Op 12 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de feitelijke overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen. De overlevering was eerder op 28 mei 2025 toegestaan, maar op 4 juni 2025 werd deze opgeschort op verzoek van de rechtbank, omdat er een verzoek tot een voorlopige voorziening was ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Dit verzoek werd op 10 november 2025 afgewezen, maar de rechtbank constateerde dat de termijn voor feitelijke overlevering te kort was om deze nog uit te voeren. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van overmacht, zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank verlengde de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon met 10 dagen, tot 24 november 2025, om ruimte te bieden voor onvoorziene omstandigheden en om ervoor te zorgen dat de feitelijke overlevering alsnog kon plaatsvinden. De officier van justitie had al een nieuwe datum voor de feitelijke overlevering voorgesteld, maar er was nog geen bevestiging van de Poolse autoriteiten ontvangen. De rechtbank volgde het standpunt van de officier van justitie en besloot de termijn voor de feitelijke overlevering te verlengen, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van de zaak.