrecoördinator Journalistiek en Sport. In dit gesprek heeft [verweerster] aangekaart dat zij haar functieprofiel en het functieprofiel van de Genrecoördinator Online niet gelijkwaardig vond.
2.8.
Bij e-mail van 4 september 2025 heeft [verweerster] aan [naam 1] , [naam 4] en de toenmalige bestuursvoorzitter van de NPO, [naam 6] , onder meer het volgende geschreven:
“(…) Bij jullie alle drie heb ik gisteren aangegeven dat het gisteren aan mij gepresenteerde organogram niet overeenkomst met de invulling van mijn huidige functie en ook geen recht doet aan mijn bijdrage in de afgelopen jaren, het perspectief dat mij eerder is geboden en al helemaal geen ruimte biedt aan mijn huidige en toekomstige ambities.
Net als jullie wil ik daar heel graag een oplossing voor vinden. En ik denk dat ik die gevonden heb.
Eerder heb ik met [naam 4] gesproken over de mogelijkheid van de functie adjunct-genremanager. Iemand die de genremanager kan vervangen bij afwezigheid en iemand die op journalistiek inhoudelijk gebied een volwaardige sparringpartner is van de genremanager en de hoofdredacteuren bij de omroepen. Die rol vervul ik stiekem al die rol past mij. (…)
De afgelopen jaren is mij meerdere keren – ook vanuit het RvB – gevraagd mijn licht te laten schijnen over kwesties met ON, werkzekerheid van makers, sociale veiligheid, diversiteit en talentontwikkeling. Daar maak ik graag tijd voor, maar die moet er dan wel zijn. Ik hecht aan de functietitel adjunct-genremanager omdat er soms (tijdelijk) mandaat moet kunnen worden verlegt, ik al een tijdje de rol van de coördinator ontgroeit ben en er op deze manier ruimte komt voor een nieuwe coördinator die binnen de Directie Video de rol en het mandaat krijgt dat andere coördinatoren ook hebben er binnen het coördinatorencorps en -overleg geen verschillende rangen ontstaan. (…)”
2.9.
Op 9 september 2024 heeft [verweerster] zich ziekgemeld.
2.10.
Op 10 september 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en [naam 1] , waarbij ook [naam 2] aanwezig. Tijdens dit gesprek heeft [naam 1] [verweerster] laten weten dat de functie adjunct genremanager niet gerealiseerd kon worden. Daarnaast heeft zij [verweerster] het aangepaste functieprofiel laten zien.
2.11.
Op 12 september 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , [naam 1] en [naam 4] , in het bijzijn van [naam 2] , welk gesprek in een e-mail van 13 september 2024 door [verweerster] is samengevat:
“(…) Even een samenvatting van wat we gisteren besproken hebben, zodat ik weet wat er volgende week van mij verwacht wordt.
We hebben samen gekeken naar het organogram en de functieprofielen van het Integraal Genreteam Journalistiek en kunnen ons hier allemaal in vinden.
Het functieprofiel van de Genrecoördinator Journalistiek Video/VOD is ongewijzigd en gelijkwaardig aan het functieprofiel van de Genrecoördinator Journalistiek 360.
Omdat [naam 4] aangeeft mij heel hard nodig te hebben inzake lineaire televisie met het oog op wat er allemaal op ons afkomt de komende periode is het zijn verzoek dat ik me committeer aan sec die opdracht. (…)”
2.12.
Diezelfde dag heeft [naam 1] bij e-mail onder meer het volgende aan [verweerster] geschreven:
“(…) Ik herken de samenvatting die je ons vandaag hebt gemaild. Ik ben blij dat je nu ook terugleest dat de functies van beide coördinatoren gelijkwaardig zijn, zoals het ook bedoeld is. (…) [naam 4] heeft aangegeven dat de focus ligt op Lineair en alle strategische vraagstukken die daaruit voortvloeien. Vooralsnog verwacht hij niet dat los hiervan er grote strategische projecten opgepakt kunnen worden, maar dat de vraagstukken die uit de programmering volgen door jou worden opgepakt. Dat is een belangrijk en verantwoordelijke taak.
Jij hebt uitgesproken behoefte te hebben aan het oppakken van strategische projecten. [naam 4] kan deze projecten niet garanderen. (…)
Aan het einde van het gesprek hebben we de volgende afspraken gemaakt:
- We plannen komende week een nieuwe afspraak in;
- Tijdens dat gesprek horen we graag of de functie, zoals deze is geschetst, je nog past.
(…)
Indien je ervoor kiest deze functie voort te zetten, dan verwachten we het volgende:
- je gaat constructief en positief samenwerken met je team (geen negatieve uitingen);
- de functie is vanaf 1 januari inclusief de mediamodule;
- er zijn vanuit jou geen verwachtingen op het gebied van strategische projecten;
- belangrijkste en grootste prioriteit binnen jouw functie is de dagelijkse programmering;
- je voornaamste taak is bila’s / communicatie met omroepen > en wat daaruit voortkomt;
- je accepteert dat we je ambitie om adjunct genremanager te worden niet kunnen waarmaken. (…)”
2.13.
[verweerster] daarop onder meer als volgt gereageerd:
“(…) Ik ben en blijf bereid, beschikbaar en gemotiveerd om ook na 1 januari alle taken uit te voeren die in mijn functieprofiel beschreven staan. Ik voel mij dan ook niet verplicht om afspraken te maken zoals jullie mij in onderstaande mail voorleggen. Ik heb wel kennisgenomen van de door jullie geformuleerde wensen, en voor zover die passend zijn bij het functieprofiel, zal ik daar uiteraard aan voldoen.
Op dit moment ben ik nog niet in staat werkzaamheden te verrichten door ziekte en daardoor ook niet in staat om aanwezig te zijn bij het door jullie geplande gesprek. (…)”
2.14.
Op 10 oktober 2024 heeft [verweerster] een afspraak gehad met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er een arbeidsconflict is en dat de klachten zullen verminderen en werkhervatting kan plaatsvinden als het arbeidsconflict is opgelost. De bedrijfsarts heeft mediation geadviseerd.
2.15.
Nadat partijen, na correspondentie tussen de toenmalig gemachtigde van [verweerster] en de arbeidsrechtjurist [naam 3] , overeenstemming hadden bereikt over de keuze van een mediator, is tussen [verweerster] en [naam 4] de mediaton opgestart.
2.16.
[verweerster] en [naam 1] hebben in december 2024 gecorrespondeerd over het bijwonen door [verweerster] van evenementen van NPO. [naam 1] gaf aan dat [verweerster] welkom was op deze evenementen, maar liet ook weten dat haar aanwezigheid mogelijk op onbegrip van collega’s zou stuiten omdat zij op dat moment alle gaten dichtliepen.
2.17.
Bij e-mail van 29 november 2024 heeft de toenmalig gemachtigde van [verweerster] onder meer het volgende aan [naam 3] geschreven:
“(…) Zoals je bekend is cliënte lid van de OR en thans – ook gedurende arbeidsongeschiktheid – doende met een project voor de RvB de NPO ter zake de bevordering van de sociale veiligheid binnen de NPO. Een en ander maakt dat cliënte in hoge mate beschermd is tegen ontslag. Niet alleen vanwege haar OR-lidmaatschap, tevens werkzaam voor genoemd project, maar eveneens vanwege intimidatiegedrag door [naam 4] , en nu ook door de directeur Video van NPO. In onderstaand email bericht suggereert de directeur Video immers dat cliënte ‘de kantjes er van af zou lopen’ en collega’s de gaten voor haar ten onrechte zouden moeten opvullen. (…)”
2.18.
Op 16 januari 2025 heeft [naam 4] zich teruggetrokken uit het mediationtraject.
2.19.
Bij e-mail van 28 januari 2025 heeft [naam 2] aan [verweerster] onder meer het volgende geschreven:
“(…) Nu het mediationtraject is geëindigd en [naam 4] vooruitlopend op zijn pensionering in maart met vakantie gaat, is 1 maart a.s. het juiste moment om je werkzaamheden bij het Genreteam Journalistiek te hervatten. Teneinde een goede start te maken in je functie nodigen we je uit voor een gesprek in de loop van februari met [naam 1] (aanvulling ktr.: [naam 1] ) en mij. (…)”
2.20.
Uit het advies van de bedrijfsarts van 24 februari 2025 volgt onder meer:
“(…) In mijn optiek is betrokkene nu belastbaar om ongeveer 30 uur per week te kunnen werken zonder taakinhoudelijke beperkingen. Hoe de re-integratie in praktische zin wordt ingevuld moeten betrokkene en werkgever met elkaar bespreken. Naar ik begrijp was er een mediationtraject ingezet maar heeft de leidinggevende van betrokkene zich hieruit teruggetrokken. Ik heb nu geen aanvullend adviezen anders dan met elkaar in gesprek te gaan over hoe nu verder. (…)”
2.21.
Op 25 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , [naam 1] en [naam 2] over de terugkeer in het Genreteam. Tijdens dit gesprek hebben [naam 1] en [naam 2] aan [verweerster] meegedeeld dat een terugkeer per 1 maart 2025 nog niet mogelijk was.
2.22.
Bij e-mail van 1 maart 2025 heeft [naam 2] onder meer het volgende aan [verweerster] geschreven:
“(…) We betreuren het enorm dat het gesprek niet was wat je gehoopt had, aangezien wij het hebben ervaren als een goede eerste stap richting terugkeer in het Genreteam Journalistiek.
In het gesprek hebben we uitgelegd dat we je graag terug willen brengen in het team maar dat er twee zaken zijn die dit per 1 maart moeilijk maken:
de nieuw verantwoordelijk manager start per 1 april, in maart heeft het team de taken onderling verdeeld en is de huidige manager met verlof;
het team heeft aangegeven reserves en zorgen te hebben over je terugkeer.
We vinden het dan ook jammer dat je aangeeft dat het onduidelijk is waar je staat en je aangeeft dat ons gesprek als een dreun is aangekomen.
(…)
Tijdens het gesprek liet je je wel erg onaardig en negatief uit over de kwaliteiten en talenten van je teamleden. Daar zijn wij van geschrokken. In verband hiermee hebben we besproken dat we het belangrijk vinden dat je ook nadenkt over wat je zelf beter kan doen, want van iedereen, ook van jou, verwachten wij zelfreflectie. Daar willen we je bij ondersteunen met coaching en hier willen we graag in het volgende gesprek over verder praten. (…)”
2.23.
Diezelfde dag heeft [verweerster] per e-mail onder meer als volgt gereageerd:
“(…) Zoals ik tijdens het gesprek al aangaf toen jullie het beweerden en nu weer via de mail stellen: ik heb me niet negatief uitgelaten over de kwaliteiten en talenten van collega’s. Ik weet niet waarom jullie dit maar blijven herhalen. (…) Ik heb nooit problemen gehad met collega’s. Ik spreek de meesten ook nog steeds. Open en eerlijk. Als zij zorgen hebben over mijn terugkeer, bespreek ik dat graag met hen. In alle openheid. Alleen als ik weet wat die zorgen zijn, kan ik daar gericht aan werken. Ik vind het erg kwalijk dat jullie een wig proberen te creëren tussen mij en mijn collega’s. (…)
Ik kan op allebei de door jullie aangegeven data en tijden, maar omdat er steeds ruis op de lijn komt over wat er gezegd is, neem ik bij een volgend gesprek graag iemand mee. Het gesprek opnemen is ook een optie. (…)”
2.24.
Bij e-mail van 5 maart 2025 heeft [naam 2] onder meer het volgende aan [verweerster] geschreven:
“(…) Wij concluderen, dat al onze inspanningen ten spijt er helaas geen sprake is van een begin van vertrouwen van jou in onze oprechte inzet je terug te brengen in het team. Inhoudelijk heb je altijd goed zelfs uitstekend gefunctioneerd, maar het ontbreekt je aan zelfreflectie en je bent veel te kritisch jegens anderen.
Mede vanwege je inhoudelijke kwalitatieve goede inbreng zijn wij gedurende het hele traject dat achter ons ligt uitsluitend gericht geweest op een herstel van de relatie. Inmiddels vragen we ons af of dat ook jouw inzet is, want je opstelling ervaren we als zijnde op ramkoers. Het meenemen van een derde of opnemen van ons komende gesprek reflecteert wantrouwen en zo lang daar sprake van is ontbreekt er een basis om met elkaar verder te kunnen. In plaats daarvan nodige we je uit voor een hervatting van de mediation met [naam 1] en mij o.l.v. [naam 7] . De sessie zal gericht zijn op de vraag of we samen in staat zijn onze relatie te herstellen en vertrouwen te herwinnen.
Tot slot benadruk ik dat onze inzet nog steeds gericht is op een voortzetting van je dienstverband en het daarbij helpt als we dit proces vertrouwelijk behandelen. (…)”
2.25.
Bij e-mail van 6 maart 2025 heeft [verweerster] onder meer het volgende aan [naam 2] en [naam 1] geschreven:
“(…) De bedrijfsarts heeft na ons laatste consult aangegeven dat mijn belastbaarheid terug is op 30 uur per week en adviseert ons direct samen aan de slag te gaan met de reïntegratie. In het hele traject van gesprekken met jullie, de bedrijfsarts en in de mediation met [naam 4] , is terugkeer in mijn huidige functie de inzet geweest en dat is het voor mij nog steeds. Een gesprek met mijn teamgenoten en mijn nieuwe leidinggevende lijkt me daarom de meest logische eerste stap.
(…)
Ondertussen wil ik ook graag aan de slag met de coaching die jullie mij hebben aangeboden. (…)
Daarnaast sta ik zeker open voor mediation met jou, [naam 1] . (…) Voor het terugkeren en goed functioneren in mijn functie is onze persoonlijke relatie misschien niet de eerste prioriteit. Een mediationtraject kost veel tijd en die vertraging is voor het toch al zwaarder belaste genreteam niet wenselijk. (…)”
2.26.
Bij e-mail van 10 maart 2025 heeft [naam 2] onder meer het volgende aan [verweerster] geschreven:
“(…) We vinden het dan ook niet verstandig het starten van je werkzaamheden binnen het Genreteam Journalistiek te overhaasten. Het is van belang dat we met elkaar kunnen spreken zonder dat het escaleert en er vertrouwen is over en weer voordat we starten met re-integratie in het Genreteam. Vandaar dat wij het mediationtraject te hervatten. (…)”
2.27.
Diezelfde dag heeft [verweerster] onder meer het volgende aan [naam 2] en [naam 1] geschreven:
“(…) Vandaag nam [naam 7] contact op ivm het plannen van mediation-afspraken. Dat is nu niet aan de orde. Ik verwijs jullie naar mijn eerdere mail over te nemen stappen richting mijn terugkeer in het genreteam Journalistiek. Belangrijk is dat er nu – zoals aangegeven door de bedrijfsarts – een plan van aanpak voor mijn reïntegratie wordt opgesteld. Opdat zowel de nieuwe genremanager als ik samen met de rest van het team een frisse start maken, is dat nu eerste prioriteit. (…)”
2.28.
Bij e-mail van 11 maart 2025 heeft [naam 2] onder meer het volgende aan [verweerster] geschreven:
“(…) Jij laat in je reactie op ons bericht van gisteren weten dat mediation nu niet aan de orde is. Voor ons is dit echter voorwaarde voordat je je functie kan oppakken. Het mediationtraject is in gang gezet op basis van een advies van de bedrijfsarts. (…)”
2.29.
Bij e-mail van 14 maart 2025 heeft [verweerster] aan [naam 2] en [naam 1] laten weten dat zij niet heeft ingestemd met een nieuwe mediation.
2.30.
Op 25 maart 2025 heeft [verweerster] een afspraak bij de bedrijfsarts gehad. In het advies van de bedrijfsarts van 26 maart 2025 staat onder meer het volgende:
“(…) Er zijn inmiddels nagenoeg geen medische problemen meer, maar betrokkene geeft aan dat ze vooralsnog niet mag terugkeren in haar oorspronkelijke functie. Ze vertelt dat het haar ondanks meerdere gesprekken niet duidelijk is waar de belemmering in zit. Ik raad dringend aan om wederzijdse duidelijkheid te scheppen over de vermeende knelpunten die terugkeer in de eigen functie verhinderen. Aanhoudende onduidelijkheid hierover is schadelijk.
Omdat er nu geen medische knelpunten meer zijn zie ik geen rol meer voor mijzelf. Ik heb daarom geen vervolgconsult gepland en dit ook zo aan de betrokkene uitgelegd. (…)”
2.31.
Bij brief van 27 maart 2025 heeft [naam 2] aan [verweerster] nogmaals verzocht om in te stemmen met het hervatten van de mediationprocedure en indien mediation voor [verweerster] geen optie is, om deze patstelling te bespreken in een gesprek waarbij [verweerster] ook iemand kan meenemen.
2.32.
Bij brief van 31 maart 2025 heeft de toenmalig gemachtigde van [verweerster] gereageerd dat [verweerster] niet akkoord gaat met mediation als voorwaarde voor een terugkeer in haar functie.
2.33.
Bij brief van 10 april 2025 heeft de gemachtigde van NPO aan de toenmalig gemachtigde van [verweerster] meegedeeld dat NPO heeft geconstateerd dat [verweerster] zich opnieuw op negatieve wijze over NPO heeft uitgelaten. In diezelfde brief is [verweerster] dringend verzocht zich tegenover derden niet over het conflict uit te laten.
2.34.
Op 16 april 2025 heeft [verweerster] een e-mail aan haar collega’s van het Genreteam gestuurd waarin zij haar visie op het arbeidsconflict en de situatie waarin zij zich bevond heeft gedeeld. In de e-mail staat onder meer het volgende:
“(…) [naam 4] wilde mij in het nieuwe team aanvankelijk beperken tot de lineaire titels, de MediaModule en de bila’s. Maar NPO Start en een strategische component aan het coördineren van de beste content voor die kanalen heeft ook altijd bij mijn functie gehoord. Hij was bang dat hij alleen voor de bila’s met de omroepen zou komen te staan en dat de organisatie van het team een zootje zou worden als ik mijn taken zo breed zou blijven oppakken. Dat ik voor een project inzake sociale veiligheid en werkzekerheid voor makers onder de RvB aan de slag ging en dat ik dat werk in de eerste maanden bovenop mijn reguliere werk moest doen omdat er nog geen vervanging was geregeld, vond hij slecht voor het team en irriteerde hem. Dat snap ik ook. Gelukkig waren we er in de mediation heel snel uit. Hij brak de mediation echter na het eerste gesprek af omdat hij zich niet gesteund voelde door de RvB en de Directie. Daar baalde ik enorm van. Want ik wilde gewoon weer aan de slag, ook met hem. (…)”
2.35.
In april 2025 heeft [verweerster] een gesprek gehad met de nieuwe bestuursvoorzitter, [naam 8] naar aanleiding van zijn oproep binnen de organisatie om op zijn spreekuur te komen. [verweerster] heeft zich voor dit gesprek aangemeld met de wens om in gesprek te gaan met hem, in zijn rol als nieuwe leidinggevende van [naam 1] , aangezien zij in haar samenwerking met [naam 1] vastliep.
2.36.
Bij WhatsApp bericht van 15 mei 2025 heeft [verweerster] onder meer het volgende aan de nieuwe Genremanager, [naam 9] , geschreven:
“(…) Hi [naam 9] , het zou heel fijn zijn als jij je er toch even mee zou bemoeien. Het is tenslotte jouw team. Jij bent mijn leidinggevende. En ook HR-verantwoordelijk in deze. Ik heb mijn werk voor het genreteam altijd goed gedaan, dat weet ook [naam 1] . Als ik er nog bij was geweest, was het team niet financieel in de problemen gekomen, dat durf ik te stellen. [naam 1] zegt het met me op te lossen, maar ze doet het niet. Ik heb haar sinds februari al niet meer gesproken. Zij wil alleen maar mediation onder geheimhouding (voor iedereen die daarin meeging, werd het tot nu toe einde oefening) en geen transparant gesprek, daarom zitten we nu wederom/nog steeds in een slepende impasse. Laten we die alsjeblieft doorbreken door gewoon met elkaar in gesprek te gaan. Ook met [naam 1] . Zodat we weer aan de slag kunnen.
(…)
Jij kan ook zeggen dat jij het oplost. Het is tenslotte jouw team.
(…)
En met [naam 1] komt het ook wel goed. Als ze ooit weer met me in gesprek gaat. Zij vindt mijn onafhankelijkheid doodeng. Ook gezien mijn rol in de OR en mijn contacten in de media. Maar ik dien deze organisatie en zal nooit iets doen dat tegen haar belangen ingaat. Ik ben niet eng, ik ben zeer collegiaal en geen onruststoker. (…)”
2.37.
Bij e-mail van 19 mei 2025 heeft de gemachtigde van NPO onder meer het volgende aan de toenmalig gemachtigde van [verweerster] geschreven:
“(…) Intussen blijft uw cliënte derden in het conflict betrekken en tegenover derden negatieve en onjuiste uitlatingen doen over de situatie en over onder meer mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] . De handelwijze van uw cliënte veroorzaakt onrust in de organisatie en is beschadigend voor de NPO en voor mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] . (…) Uw cliënte is hierop meermalen aangesproken en dringend verzocht hiermee te stoppen, zowel rechtstreeks door mijn cliënte als in mijn correspondentie met u (zie onder meer mijn brief van 10 april jl. alsmede mijn e-mailberichten van 18 april jl. en 7 mei jl.). Desondanks blijft uw cliënte met haar gedrag doorgaan.
(…)
Omdat uw cliënte ondanks de dringende verzoeken van cliënte onjuiste en negatieve uitlatingen blijft doen jegens derden, waarmee uw cliënte onder meer de NPO, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] beschadigt, alsmede waarmee uw cliënte de betreffende derden in een moeilijke positie brengt, ziet cliënte geen andere mogelijkheid dan uw cliënte voorlopig van werkzaamheden vrij te stellen. Uw cliënte dient haar werkzaamheden met onmiddellijke ingang neer te leggen. Voorts is het uw cliënte tot nader order niet toegestaan zich zonder toestemming van cliënte in de panden van cliënte te begeven en dient uw cliënte zich te onthouden van zakelijke contacten met collega’s en geen uitlatingen te doen jegens derden over het arbeidsconflict.
Cliënte acht het voor alle betrokkenen van belang dat de situatie zo spoedig mogelijk wordt opgelost. Cliënte heeft meermalen aangedrongen op mediation, maar uw cliënte heeft zich niet bereid getoond om hieraan mee te werken. Cliënte nodigt uw cliënte daarom uit voor een gesprek met mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] om de ontstane situatie te bespreken en hiervoor een oplossing te zoeken. (…)”
2.38.
Op 4 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] , [naam 2] , de gemachtigde van NPO, [verweerster] en haar toenmalig gemachtigde.
2.39.
Bij brief van 19 juni 2025 heeft de gemachtigde van NPO aan de toenmalig gemachtigde van [verweerster] meegedeeld dat NPO geen andere mogelijkheid meer ziet dan te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
NPO verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding dan wel verwijtbaar handelen dan wel de cumulatiegrond.
3.2.
NPO let aan het verzoek ten grondslag – kort weergegeven – dat zij door de handelswijze van [verweerster] geen vertrouwen meer in haar heeft. [verweerster] heeft onder meer ernstige, ongefundeerde beschuldigingen geuit aan het adres van NPO. Daarnaast heeft zij zaken herhaaldelijk op de spits gedreven en zich niet constructief en bereidwillig opgesteld om in overleg tot een oplossing te komen. [verweerster] heeft niet willen meewerken aan het (her)starten van mediation. Verder heeft [verweerster] derden in het conflict proberen te betrekken en zich tegenover derden op onjuiste en negatieve wijze uitgelaten over NPO en de betrokken personen, ondanks dringende verzoeken van NPO om hiermee te stoppen. Voorts acht de NPO het verwijtbaar dat [verweerster] de geheimhouding van de mediation tussen haar en [naam 4] heeft geschonden. Kleeft toont volgens NPO geen enkel inzicht in haar handelen en haar eigen aandeel in de ontstane situatie. Partijen staan op nagenoeg alle punten lijnrecht tegenover elkaar.
3.3.
[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerster] voert aan – samengevat – dat geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerster] heeft nooit problemen gehad met collega’s in haar team en evenmin met haar nieuwe leidinggevende. [verweerster] heeft alleen een conflict met [naam 1] en [naam 2] , maar met hen heeft [verweerster] in haar functie niet of weinig te maken. Daarnaast is geen sprake van verwijtbaar handelen door [verweerster] . [verweerster] heeft slechts pogingen gedaan om met de leidinggevenden van [naam 1] en [naam 2] en met haar eigen team en leidinggevende in gesprek te komen. Verder betwist [verweerster] dat herplaatsing bij NPO niet mogelijk zou zijn. NPO heeft zich in het geheel niet ingespannen om haar te herplaatsen in een passende functie.
3.4.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] de kantonrechter om te bepalen dat zij recht heeft op de wettelijke transitievergoeding en toekenning van een billijke vergoeding. NPO heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door zich tegen [verweerster] te keren toen zij ziek was geworden door de autoritaire houding van [naam 4] . De wijze waarop [naam 1] [verweerster] aan haar lot heeft overgelaten in haar relatie met [naam 4] is te kwalificeren als slecht werkgeverschap. Daarnaast heeft NPO niets gedaan aan het begeleiden van [verweerster] terug naar het team vanaf het pensioen van [naam 4] . Verder heeft NPO aan [verweerster] meegedeeld dat zij onveiligheid en onrust veroorzaakte zonder deze stelling ook maar enige substantie te geven.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Redelijke grond
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door NPO naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (verstoorde arbeidsverhouding). Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Gebleken is dat partijen op meerdere punten wezenlijk van inzicht verschillen. Duidelijk is dat partijen anders denken over de invulling die [verweerster] aan haar functie dient te geven, welke vrijheid zij daarin heeft en welke invloed haar leidinggevenden daar op hebben. Uit de stukken blijkt dat [verweerster] hogere ambities had dan de werkzaamheden die behoren bij de functie van Genrecoördinator Journalistiek. Daarnaast heeft zij herhaaldelijk aangegeven dat zij meer strategische taken wilde verrichten en haar voornamelijk administratieve werkzaamheden werden toebedeeld. Daarbij heeft [verweerster] erop gewezen dat collega’s binnen het genreteam wel de ruimte kregen om strategische projecten op te pakken. NPO heeft daarentegen aangevoerd dat de kern van de functie juist bestaat uit de operationele en administratieve taken, zoals het vastleggen en maken van afspraken over programmering. [verweerster] heeft in een eerder stadium ook bevestigd dat dit tot de hoofdtaken van haar functie behoort (zie 2.6). NPO heeft toegelicht dat, aangezien [verweerster] naast haar reguliere werkzaamheden ook actief was binnen de OR en het project Gedeelde Verantwoordelijkheid, het van belang was dat zij zich in de eerste plaats richtte op de kerntaken van haar functie, en dat strategische projecten alleen konden worden opgepakt wanneer daar ruimte voor was. Andere medewerkers van het genreteam konden dergelijke werkzaamheden wel uitvoeren naast hun hoofdtaken, omdat zij geen nevenactiviteiten hadden. Dat er vervanging zou komen voor de administratieve taken die [verweerster] uitvoerde, heeft NPO betwist en blijkt verder ook niet uit de stukken. Naar het oordeel van de kantonrechter had [verweerster] moeten inzien dat zij, gelet op de hiërarchische verhoudingen binnen de organisatie, niet het laatste woord had over de invulling van haar werkzaamheden.
4.5.
Na de ziekmelding van [verweerster] op 9 september 2024 heeft NPO de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd en is een mediationtraject gestart tussen [verweerster] en [naam 4] . Niet in geschil is dat tussen hen sprake was van een arbeidsconflict. Uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts volgt dat werkhervatting zou kunnen plaatsvinden zodra het arbeidsconflict is opgelost. Eind november 2024 heeft [verweerster] aan [naam 1] laten weten dat zij een gesprek met haar, eventueel in aanwezigheid van een mediator, ook erg op prijs zou stellen. [verweerster] heeft in december 2024, via haar toenmalige gemachtigde, melding gemaakt van intimiderend gedrag van zowel [naam 4] als [naam 1] . Dat hiervan daadwerkelijk sprake was, is niet gebleken. Integendeel, de toon tussen [naam 1] en [verweerster] was toen nog goed. Hieruit kan worden wel afgeleid dat de verhouding tussen [verweerster] en [naam 1] erop achteruit ging.
4.6.
Het gesprek op 25 februari 2025 tussen [verweerster] , [naam 1] en [naam 2] heeft de onderlinge verhoudingen verslechterd. Tijdens dit gesprek hebben [naam 1] en [naam 2] aan [verweerster] meegedeeld dat zij per 1 maart 2025 nog niet kon terugkeren in haar functie, onder meer omdat het genreteam “reserves en zorgen” had. Niet gebleken is dat NPO heeft toegelicht waar die reserves en zorgen op waren gebaseerd. Dat [verweerster] hierdoor geschrokken was, is begrijpelijk, juist omdat geen nadere toelichting is gegeven over de vermeende gedragingen van [verweerster] die tot deze zorgen zouden hebben geleid. Van NPO had mogen worden verwacht dat zij duidelijk en transparant had gecommuniceerd over de door het team geuite zorgen. Hoewel NPO heeft aangevoerd dat [verweerster] zich regelmatig negatief uitliet over haar collega’s uit het genreteam, heeft zij dit niet onderbouwd met concrete voorbeelden, terwijl [verweerster] dit uitdrukkelijk heeft betwist. Uit de e-mail van 1 maart 2025 blijkt dat [verweerster] van mening was dat [naam 1] en [naam 2] probeerden een wig te drijven tussen haar en haar team. Dat dit daadwerkelijk het doel van [naam 1] en [naam 2] was, is niet aannemelijk geworden, maar de
e-mail laat wel zien dat er sprake was van een gebrek aan vertrouwen van [verweerster] in [naam 1] en [naam 2] .
4.7.
Vervolgens is de relatie nog verder verstoord geraakt. Zo droeg het niet bij aan het herstel van de relatie dat het [verweerster] niet werd toegestaan om iemand mee te nemen naar het volgende gesprek, wat in de gegeven situatie een begrijpelijk verzoek was. Anderzijds blijkt uit de overgelegde e-mails dat de houding van [verweerster] ook niet bijdroeg aan het herstellen van de relatie door zelfstandig te bepalen welke stappen nodig waren voor haar terugkeer en het voorstel van NPO te blijven weigeren. Duidelijk is dat dit tot een patstelling heeft geleid. Verder heeft [verweerster] , ondanks waarschuwingen, contact gezocht met derden over het conflict, waarbij zij vertrouwelijke informatie heeft gedeeld en zich negatief heeft uitgelaten over onder meer [naam 1] (zie 2.38. en 2.41.).
4.8.
Gelet op de opstelling van partijen over en weer acht de kantonrechter een terugkeer van [verweerster] in het genreteam niet realistisch. Het wederzijds vertrouwen en een goede basis voor een verdere vruchtbare samenwerking ontbreekt. Dat NPO geen vertrouwen meer heeft in een verdere samenwerking met [verweerster] is gelet op het voorgaande te begrijpen. Ook is voldoende naar voren gekomen dat [verweerster] op haar beurt geen enkel vertrouwen meer heeft in [naam 1] en [naam 2] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] immers gesteld dat sprake zou zijn van een hetze van [naam 1] en [naam 2] tegen haar. [verweerster] heeft aangevoerd dat zij wel kan terugkeren in het genreteam omdat zij in haar functie nauwelijks te maken heeft met [naam 1] en [naam 2] , onder meer omdat [naam 1] niet meer de hoger leidinggevende van [verweerster] is. NPO heeft dit voldoende gemotiveerd weersproken en met stukken onderbouwd dat [naam 1] nog steeds de hoger leidinggevende van [verweerster] is. De kantonrechter ziet niet hoe [verweerster] en [naam 1] nog constructief samen kunnen werken aan een oplossing. Zelfs tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] verklaard dat zij slechts bereid is tot een mediationtraject met [naam 1] indien zij gelijktijdig kan terugkeren in haar functie. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom sprake van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die niet meer te herstellen valt.
Herplaatsing
4.9.
NPO heeft voldoende aangevoerd om te concluderen dat herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt. Daarbij is het volgende van belang.
4.10.
NPO heeft ter zitting verklaard dat er geen passende functies beschikbaar zijn die aansluiten bij de ervaring, opleiding en competenties van [verweerster] , waarin zij niet onder het gezag van [naam 1] zou vallen. NPO heeft toegelicht dat de afdelingen binnen NPO heel verschillend zijn, met veel technische afdelingen waarbinnen medewerkers met een andere achtergrond en opleiding werken. [verweerster] heeft dit niet weersproken, maar aangevoerd dat zij voldoende ervaring heeft waarmee ze zich nuttig kan maken en dat haar ook meerdere keren is gevraagd de manager diversiteit en inclusie te vervangen. Niet gebleken is dat er een vacature open staat voor deze functie. Verder heeft [verweerster] geen concrete functie of afdeling genoemd waar zij met haar ervaring en kennis wel zou passen en aan het werk zou kunnen.
Ontbinding
4.11.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 januari 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
Transitievergoeding
4.12.
Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zal de door [verweerster] verzochte transitievergoeding op basis van artikel 7:673 BW worden toegewezen. [verweerster] heeft de hoogte van de transitievergoeding correct berekent op een bedrag van € 11.004,63 bruto.
Billijke vergoeding
4.13.
Vervolgens is de vraag aan de orde of aan [verweerster] een billijke vergoeding moet worden toegekend. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [1] Dat wordt als volgt toegelicht.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel de verstoring van de arbeidsverhouding mede te wijten aan het handelen van NPO, maar niet in zodanige mate dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. NPO is in haar communicatie richting [verweerster] niet transparant geweest over de door collega’s geuite zorgen. Wel is aan [verweerster] meegedeeld dat zij zich negatief over haar collega’s zou hebben uitgelaten, maar NPO heeft dat niet met concrete voorbeelden onderbouwd. Hierdoor bleef voor [verweerster] onduidelijk waar de kritiek precies op zag. Het is voor een werknemer ingrijpend om te vernemen dat collega’s zorgen over haar hebben geuit, zeker wanneer daaraan directe gevolgen worden verbonden, zoals het uitstellen van terugkeer in de functie. Juist in een dergelijk geval is het van groot belang dat de redenen van die zorgen duidelijk en concreet worden toegelicht. Daarnaast heeft NPO [verweerster] verweten over onvoldoende zelfreflectie te beschikken, terwijl dit verwijt voor het gesprek van 12 september 2024 niet eerder met haar is besproken en [verweerster] evenmin enige concrete begeleiding of ondersteuning heeft gekregen om haar gedrag te verbeteren. Ook dit gebrek aan duidelijkheid en begeleiding valt NPO aan te rekenen. Hoewel dit handelen de arbeidsverhouding duidelijk heeft verslechterd, is het onvoldoende om te spreken van ernstig verwijtbaar handelen in de onder 4.13 vermelde zin.
4.15.
Verder heeft [verweerster] onvoldoende onderbouwd dat [naam 1] haar aan haar lot heeft overgelaten in de relatie met [naam 4] en dat dit heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Op basis van hetgeen [verweerster] heeft aangevoerd, komt naar voren dat [naam 4] in bepaalde situaties boos en fel kon reageren, maar daartegenover heeft [verweerster] in haar e-mail van 15 februari 2024 nog geschreven dat de rol van genrecoördinator onder [naam 4] een heel fijne is, omdat hij veel vertrouwen in haar stelt en haar daarom veel verantwoordelijkheid geeft. Bovendien heeft NPO, na de ziekmelding van [verweerster] en op advies van de bedrijfsarts, mediation ingesteld tussen [verweerster] en [naam 4] , waarmee pogingen zijn ondernomen om de relatie te herstellen. [verweerster] heeft verder aangevoerd dat NPO haar op geen enkele manier heeft begeleid met de terugkeer naar het team, maar uit de stukken is gebleken dat NPO wel inspanningen heeft verricht om dit mogelijk te kunnen maken. Het enkele feit dat dit anders verliep dan [verweerster] had gewenst, kan niet worden opgevat als ernstig verwijtbaar handelen.
4.16.
Al met al wordt overwogen dat NPO zeker steken heeft laten vallen, maar op grond van het bovenstaande ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.
4.17.
NPO hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Proceskosten
4.18.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2026,
5.2.
veroordeelt NPO om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 11.004,63 bruto,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
51447

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (