ECLI:NL:RBAMS:2025:8566

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
10641869 \ CV EXPL 23-10726
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake handelsovereenkomst en consumentenbescherming in leaseovereenkomst

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 21 oktober 2025 een vonnis gewezen in een bodemzaak tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUURMIJ B.V. en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij, vertegenwoordigd door KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen, heeft een vordering ingesteld op basis van een leaseovereenkomst voor een personenauto. De rechtbank heeft in een eerder tussenvonnis van 29 juli 2025 de eisende partij opgedragen om te onderbouwen dat de gedaagde partij handelde als ondernemer en niet als consument, zodat de consumentenbescherming niet van toepassing zou zijn.

De eisende partij heeft vervolgens bewijsstukken overgelegd, waaronder een uittreksel van het handelsregister en e-mailcorrespondentie, waaruit blijkt dat de gedaagde partij ten tijde van de overeenkomst een eenmanszaak had die zich bezighield met ambulante jeugdzorg. De rechtbank oordeelt dat de eisende partij voldoende onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat er sprake is van een handelsovereenkomst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van de eisende partij niet onrechtmatig of ongegrond is en heeft deze toegewezen. De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen. De rechtbank heeft de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.091,32, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, en heeft de proceskosten vastgesteld op € 1.095,84. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10641869 \ CV EXPL 23-10726
Vonnis van 21 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HUURMIJ B.V.,
gevestigd te Leiden,
eisende partij,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 juli 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij opgedragen om haar stelling dat sprake is van een handelsovereenkomst en gedaagde partij dus niet als consument handelde (en daarmee ook geen consumentenbescherming toekomt) nader te onderbouwen.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte laten weten dat zij haar standpunt dat sprake is van een handelsovereenkomst handhaaft. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een uittreksel van het handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat gedaagde partij ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst een eenmanszaak had met als activiteit onder andere ambulante jeugdzorg. Daarnaast heeft eisende partij e-mailverkeer tussen partijen overgelegd, waarin is verzocht om een screenshot van een zakelijke bankrekening om te controleren dat gedaagde partij inkomsten met zijn onderneming inkomsten genereerde.
2.3.
Geoordeeld wordt dat eisende partij de gevraagde nadere onderbouwing in voldoende mate heeft gegeven. Ondanks dat uit de aard van het goed (een personenauto) niet aanstonds een bedrijfsmatig doel kan worden afgeleid, blijkt dat bedrijfsmatige doel voldoende uit overgelegde stukken. Het leasen van een auto past ook bij de toenmalige bedrijfsactiviteiten van gedaagde partij, te weten het verlenen van ambulante jeugdzorg, het ondersteunen van gehandicapten en het verlenen van welzijnswerk voor ouderen.
2.4.
Nu sprake is van een handelsovereenkomst, is ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde.
2.5.
De vordering komt overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen als hierna te melden.
2.6.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,84
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.095,84

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 7.091,32, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 14% per jaar over de hoofdsom van € 6.567,30, met ingang van 19 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 985,10 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.095,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
991