ECLI:NL:RBAMS:2025:8564

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
11387689 \ CV EXPL 24-14132
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing van consumentenrecht in huurcontracten met betrekking tot auto leasing

In deze bodemzaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 10 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen AXUS NEDERLAND N.V. en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij, AXUS NEDERLAND N.V., heeft gesteld dat de gedaagde partij als consument een auto heeft gehuurd tegen een maandelijkse vergoeding van € 899,01. De overeenkomst is online gesloten en de algemene voorwaarden van de BOVAG zijn van toepassing verklaard. De eisende partij heeft aangevoerd dat de gedaagde partij verschillende huurtermijnen niet heeft betaald en dat er boetes zijn opgelegd voor verkeersovertredingen. De overeenkomst is door de eisende partij ontbonden.

De kantonrechter heeft ambtshalve de consumentenrechtelijke aspecten van de overeenkomst getoetst, met name de informatieplichten die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De eisende partij heeft niet voldoende aangetoond dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan, waardoor de kantonrechter niet kon vaststellen of de gedaagde partij adequaat was geïnformeerd over de voorwaarden van de overeenkomst.

Daarnaast heeft de kantonrechter vastgesteld dat bepaalde bedingen in de algemene voorwaarden, met name die met betrekking tot de doorbelasting van boetes en verkeersovertredingen, als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat de eisende partij geen aanspraak kan maken op de doorbelaste boetes, omdat het beding de rechten van de consument aanzienlijk verstoort. De zaak is verwezen naar de rol voor verdere uitlating door de eisende partij, waarbij de kantonrechter heeft bepaald dat de eisende partij de gedaagde partij tijdig moet informeren over de voortgang van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11387689 \ CV EXPL 24-14132
Vonnis van 10 oktober 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
AXUS NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eisende partij,
gemachtigde: BBU Juristen & Incasso's,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 oktober 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat gedaagde partij als consument een auto van haar heeft gehuurd (geleased) tegen een overeengekomen vergoeding van € 899,01 inclusief btw per maand. De overeenkomst is online gesloten. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van de BOVAG van toepassing verklaard. Gedaagde partij heeft volgens eisende partij een aantal huurtermijnen onbetaald gelaten, meerdere boetes of verkeersovertredingen begaan, meer kilometers gereden dan overeengekomen en schades veroorzaakt waarvoor eigen risico in rekening is gebracht. De overeenkomst is door eisende partij ontbonden.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Over de informatieplichten stelt eisende partij dat zij aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v lid 6 of 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voldaan. Niet gesteld is dat eisende partij ook aan de overige informatieplichten van artikel 6:230v BW heeft voldaan. Het aanmeld- en/of bestelproces op de website heeft eisende partij in het geheel niet toegelicht of onderbouwd. Hierdoor kan niet worden getoetst in hoeverre eisende partij aan haar precontractuele informatieplichten heeft voldaan. De enkele verwijzing naar de overeenkomst is in dat kader onvoldoende, ook omdat het digitale ondertekeningsproces niet is toegelicht of onderbouwd.
2.4.
Bovendien heeft eisende partij, in navolging van het voorgaande, niet per essentiële informatieplicht [1] gemotiveerd gesteld hoe zij daaraan heeft voldaan. Eisende partij wordt daarom opgedragen vorenbedoelde nadere toelichting en onderbouwing te geven over het bestel- en/of aanmeldproces en de informatieplichten.
2.5.
De gevorderde hoofdsom bestaat uit meerdere onderdelen. Per onderdeel moet worden onderzocht welke bedingen daaraan ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.6.
De onbetaald gelaten huurtermijnen en de (afrekening ter zake van) meer gereden kilometers zijn gebaseerd op kernbedingen over de prijs. Ambtshalve toetsing van kernbedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als ze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de onderhavige kernbedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.7.
Voor de doorbelasting van boetes en verkeersovertredingen is van belang het beding in artikel 13 van de algemene voorwaarden, luidende:
Artikel 13 – Overheidsmaatregelen en informatie aan autoriteiten
Voor rekening van huurder zijn alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband met het ter beschikking hebben door huurder c.q. het gebruiken van het voertuig van overheidswege worden opgelegd, tenzij deze verband houden met een defect dat bij aanvang van de huur reeds aanwezig was of de sancties verband houden met omstandigheden die in de risicosfeer van verhuurder liggen.
Indien deze sancties en maatregelen aan verhuurder worden opgelegd, is huurder gehouden verhuurder op diens eerste verzoek schadeloos te stellen, waarbij huurder aanvullend de kosten van administratie verschuldigd wordt, met een minimum van € 25,- (inclusief BTW). Verhuurder dient die kosten zoveel mogelijk te beperken. Indien verhuurder in verband met enige gedraging of nalaten van huurder, zoals een verkeersovertreding, informatie aan autoriteiten verstrekt, is huurder gehouden de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden, met een minimum van € 10,- (inclusief BTW).
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding op grond waarvan eisende partij boetes en verkeersovertredingen kan doorbelasten oneerlijk [2] is, omdat eisende partij een haar als kentekenhouder opgelegde boete kan betalen en aan de huurder kan doorbelasten, waarbij de huurder verplicht is te betalen. Hierdoor bestaat voor de huurder geen mogelijkheid meer om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Aangenomen moet worden dat betaling van een boete ertoe leidt dat wordt ingestemd met een schikkingsvoorstel, waardoor verdere strafvervolging uitblijft en het instellen van een rechtsmiddel niet meer mogelijk is. Afgezien daarvan kan eisende partij op grond van het beding, naast het doorbelaste bedrag van de boete, ook administratie- en informatiekosten in rekening brengen, zonder dat hieraan een limiet is gesteld. Er staan enkel minimumbedragen. Dat kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Geoordeeld wordt dat het beding het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk verstoort ten nadele van de consument.
2.9.
Omdat het hiervoor besproken beding als oneerlijk wordt aangemerkt, is de kantonrechter voornemens het ambtshalve te vernietigen, zodat eisende partij daar geen beroep meer op kan doen. Eisende partij kan onder deze omstandigheden ook geen beroep meer doen op het aanvullende recht dat van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan. Dat volgt uit de arresten genoemd in overweging 2.5. Concreet betekent dat, dat de doorbelaste boetes niet toewijsbaar zijn.
2.10.
Voordat tot vernietiging van het beding wordt overgegaan, mag eisende partij zich daarover uitlaten.
2.11.
De overige bedingen voorwaarden die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.12.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.3, 2.4 en 2.10.
2.13.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
vrijdag 7 november 2025 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.13,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025.
991