De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 januari 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen gericht op de overlevering van een Poolse verdachte geboren in 1975. De verdachte verscheen bij de zitting en werd bijgestaan door een advocaat en een Poolse tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn en beval gevangenhouding met schorsing tot uitspraak.
Na een tussenuitspraak waarin reeds was geoordeeld over de grondslag van het EAB en de verdedigingsrechten, werd de zaak heropend om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te raadplegen over het verblijfsrecht van de verdachte. De IND bevestigde dat de straf niet zal leiden tot verlies van het verblijfsrecht.
De rechtbank concludeerde dat de verdachte ten minste vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijft en dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen zonder strijd met Nederlandse strafmaxima of recht. Gezien de sterke banden van de verdachte met Nederland en het belang van maatschappelijke re-integratie, werd de overlevering geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen. De gevangenhouding werd tot aan de strafuitvoering gehandhaafd.
Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.