AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering vrijheidsbeperkende voorwaarden bij overlevering
De rechtbank Amsterdam heeft op 12 februari 2025 uitspraak gedaan over een vordering van de officier van justitie tot het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden aan de invrijheidstelling van een opgeëiste persoon in het kader van een overleveringsprocedure naar Polen.
De rechtbank overwoog dat er geen sprake was van vrijheidsbeneming zoals bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Overleveringswet (OLW), omdat de detentie van de opgeëiste persoon was gebaseerd op artikel 37 OLWPro en niet op een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming ex artikel 27 OLWPro. Hierdoor was de wettelijke grondslag voor het opleggen van de gevorderde voorwaarden niet aanwezig.
De rechtbank wees de vordering af mede vanwege de impact van de voorwaarden op de grondrechten van de opgeëiste persoon, waaronder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op vrijheid van verkeer en verblijf zoals gewaarborgd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De uitspraak volgt op eerdere beslissingen waarbij de overlevering aan de Poolse autoriteiten was toegestaan en de detentie in afwachting daarvan was geregeld. De feitelijke overlevering kon nog niet plaatsvinden vanwege het ontbreken van garanties over de detentieomstandigheden in Polen.
De rechtbank concludeerde dat een extensieve uitleg van artikel 35, vierde lid, OLW niet gerechtvaardigd is en dat de gevorderde vrijheidsbeperkende voorwaarden daarom niet kunnen worden opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden af omdat geen sprake is van vrijheidsbeneming zoals bedoeld in artikel 35, vierde lid, OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Internationale rechtshulpkamer
Parketnummer: 13-751967-19
Afwijzing van de vordering tot het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden (artikel 35, vierde lid, Overleveringswet (OLW))
Op 10 februari 2025 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam (hierna:
de officier van justitie) gevorderd dat vrijheidsbeperkende voorwaarden worden gesteld aan de invrijheidstelling van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .
Raadsman: mr. S. de Goede.
Procedure
1. Bij uitspraak van deze rechtbank van 16 juni 2022 is de overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in Polen toegestaan. In die uitspraak heeft de rechtbank geconstateerd dat de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22 OLWPro op het overleveringsverzoek moet beslissen, al was verstreken, zodat er grond bestond voor overleveringsdetentie. De rechtbank heeft dan ook niet de (door de officier van justitie gevorderde) gevangenhouding bevolen.
2. De opgeëiste persoon is, nadat hij uit anderen hoofde gedetineerd is geweest, op 9 februari 2025 op bevel van de officier van justitie aangehouden op grond van artikel 37 OLWPro voor ten hoogste drie dagen. De feitelijke overlevering heeft niet binnen die termijn van drie dagen kunnen plaatsvinden omdat nog geen afdoende garantie van de Poolse autoriteiten is ontvangen betreffende de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in het remand regimein Polen. Bij bevel van 10 februari 2025 heeft de officier van justitie het bevel tot aanhouding verlengd met (maximaal) drie dagen ingaande 12 februari 2025 (artikel 37, eerste lid, OLW).
3. De officier van justitie heeft op 10 februari 2025 een vordering gedaan tot het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden als bedoeld in artikel 35, vierde lid, OLW.
4. In raadkamer van 12 februari 2025 is de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord over de door de officier van justitie gevorderde voorwaarden.
Beoordeling
5. In deze zaak is geen gevangenhouding bevolen omdat daar geen wettelijke basis meer voor was. Ook is de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering niet door de rechtbank aangehouden op grond van artikel 36, eerste lid OLW. Een daartoe strekkende vordering is niet meer mogelijk. Hetzelfde geldt voor een vordering tot verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 34 OLWPro.
De rechtbank is van oordeel dat de ‘vrijheidsbeneming’ bedoeld in artikel 35, vierde lid, eerste volzin, OLW, gelezen in samenhang met artikel 33 enPro 34 OLW, ziet op de voortgezette vrijheidsbeneming op grond van een bevel gevangenhouding of gevangenneming ex artikel 27 OLWPro. In deze zaak is geen sprake van een dergelijke vrijheidsbeneming. De vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon is in deze zaak gebaseerd op artikel 37 OLWPro. De rechtbank ziet geen ruimte voor een extensieve uitleg van artikel 35, vierde lid, OLW gelet op de inbreuk die de vrijheidsbeperkende voorwaarden maken op de grondrechten van de opgeëiste persoon, in het bijzonder op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op vrijheid van verkeer en van verblijf (artikel 7 respectievelijkProartikel 45 vanPro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie).
6. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
- Wijst afde vordering tot het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden ex artikel 35 lid 4 OLWPro.