ECLI:NL:RBAMS:2025:8525

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/13/751361 / HA ZA 24-575
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake de beëindiging van een franchiseovereenkomst tussen ASICS EUROPE B.V. en Gnothi Seaton SARL

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen ASICS EUROPE B.V. en Gnothi Seaton SARL, met betrekking tot de beëindiging van een franchiseovereenkomst. ASICS had een franchiseovereenkomst gesloten met Gnothi voor de verkoop van ASICS-producten in Frankrijk, die op 31 december 2023 zou eindigen. ASICS stelde dat Gnothi niet voldeed aan de voorwaarden voor verlenging van de overeenkomst, waaronder het indienen van een verbeterplan en het voldoen aan financiële verplichtingen. Gnothi en de andere gedaagden voerden aan dat ASICS tekort was geschoten in haar verplichtingen en dat de beëindiging van de overeenkomst onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat ASICS terecht had besloten de overeenkomst niet te verlengen, omdat Gnothi niet aan de voorwaarden had voldaan. De rechtbank wees de vorderingen van Gnothi en de andere gedaagden af en veroordeelde hen tot betaling van openstaande bedragen aan ASICS, inclusief proceskosten. De rechtbank concludeerde dat de beëindiging van de franchiseovereenkomst rechtmatig was en dat ASICS niet tekort was geschoten in haar verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/751361 / HA ZA 24-575
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASICS EUROPE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: ASICS,
advocaat: mr. E.C. Netten,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GNOTHI SEATON SARL,
gevestigd te Cap D'ail (Frankrijk),
hierna te noemen: Gnothi
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] (Frankrijk),
hierna te noemen: [gedaagde 2]
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RNBINVEST SAS,
gevestigd te Cap D'ail (Frankrijk),
hierna te noemen: RNB
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SARL [gedaagde 4],
gevestigd te [vestigingsplaats] ( [vestigingsplaats] ),
hierna te noemen: [gedaagde 4]
gedaagden in conventie,
en gedaagden onder 1 en 4 tevens eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: Gnothi c.s.,
advocaat: mr. P.A.J.M. Lodestijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van ASICS van 3 april 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord van Gnothi c.s., met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte vermeerdering en vermindering van eis in conventie, met producties,
- het tussenvonnis van 5 maart 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 augustus 2025, met de daarin genoemde stukken
- de akte van 24 september 2025 met producties 58 tot en met 61 van Gnothi c.s.,
- de antwoordakte van 1 oktober 2025 van ASICS.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
ASICS houdt zich bezig met de productie, verkoop en marketing van schoenen, kleding en accessoires voor sport en een sportieve levensstijl onder de merknamen ASICS en Onitsuka Tiger. ASICS is actief in Europa, Afrika en het Midden-Oosten. In het verleden sloot ASICS als onderdeel van haar bedrijfsactiviteiten met verschillende partijen franchiseovereenkomsten voor de verkoop van ASICS producten.
2.2.
Gnothi en [gedaagde 4] zijn ondernemingen waarvan de heer [gedaagde 2] (indirect) aandeelhouder en bestuurder is.
2.3.
ASICS heeft op 11 oktober 2018 voor de duur van vijf jaar met de Franse onderneming RNB Corporate SARL (hierna: RNB Corporate) een franchiseovereenkomst gesloten voor de verkoop van ASICS producten in Frankrijk en [vestigingsplaats] . Partijen zijn een looptijd van vijf jaar overeengekomen, waarbij het de bedoeling was dat in Frankrijk en [vestigingsplaats] vijftien winkels zouden worden geopend waar ASICS-producten zouden worden verkocht.
2.4.
Op 7 mei 2019 hebben ASICS, RNB Corporate en Gnothi een addendum (hierna: eerste addendum) op de Franchiseovereenkomst gesloten waarin zij zijn overeengekomen dat alle rechten en verplichtingen van RNB Corporate worden overgedragen aan Gnothi. Daarnaast is overeengekomen dat RNB jegens ASICS garant staat voor alle verplichtingen van Gnothi uit hoofde van de Franchiseovereenkomst.
2.5.
Op 9 september 2020 hebben ASICS en Gnothi een tweede addendum (hierna: tweede addendum) gesloten waarin zij eerdere afspraken over commissievergoedingen nader duiden.
2.6.
Op diezelfde dag hebben ASICS, Gnothi en [gedaagde 4] een derde addendum (hierna: derde addendum) op de Franchiseovereenkomst gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat [gedaagde 4] vanaf dat moment alle rechten en verplichtingen op grond van de Franchiseovereenkomst voor de winkel in [vestigingsplaats] op zich neemt. Daarnaast is in het derde addendum opgenomen dat [gedaagde 2] zich persoonlijk garant stelt voor de verplichtingen van [gedaagde 4] uit hoofde van de Franchiseovereenkomst.
2.7.
Gnothi en [gedaagde 4] hebben in totaal vijftien winkels geopend; veertien in Frankrijk en een in [vestigingsplaats] .
2.8.
Op 12 december 2022 heeft tussen ASICS, Gnothi en [gedaagde 4] een gesprek plaatsgevonden over hun samenwerking, een en ander in verband met de omstandigheid dat de looptijd van de Franchiseovereenkomst op 31 december 2023 zou eindigen. Bij brief van 23 december 2022 stuurt ASICS aan Gnothi en [gedaagde 4] een verslag van dit gesprek, en in de begeleidende brief schrijft zij onder meer:
“In light of the outcome of the evaluation and the areas of (material) breach identified, at this point in time, we cannot grant you an extension of the Agreement for five years.
However, in light of our co-operation and the difficult times behind us, we propose that both ASICS and GS create an improvement plan to address the areas identified above.
The improvement plan ultimately has to be agreed upon by the both of us on or before 31 January 2023. The duration of the improvement plan is seven (7) months, from 31 January, 2023 until 31 August, 2023, and will remain in place for the above period contingent upon the following:
a) GS remedying all current breaches,
b) GS continuing to be out of breach and;
c) GS putting in place sufficient financial securities to guarantee the compliance of obligations as per the Agreement during all such term.
At the end of such period, we will evaluate whether the improvement plan has been properly executed, whether your performance has improved and whether GS is in (full) compliance of the Agreement. In this case we will then extend the Agreement. If you have not been able to meet the improvements agreed upon or are in breach of the Agreement, then unfortunately the Agreement will not be extended.”
2.9.
Partijen hebben vervolgens overleg gevoerd over een verbeterplan, maar tot een definitief plan op basis waarvan de Franchiseovereenkomst kon worden verlengd komen zij niet. ASICS heeft in de periode tot en met augustus 2023 meerdere malen een concept verbeterplan aan Gnothi en [gedaagde 4] toegestuurd. Daarbij zijn termijnen om tot een oplossing te komen meerdere keren verlengd. Ook door Gnothi en [gedaagde 4] zijn voorstellen gedaan, en acties ondernomen, maar steeds niet tot tevredenheid van ASICS.
2.10.
In een e-mailbericht van ASICS aan Gnothi en [gedaagde 4] van 31 augustus 2023 staat onder meer:
“Further to our recent conversations & separate email correspondence, it has become apparent that you will not be able to meet the deadlines as previously agreed & detailed below. Because of this, we propose the following re the deadlines which will be detailed in the attached improvement plan.
Clause 2.3
• The deadline of the 31.08.2023 to pay all current outstanding overdue amounts is extended to the 30.10.2023 which should allow sufficient time for any historic credit notes to be reconciled & for any credit notes for the end of season product returns to be issued
Clause 2.4
• The deadline of the 30.09.2023 to submit the bank guarantees remains the same
Clause 2.4.3
• The deadline of the 11.08.2023 which is when we implemented the credit limit of EUR 1.6 million remains the same
Clause 4.1
• The improvement term is extended to the 30.11.2023 from the 30.09.2023. Also, we will incorporate some wording into the improvement plan which will allow the implementation of All Access in your stores but only for the improvement term and on the basis that this does not indicate an intention to extend the franchise agreement for another term.
We hope that these further concessions to the deadlines detailed or agreed previously enables us to finalise the improvement plan and discuss the possibility of renewing the franchise agreement.
Therefore, please can you confirm the proposed dates as detailed above are agreed so that I can amend the attached improvement plan accordingly.”
2.11.
In een e-mailbericht van ASICS aan Gnothi en [gedaagde 4] van 30 oktober 2023 staat onder meer:
“Further to our recent conversations, I just wanted to confirm the following,
1. We have received a suretyship from Credit Agricole for EUR 300k which is not the same as a bank guarantee and we are still not clear as to the drawn down process and we are currently investigating this
2. We are still waiting for the bank guarantee for the [vestigingsplaats] store and you have advised that we should receive this by the 30.11.2023
3. You have also advised that we will not receive the remaining bank guarantees for EUR 300k until the 31.12.2023
4. You have still not be able to advise when you will be able to pay all the current outstanding overdue amounts but have confirmed that it will not be before the 31.12.2023
5. You have advised that you will be closing the stores as detailed in the attachment called 'Franchise Store Closure Summary 24.10.2023'
As detailed in points 1- 4 above, it is clear that are not able to comply with your material obligations as detailed in the attached improvement plan and, at this time, you are not able to advise specific dates by when you will be able to.
Because of this, I do not feel that it is appropriate for me to amend the improvement plan further as you are not in a position to advise dates by when you will be able to meet your material obligations and would therefore be in breach of this version of the improvement plan as well as all the other previous versions which you had agreed to without considering your material obligations and ability to comply with them.
Therefore, before confirming how we should proceed, I suggest that I wait until our meeting at our office the w/c 06.11.2023 to discuss this in detail as we would not be able to agree to an extension of the franchise agreement based on the current situation.”
2.12.
De dag hierna heeft ASICS aan Gnothi en [gedaagde 4] per e-mailbericht van 31 oktober 2023 nog geschreven:
"As discussed earlier today, we have not made a decision to 'close all the network' or not to extend the franchise agreement.
However, before we can consider an extension, we require far more clarity as to how you propose to meet your material obligations contained within any improvement plan or extension to the franchise agreement and I look forward to discussing this with you during our meeting at our office on the 08.11.2023 which we confirmed today."
2.13.
Op 5 november 2023 hebben Gnothi en [gedaagde 4] aan ASICS een voorstel gedaan voor een verlenging van de Franchiseovereenkomst.
2.14.
Bij brief van 20 december 2023 informeert ASICS Gnothi en [gedaagde 4] dat dat zij nog altijd tekortschieten in hun verplichtingen op grond van de Franchiseovereenkomst, dat de Franchiseovereenkomst niet zal worden verlengd en dat de Franchiseovereenkomst daarmee per 31 december 2023 zal eindigen. Aan Gnothi en [gedaagde 4] is een termijn van zes maanden gegund om hun verplichtingen als bedoeld in art. 29 van de Franchiseovereenkomst na te komen.
2.15.
Hierop reageren Gnothi en [gedaagde 4] bij brief van 27 december 2023. Gnothi en [gedaagde 4] zijn het om meerdere redenen niet eens met de beëindiging, en stellen onder meer dat, hoewel er geen verbeterplan is getekend, zij er alles aan hebben gedaan om hun verplichtingen na te komen, openstaande bedragen in te lopen en financiële garanties te geven. Nadien hebben Gnothi en [gedaagde 4] nog aangestuurd op een gedeeltelijke verlenging van de Franchiseovereenkomst, maar daar is ASICS niet mee akkoord gegaan.
2.16.
Gnothi heeft in de periode tot 6 februari 2024 zes winkels gesloten. In de acht nog geopende Franse winkels heeft ASICS op 23 februari 2024 beslag gelegd op de producten, en is tot revindicatie overgegaan. Begin maart 2024 heeft ASICS met instemming van [gedaagde 2] de producten in de winkel van [vestigingsplaats] gerevindiceerd.

3.Het geschil

3.1.
ASICS vordert – samengevat – en na wijziging van eis bij akte van 13 november 2024, uitvoerbaar bij voorraad:
  • om Gnothi en RNB hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan ASICS van € 1.566.956,58, te vermeerderen met wettelijke handelsrente plus acht procent ex artikel 6:119a lid 1 BW en artikel 9.2 van Appendix 9 van de Franchiseovereenkomst vanaf de uiterste betaaldatum van elke afzonderlijke factuur;
  • om [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan ASICS van € 110.749,81, te vermeerderen met wettelijke handelsrente plus acht procent ex artikel 6:119a lid 1 BW en artikel 9.2 van Appendix 9 van de Franchiseovereenkomst vanaf de uiterste betaaldatum van elke afzonderlijke factuur;
  • afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 53 Brussel I-bis Verordening;
  • om Gnothi c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 276.277,23 te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten (inclusief nakosten) te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
ASICS legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Gnothi en [gedaagde 4] op basis van de tussen partijen op 11 oktober 2018 gesloten Franchiseovereenkomst en de drie nader overeengekomen addenda van respectievelijk 7 mei 2019, 9 september 2020 en 9 september 2020, gehouden zijn tot nakoming van hun betalingsverplichtingen. Ten aanzien van RNB en [gedaagde 2] vordert zij nakoming vanwege een garantstelling voor de verplichtingen van respectievelijk Gnothi en [gedaagde 4] jegens ASICS uit hoofde van de Franchiseovereenkomst.
3.3.
Gnothi c.s. voeren verweer. Gnothi c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van ASICS, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ASICS, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ASICS in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.5.
Gnothi en [gedaagde 4] vorderen, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad om:
  • voor recht te verklaren dat ASICS verwijtbaar tekortgeschoten is in de naleving van haar verplichtingen onder de Franchiseovereenkomst;
  • voor recht te verklaren dat ASICS de Franchiseovereenkomst op ongeldige wijze tegen eind 2023 heeft beëindigd wegens strijdigheid met de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel dat deze beëindiging jegens Gnothi en [gedaagde 4] onrechtmatig is;
  • ASICS te veroordelen tot vergoeding aan Gnothi en [gedaagde 4] van alle schade die zij als gevolg van de ongeldige dan wel onrechtmatige beëindiging van de Franchiseovereenkomst hebben geleden en nog zullen lijden, nader op te maken bij staat, met inachtneming van de inflatiecorrectie en te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 1 januari 2024 tot de dag der volledige betaling;
  • veroordeling van ASICS in de kosten van deze procedure.
3.6.
Gnothi en [gedaagde 4] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat ASICS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Franchiseovereenkomst, en dat zij de Franchiseovereenkomst op ongeldige dan wel onrechtmatige wijze heeft beëindigd.
3.7.
ASICS voert verweer. Zij concludeert Gnothi en [gedaagde 4] in al hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel Gnothi en [gedaagde 4] deze vorderingen als niet-gegrond te ontzeggen, met veroordeling van Gnothi en [gedaagde 4] de proceskosten in reconventie.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie zijn ingesteld tegen gedaagden respectievelijk eisers die in Frankrijk en [vestigingsplaats] gevestigd zijn of wonen. Er zal derhalve beoordeeld dienen te worden of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is.
4.2.
Niet in geschil is dat de vorderingen voortvloeien uit de gesloten Franchiseovereenkomst, en dat uit de artikelen 50.1 en 50.3 van de Franchiseovereenkomst volgt dat daarop Nederlands recht van toepassing is en alle geschillen aan de rechtbank Amsterdam dienen te worden voorgelegd. De rechtbank is dus bevoegd kennis te nemen van die vorderingen, en Nederlands recht is daarop van toepassing.
Faillissement
4.3.
Blijkens de door ASICS overgelegde faillissementsverklaring is Gnothi op 26 maart 2025 door de handelsrechtbank te Nice in staat van faillissement verklaard (“la liquidation judiciaire”). Verder is ter zitting gebleken dat RNB op 28 november 2024 door de handelsrechtbank te Nice in staat van faillissement (Liquidation Simplifiée) is verklaard.
4.4.
Krachtens art. 19 lid 1 van Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking) (hierna: InsVo), worden de vonnissen van de handelsrechtbank te Nice van 26 maart 2025 en 28 november 2024, waarbij Gnothi en RNB failliet zijn verklaard, hier te lande erkend.
4.5.
Ingevolge art. 7 lid 2, aanhef en onder f, InsVo worden de gevolgen van de insolventieprocedure voor "lopende rechtsvorderingen" niet beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. Art. 18 InsVo bepaalt dat de gevolgen van de insolventieprocedure voor een lopende rechtsvordering "betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren", uitsluitend worden beheerst door het recht van de lidstaat waar deze vordering aanhangig is. Dit betekent dat de gevolgen van voornoemde insolventieprocedures voor onderhavige aanhangige rechtsvorderingen moet worden beoordeeld naar Nederlands recht.
4.6.
Ter uitvoering van art. 18 InsVo bepaalt art. 32 Faillissementwet (Fw) dat de art. 27-31 Fw van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot rechtsvorderingen betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren door een in Nederland op grond van art. 16 InsVo te erkennen insolventieprocedure. [1] Dit strekt zich ook uit over rechtsvorderingen die ten doel hebben de schuldenaar te veroordelen tot betaling van zijn schulden. [2]
4.7.
Art. 29 Fw bepaalt dat, voor zover tijdens de faillietverklaring rechtsvorderingen aanhangig zijn die de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, het geding na de faillietverklaring wordt geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. Aangezien de vorderingen van ASICS in conventie tot doel hebben dat Gnothi en RNB tot betaling van schulden overgaan, stelt de rechtbank vast dat deze procedure ten aanzien van RNB en Gnothi is geschorst vanaf respectievelijk 28 november 2024 en 26 maart 2025.
4.8.
Gnothi heeft als gefailleerde ook zelf als eiser vorderingen in reconventie ingesteld. Blijkens producties 58 en 59 heeft de curator van Gnothi aan mr. Lodestijn een procesvolmacht afgegeven om deze procedure in reconventie voort te zetten. Net als ASICS begrijpt de rechtbank de akte van mr. Lodestijn zo dat de curator de procedure ex artikel 27 lid 3 Fw overneemt van gefailleerde Gnothi. De procedure in reconventie zal derhalve wel worden voortgezet.
In conventie
4.9.
Het voorgaande betekent dat in conventie uitsluitend de vorderingen van ASICS jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 2] beoordeeld worden. Aangezien ASICS tijdens de mondelinge behandeling de vordering – om Gnothi c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 276.277,23 – ten aanzien van [gedaagde 4] en [gedaagde 2] heeft ingetrokken, behoeft deze vordering geen bespreking meer. Thans gaat het in conventie dan ook uitsluitend nog om de vorderingen tot betaling van een bedrag van € 110.749,81, te vermeerderen met wettelijke handelsrente plus acht procent ex artikel 6:119a lid 1 BW en artikel 9.2 van Appendix 9 van de Franchiseovereenkomst vanaf de uiterste betaaldatum van elke afzonderlijke factuur, tot afgifte van een certificaat en tot betaling van de proceskosten.
Betaling van de franchisebijdrage door [gedaagde 4]
4.10.
ASICS maakt aanspraak op betaling van een bedrag in hoofdsom van € 110.749,81. ASICS stelt dat [gedaagde 4] dit bedrag verschuldigd is op grond van haar betalingsverplichtingen uit de Franchiseovereenkomst. Het bedrag is voor een bedrag van € 53.659,44 opgebouwd uit openstaande royaltyfacturen en voor een bedrag van € 122.541,37 uit openstaande productfacturen, waarop door ASICS betalingen en kredietnota’s van € 31.219,-- en de waarde van de ‘recovered stock’ van € 34.232,-- in mindering is gebracht waardoor een bedrag resteert van € 110.749,81.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat in het derde addendum van 9 september 2020 [gedaagde 4] alle rechten en verplichtingen uit de Franchiseovereenkomst voor de winkel in [vestigingsplaats] heeft overgenomen. Op grond van artikel 6 van de Franchiseovereenkomst is zij gehouden om aan ASICS een maandelijkse fee te betalen voor royalty’s, zoals uitgewerkt in appendix 7 en het tweede addendum bij de Franchiseovereenkomst. Verder brengt artikel 20 Franchiseovereenkomst mee dat [gedaagde 4] gehouden is om de facturen voor de door ASICS aan haar geleverde producten te voldoen, zoals uitgewerkt in appendix 9 bij de Franchiseovereenkomst. De hoogte van deze facturen en de waarde van de ‘recovered stock’ is verder niet in geschil. [gedaagde 4] betwist wel de hoogte van de betalingen en de kredietnota’s; ASICS zou nog meer bedragen voor retourzendingen verschuldigd zijn. Ook voert [gedaagde 4] het verweer dat zij wegens toerekenbare tekortkomingen van ASICS haar betalingsverplichtingen mocht opschorten en de facturen voor de royalty’s niet verschuldigd was. Zoals hierna in reconventie nog zal blijken, gaat deze betwisting en dit verweer niet op. Hieruit volgt dat [gedaagde 4] zal worden veroordeeld tot betaling aan ASICS van een bedrag van € 110.749,81.
4.12.
ASICS vordert om, gelet op appendix 9 van de Franchiseovereenkomst, voornoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente plus acht procent vanaf de uiterste betaaldatum van elke afzonderlijke factuur. In artikel 9.2 van appendix 9 van de Franchiseovereenkomst is inderdaad opgenomen dat de wettelijke handelsrente wordt verhoogd met acht procent. In de tekst van artikel 20.2 van de Franchiseovereenkomst zelf staat dit echter niet. Op grond van dat artikel is alleen wettelijke handelsrente (en dus niet ook een verhoging van acht procent) verschuldigd. Aangezien in beide artikelen iets anders is geregeld, en deze tegenstrijdigheid door toedoen van ASICS – die het contract heeft opgesteld – is ontstaan, ziet de rechtbank aanleiding om uitsluitend van de wettelijke handelsrente uit te gaan.
4.13.
ASICS koppelt de gevorderde rente aan de vervaltermijnen van de ‘afzonderlijke’ facturen. ASICS heeft echter facturen in het geding gebracht voor in totaal € 176.200,81 (€ 53.659,44 royaltyfacturen + € 122.541,37 productfacturen), terwijl zij slechts een bedrag van € 110.749,81 vordert en toegewezen krijgt. De rechtbank begrijpt de vordering zo dat ASICS alleen wettelijke handelsrente vordert over dit bedrag van € 110.749,81, en dat de kredietnota’s, betalingen en de waarde van de ‘recovered stock’ van in totaal € 65.451,-- door ASICS in mindering zijn gebracht op de oudste facturen. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen over de openstaande facturen.
4.14.
Partijen zijn het erover eens dat ASICS, in afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 9 van appendix 9 bij de Franchiseovereenkomst, voor de productfacturen een betaaltermijn van 120 dagen heeft toegestaan. In de enkele voorbeelden van de productfacturen die ASICS heeft overgelegd (productie 27) is echter een betaaltermijn opgenomen van 90 dagen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de wettelijke handelsrente over de verschuldigde productfacturen niet te laten ingaan vanaf de in iedere afzonderlijke factuur opgenomen vervaldata, maar vanaf 120 dagen na de factuurdatum van iedere productfactuur. Voor de royaltyfacturen zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf dertig dagen na de factuurdatum, nu ASICS voor die facturen wel de in artikel 3.4 van appendix 7 bij de Franchiseovereenkomst opgenomen betaaltermijn van dertig dagen heeft gehanteerd.
Garantstelling [gedaagde 2] en beroep op buitengerechtelijke vernietiging ex art. 1:89 BW
4.15.
ASICS vordert niet alleen van [gedaagde 4] , maar ook van [gedaagde 2] hoofdelijke betaling. Daaraan legt ASICS ten grondslag dat [gedaagde 2] zich in het derde addendum van 9 september 2020 persoonlijk garant heeft gesteld voor de verplichtingen van [gedaagde 4] uit hoofde van de Franchiseovereenkomst.
4.16.
[gedaagde 2] betwist niet dat hij zich in het derde addendum persoonlijk garant heeft gesteld voor de verplichtingen van [gedaagde 4] , maar voert wel het verweer dat deze garantstelling niet rechtsgeldig is. Daarbij beroept hij zich erop dat zijn echtgenote, met wie hij blijkens het als productie 61 overgelegde trouwboekje op 1 juni 2007 is getrouwd, geen toestemming als bedoeld in art. 1:88 BW heeft gegeven voor de garantstelling, en dat zij op grond van artikel 1:89 BW bij brief heeft verklaard die garantstelling buitengerechtelijk te vernietigen.
4.17.
ASICS betwist dat de echtgenote van [gedaagde 2] de garantstelling buitengerechtelijk heeft vernietigd. Zij voert daar allereerst voor aan dat in onderhavige zaak de artikelen 1:88 en 1:89 BW toepassing missen, omdat de echtgenote van [gedaagde 2] in Frankrijk woonachtig was. Daarbij wijst ASICS op art. 10:40 (oud) BW. Dit artikel luidde als volgt:
“De vraag of een echtgenoot voor een rechtshandeling de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, en zo ja, in welke vorm deze toestemming moet worden verleend, of zij kan worden vervangen door een beslissing van de rechter of een andere autoriteit, alsmede welke de gevolgen zijn van het ontbreken van deze toestemming, wordt beheerst door het recht van de staat waar de andere echtgenoot ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats heeft.”
4.18.
Artikel 271 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt onder meer dat art. 10:40 BW, zoals die luidde voor inwerkingtreding van de Uitvoeringswet Verordening huwelijksvermogensstelsels en Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen (op 29 januari 2019), van toepassing blijft voor het bepalen van het toepasselijke recht op rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten, indien deze rechtsbetrekkingen op of na 1 januari 1994 maar voor 29 januari 2019 bestonden. Aangezien [gedaagde 2] heeft gesteld dat het huwelijk met zijn echtgenote op 1 juli 2007 is aangegaan, is art. 10:40 (oud) BW van toepassing.
4.19.
Uit art. 10:40 (oud) BW volgt dat onder meer de vragen of voor een rechtshandeling de toestemming van de andere echtgenote nodig is en wat de gevolgen zijn als dit niet gebeurt, worden beheerst door het recht van de staat waar de andere echtgenote ten tijde van de rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats had. Nu ASICS heeft gesteld dat de echtgenote van [gedaagde 2] in Frankrijk woonachtig was (hetgeen ook lijkt te volgen uit de in het derde addendum genoemde woonplaats van [gedaagde 2] zelf ), en dit door [gedaagde 2] niet is betwist, dient de rechtbank hiervan uit te gaan. Dit betekent dat voornoemde vragen naar Frans recht beantwoord dienen te worden. De echtgenote van [gedaagde 2] komt derhalve geen beroep toe op de art. 1:88 BW en 1:89 BW. Het Franse recht kent geen soortgelijke regel. Uit het door ASICS genoemde art. 1415 Code Civil volgt juist dat voor een borgtocht de toestemming van de andere echtgenoot niet nodig is.
4.20.
De overige stellingen van ASICS waarom van een rechtsgeldige buitengerechtelijke vernietiging door de echtgenote van [gedaagde 2] geen sprake kan zijn, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Van een buitengerechtelijke vernietiging van de garantstelling is geen sprake.
4.21.
[gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog gesteld dat hij bij het overeenkomen van de garantstelling voor het blok is gezet en dat ASICS misbruik van recht heeft gemaakt door een persoonlijke garantstelling van hem te verlangen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op. Dat een franchisegever zekerheden verlangt - al dan niet via een persoonlijke garantstelling - is niet ongebruikelijk. En dat ASICS als zekerheid uitsluitend akkoord wenste te gaan met een persoonlijke garantstelling van [gedaagde 2] , en [gedaagde 2] in die zin voor het blok is gezet, is de rechtbank niet gebleken.
4.22.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde 2] door de persoonlijke garantstelling garant staat voor de verplichtingen van [gedaagde 4] . Dit betekent dat de vordering om [gedaagde 2] , naast [gedaagde 4] , hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 110.749,81, vermeerderd met de wettelijke handelsrente zoals hiervoor onder r.o. 4.13 en 4.14 vermeld, zal worden toegewezen. Die hoofdelijke veroordeling brengt mee dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Afgifte certificaat
4.23.
Het verzoek van ASICS tot afgifte van het certificaat op grond van artikel 53 van Verordening Brussel I-bis is ook toewijsbaar. De rechtbank zal de griffier gelasten het door de Verordening voorgeschreven formulier in te vullen en aan dit vonnis te hechten.
Proceskosten
4.24.
Aangezien [gedaagde 4] en [gedaagde 2] grotendeels in het ongelijk zijn gesteld moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) van ASICS betalen. De proceskosten van ASICS worden, gelet op het ten aanzien van [gedaagde 4] en [gedaagde 2] in conventie gevorderde bedrag van € 110.749,81, begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- kosten van de dagvaarding
224,74
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.877,74
4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.26.
De veroordeling ten aanzien van de proceskosten wordt ook hoofdelijk uitgesproken.
In reconventie
4.27.
Gnothi en [gedaagde 4] vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat ASICS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Franchiseovereenkomst. Zij voeren verschillende tekortkomingen van ASICS aan, die de rechtbank hierna zal bespreken.
Verplichting tot aanbieden opleidingen
4.28.
Gnothi en [gedaagde 4] stellen allereerst dat ASICS in strijd met artikel 16.1 en 16.3 van de Franchiseovereenkomst hebben gehandeld door geen opleidingen (waaronder trainingen voor de retourprocedures en merchandising) te verzorgen voor de franchisenemers of hun werknemers. Pas in februari 2022 zou ASICS een videoconferentie hebben gegeven met betrekking tot de retourprocedure, maar dit kan volgens Gnothi en [gedaagde 4] geen opleiding worden genoemd.
4.29.
ASICS betwist dat zij op dit punt tekort is geschoten. Zij stelt dat zij weldegelijk (online) trainingen heeft aangeboden en dat zij bijvoorbeeld twee keer per jaar de Store Managers Conference heeft georganiseerd. Verder verwijst ASICS naar verschillende e-mailberichten waaruit blijkt dat zij de store managers van Gnothi en [gedaagde 4] heeft uitgenodigd voor trainingen, maar dat zij vaak zelf niet kwamen opdagen. Verder voert ASICS aan dat Gnothi en [gedaagde 4] toegang hadden tot manuals met verdere uitleg en toelichting omtrent de geldende procedures en tot intranet waarop allerlei verschillende bronnen van informatie over de systemen en de processen te vinden was.
4.30.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben Gnothi en [gedaagde 4] hun stelling dat ASICS haar verplichting om opleidingen te verzorgen niet is nagekomen, tegenover voornoemde gemotiveerde betwisting door ASICS, onvoldoende onderbouwd. Van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van ASICS was dan ook geen sprake.
4.31.
Overigens lijken Gnothi en [gedaagde 4] tijdens de mondelinge behandeling ook afstand te hebben genomen van voornoemde stellingname. Tijdens de mondelinge behandeling betwistten zij niet langer dat ASICS trainingen aanbood, maar hebben zij het standpunt ingenomen dat ASICS niet aan haar verplichtingen voldeed doordat de trainingen in het Engels en niet in het Frans werden aangeboden en daardoor niet geschikt waren. Het zou volgens Gnothi en [gedaagde 4] immers algemeen bekend zijn dat in Frankrijk binnen de retail sector op operationeel niveau niet in het Engels kan worden gecommuniceerd. Naar het oordeel van de rechtbank gaat ook dit verwijt van Gnothi en [gedaagde 4] niet op. In de Franchiseovereenkomst is niet een verplichting opgenomen om de opleidingen in het Frans te verzorgen. Bovendien wijst ASICS er terecht op dat Gnothi en [gedaagde 4] zich, gelet op het bepaalde in artikel 15.3 onder b van de Franchiseovereenkomst, verplicht hebben om ervoor te zorgen dat in ieder geval de store managers en een werknemer per winkel Engels spreken. Gelet hierop is niet in te zien waarom ASICS de trainingen niet in het Engels zou mogen aanbieden. De rechtbank stelt vast dat ASICS op dit punt niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de Franchiseovereenkomst.
Afspraken over assortiment
4.32.
Volgens Gnothi en [gedaagde 4] is ASICS ook tekort geschoten in haar verplichtingen uit de Franchiseovereenkomst, omdat zij Gnothi en [gedaagde 4] onvoldoende controle hebben gegeven over de exploitatieparameters van de winkels. Zij zouden, althans in de periode van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2023, geen invloed hebben gehad op het assortiment, de maten en de hoeveelheden.
4.33.
ASICS brengt hier kortgezegd tegen in dat zij hier met Gnothi en [gedaagde 4] afspraken over heeft gemaakt in de Franchiseovereenkomst, en dat zij zich hieraan heeft gehouden. Bovendien zouden Gnothi en [gedaagde 4] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt waaruit de tekortkoming van ASICS precies bestaat.
4.34.
In appendix 5 bij de Franchiseovereenkomst is overeengekomen dat Gnothi en [gedaagde 4] gerechtigd zijn om producten te kopen en verkopen van ASICS Performance, ASICS Tiger en Häglofs. Ook is hierin bepaald dat Gnothi en [gedaagde 4] 270 dagen voor de ‘Seasonal Launch’ de inkoopbudgetten en de verkoopverwachtingen dienden aan te leveren, en dat zij 60 dagen voor de ‘Seasonal Launch’ een order kunnen plaatsen. Partijen zijn in appendix 5 ook overeengekomen dat Gnothi en [gedaagde 4] een door ASICS vastgesteld minimumassortiment dienden aan te kopen voor 80% van het inkoopbudget (overgebleven producten uit dit minimumassortiment konden, gelet op appendix 4, aan het eind van het seizoen retour worden gezonden). Voor de overige 20% van het inkoopbudget konden Gnothi en [gedaagde 4] zelf producten selecteren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASICS toegelicht dat Gnothi en [gedaagde 4] elk seizoen werden uitgenodigd voor de buying days, voorafgaand aan het seizoen. Tijdens deze bijeenkomsten presenteerde ASICS het productassortiment, vond overleg plaats over de samenstelling van het assortiment, inclusief de maten en konden Gnothi en [gedaagde 4] keuzes maken.
4.35.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben Gnothi en [gedaagde 4] onvoldoende duidelijk gemaakt waarin de tekortkoming van ASICS precies gelegen is. Van belang daarbij is dat partijen in de Franchiseovereenkomst nu eenmaal een kader zijn overeengekomen (zoals hiervoor onder 4.34 kort weergegeven) dat beperkingen voor Gnothi en [gedaagde 4] met zich meebracht wat betreft assortiment en inkoopbudgetten. Dat Gnothi en [gedaagde 4] zich achteraf in die beperkingen niet konden vinden en meer vrijheid wensten, betekent niet dat ASICS tekort is geschoten in haar verplichtingen. Gnothi en [gedaagde 4] hebben, gelet op voornoemde gemotiveerde betwisting door ASICS, hun stelling dat zij in het geheel geen invloed hadden op de samenstelling van het assortiment onvoldoende onderbouwd..
4.36.
Volgens Gnothi en [gedaagde 4] is ASICS ook tekort geschoten doordat zij bepaalde producten na levering in verband met een Global Launch niet direct mocht verkopen, maar meer dan een maand op voorraad moest houden. Hierdoor zou de kasstroom van Gnothi en [gedaagde 4] negatief zijn beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Gnothi en [gedaagde 4] hier ook onvoldoende voor gesteld. ASICS heeft gemotiveerd betwist dat de producten meer dan een maand op voorraad gehouden dienden te worden, door te stellen dat deze producten ongeveer een week voor de releasedatum geleverd werden (hetgeen onder meer volgt uit een als productie 36 door ASICS overgelegde mail van 17 februari 2020). Bovendien valt niet in te zien waarom door het enige tijd op voorraad moeten houden van producten de kasstroom van Gnothi en [gedaagde 4] onevenredig negatief zou worden beïnvloed, nu ASICS in afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 9 van appendix 9 bij de Franchiseovereenkomst, voor de productfacturen al een ruime betaaltermijn van 120 dagen heeft toegestaan.
4.37.
Tot slot hebben Gnothi en [gedaagde 4] aangevoerd dat ASICS ten onrechte geweigerd zou hebben Lifestyle producten te leveren, meer in het bijzonder met betrekking tot de Quartz-winkel. Ook dit verwijt gaat niet op. ASICS voert hier terecht tegen aan dat zij op grond van appendix 5 van de Franchiseovereenkomst niet een verplichting had om Lifestyle producten aan te bieden, en dat zij bovendien reeds bij de opening van de Quartz winkel middels een e-mailbericht van 27 november 2019 ook specifiek heeft laten weten dat zij enkel verkoop van Performance producten toestaat.
Retourbeleid
4.38.
[gedaagde 4] en Gnothi stellen verder dat ASICS tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit de Franchiseovereenkomst omdat het retourbeleid van ASICS belemmerend werkte en producten te lang op voorraad gehouden moesten worden.
4.39.
Ook wat het retourbeleid betreft geldt dat partijen hier in de Franchiseovereenkomst afspraken over hebben gemaakt. Dat die afspraken volgens [gedaagde 4] en Gnothi belemmerend werkten, betekent niet dat ASICS in haar verplichtingen tekort is geschoten. Het is de rechtbank niet gebleken dat ASICS in strijd met deze afspraken niet bereid was om retouren te accepteren.
4.40.
Een ander bezwaar van [gedaagde 4] en Gnothi is dat het lang duurde alvorens de retouren werden verwerkt en creditnota’s werden opgemaakt, waardoor zij in betalingsproblemen zouden zijn gekomen. ASICS erkent dat het verwerken van de retouren en het opstellen van de creditnota’s de nodige tijd in beslag heeft genomen, maar stelt gemotiveerd dat dit werd veroorzaakt doordat Gnothi en [gedaagde 4] zich niet hielden aan het retourbeleid van ASICS dat een efficiënte verwerking van retouren mogelijk maakte. ASICS heeft Gnothi en [gedaagde 4] hier ook meerdere malen op gewezen en heeft uiteindelijk op 18 februari 2022 ook een training verzorgd over het retourbeleid zodat de procedures beter gevolgd zouden worden.
4.41.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft ASICS voldoende aannemelijk gemaakt dat de vertragingen in het retourproces werden veroorzaakt doordat Gnothi en [gedaagde 4] zich niet aan de retourprocedures hielden, waardoor het verwerken van de retouren voor ASICS bewerkelijk was en dat als de procedures correct zouden zijn gevolgd de creditnota’s voor de geretourneerde producten sneller zouden zijn verzonden. Dat Gnothi en [gedaagde 4] langer hebben moeten wachten op de creditnota’s komt voor hun rekening. Voor zover het door Gnothi en [gedaagde 4] niet volgen van de retourprocedures werd veroorzaakt doordat zij de Engelse taal niet voldoende machtig waren, dient dit gelet op het bepaalde in artikel 15.3 onder b van de franchiseovereenkomst ook voor rekening van Gnothi en [gedaagde 4] te komen (zie hiervoor 4.31). Van een tekortkoming van ASICS op dit punt is derhalve geen sprake.
4.42.
Gnothi en [gedaagde 4] hebben ook nog gesteld dat ASCIS producten vanwege een defect terugstuurde terwijl dit niet het geval was. Gelet op de betwisting door ASICS hebben Gnothi en [gedaagde 4] deze stelling onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van Gnothi en [gedaagde 4] gelegen om concrete gevallen te noemen.
All Access-systeem
4.43.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn [gedaagde 4] en Gnothi teruggekomen van hun stelling dat ASICS tekort zou geschoten bij de levering van het All Access systeem, en hebben zij erkend dat de vertraging niet door ASICS veroorzaakt is. Dit punt behoeft dan ook verder geen bespreking meer
Aanwezigheid opening, Brand Trainers en Mystery shoppers
4.44.
[gedaagde 4] en Gnothi maken ASICS ook het verwijt dat ASICS nooit aanwezig is geweest om toezicht te houden op de implementatie, inrichting en voorbereiding van de opening van winkels, dat ASICS na de corona-periode geen Brand Trainers meer bij de winkels langs stuurde en dat ASICS haar verplichting om Mystery Shoppers bij winkels langs te sturen niet nakwam.
4.45.
Met voornoemde verwijten maken [gedaagde 4] en Gnothi onvoldoende duidelijk welke verplichtingen onder de Franchiseovereenkomst ASICS zou hebben geschonden. Dat ASICS verplicht is om toezicht te houden en aanwezig te zijn bij de opening van winkels en verplicht is om Brand Trainers en Mystery Shoppers bij de winkels langs te sturen, is de rechtbank niet gebleken.
4.46.
Ook verwijten Gnothi en [gedaagde 4] ASICS dat seizoensgebonden en promotionele POS-reclame over het algemeen te laat geleverd werden. Gelet op de betwisting door ASICS hebben Gnothi dit verwijt onvoldoende onderbouwd.
Leveringsproblemen 2023
4.47.
Volgens Gnothi en [gedaagde 4] is ASICS ook tekort geschoten in haar verplichtingen door de levering van de wintercollectie 2023/2024 afhankelijk te stellen van voorafgaande betaling voor de te leveren goederen. Doordat Gnothi en [gedaagde 4] over onvoldoende liquiditeit beschikten, konden zij daardoor onvoldoende inkopen en zijn betalingsproblemen veroorzaakt.
4.48.
Ook deze stelling gaat niet op. ASICS voert terecht aan dat zij, nu de kredietlimiet door Gnothi en [gedaagde 4] werd overschreden, op grond van art. 20.4 van de Franchiseovereenkomst bevoegd was om vooruitbetaling te verlangen voor de te leveren producten. Van een tekortkoming door ASICS op dit punt is derhalve geen sprake.
4.49.
[gedaagde 4] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het besluit van ASICS om vooruit betaling te verlangen uitsluitend gebaseerd was op een beoordeling van de positie van Gnothi, en dat [gedaagde 4] ‘letterlijk over dezelfde kam geschoren’ is. Naar het oordeel van de rechtbank ziet [gedaagde 4] er hiermee niet alleen aan voorbij dat het krediet is verstrekt aan alle franchisenemers gezamenlijk en de kredietpositie dus in beginsel ook gezamenlijk moest worden beoordeeld, maar ook dat [gedaagde 4] zelf aan het overschrijden van de kredietlimiet bijdroeg. ASICS heeft aangevoerd dat er op 22 augustus 2023 ten aanzien van Gnothi en [gedaagde 4] - na aftrek van creditnota’s over Q1 en Q2 en betalingen - een bedrag van € 1.934.285,00 openstond. In die berekening is ten aanzien van [gedaagde 4] rekening gehouden met een openstaand bedrag van € 176.581,00. Deze berekening is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bestreden. Weliswaar hebben Gnothi en [gedaagde 4] nog aangevoerd dat zij recht hadden op betaling van creditnota’s, maar dit gaat niet op, zoals hierna zal worden uiteengezet.
Creditnota’s
4.50.
Gnothi en [gedaagde 4] stellen dat ASICS nooit creditnota’s heeft uitgeschreven of zeer laat heeft betaald voor retourproducten en voor producten die wel door ASICS waren gefactureerd maar niet aan hen zijn geleverd. Volgens Gnothi en [gedaagde 4] staat over de periode 2020, 2021, 2022 en 2023 een bedrag van € 384.962,42 open aan (door Gnothi en [gedaagde 4] zelf opgestelde) creditnota’s.
4.51.
De stelling dat ASICS producten wel gefactureerd zou hebben maar niet geleverd, hebben Gnothi en [gedaagde 4] onvoldoende onderbouwd. Bovendien volgt uit 21.5 van de Franchiseovereenkomst dat het aan Gnothi en [gedaagde 4] was om direct na levering van de producten de hoeveelheid en kwaliteit van de geleverde producten te inspecteren, en ASICS daar binnen vier werkdagen over te informeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat Gnothi en [gedaagde 4] hierover (tijdig) hebben geklaagd. Van een tekortkoming op dit punt is dan ook geen sprake.
4.52.
Wat betreft de creditnota’s voor de retouren geldt dat, zoals hiervoor al is overwogen, de omstandigheid dat het langere tijd heeft geduurd alvorens door ASICS creditnota’s werden verzonden werd veroorzaakt door de omstandigheid dat Gnothi en [gedaagde 4] zelf de retourprocedures niet correct volgden waardoor de retouren handmatig gecontroleerd moesten worden. Gnothi en [gedaagde 4] waren dus zelf verantwoordelijk voor de vertraging.
4.53.
Doordat Gnothi en [gedaagde 4] de retourprocedures niet correct uitvoerden, is discussie ontstaan over de creditnota’s voor de retouren. ASICS heeft daarom in 2023 een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de producten die door haar van [gedaagde 4] en Gnothi zijn ontvangen in de periode 2020-2022 in relatie tot de daarvoor verstuurde creditnota’s. De conclusie van dit onderzoek was dat in die periode voor een bedrag van € 2.738.311,-- aan retourproducten van Gnothi en [gedaagde 4] is ontvangen, terwijl aan hen een bedrag van € 2.596.236,-- was gecrediteerd. ASICS concludeerde dan ook dat nog een bedrag van € 142.075,-- gecrediteerd diende te worden, hetgeen ook is gebeurd (voor [gedaagde 4] voor 22 augustus 2023, en voor Gnothi het overgrote gedeelte voor 22 augustus 2023, zie productie 41). Gnothi en [gedaagde 4] hebben in juli 2023 bevestigd dat zij, gelet op deze uitkomst, de door hen zelf over die periode voor retouren opgestelde creditfacturen laten vervallen. Over de periode 2020-2022 bestaat hierdoor geen discussie meer. Voor zover Gnothi en [gedaagde 4] thans over die periode nog aanspraak maken op betaling, gaat dit niet op.
4.54.
Uit de door ASICS overgelegde stukken volgt dat over de eerste helft van 2023 ASICS voor door [gedaagde 4] en Gnothi retour gezonden producten een bedrag heeft gecrediteerd van € 227.171,--, en daarna (tot april 2024) nog een bedrag van € 96.742,77. Gnothi en [gedaagde 4] stellen, onder verwijzing naar zelf opgestelde facturen, weliswaar dat over 2023 nog bedragen verschuldigd zouden zijn van € 93.454,56 en € 100.844,26, maar zij onderbouwen op geen enkele wijze waarom ASICS dit naast de reeds door haar gecrediteerde bedragen nog verschuldigd is. Van een toerekenbare tekortkoming op dit punt aan de zijde van ASICS is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Opening winkels
4.55.
Gnothi en [gedaagde 4] stellen dat hen in 2022 werd geweigerd om winkels te openen in Grenoble, Aix en Provence en Clermont Ferrand. De rechtbank begrijpt dit verwijt zo dat ASICS volgens Gnothi en [gedaagde 4] tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen uit de Franchiseovereenkomst, omdat zij de opening van de winkels niet had mogen weigeren. Gnothi en [gedaagde 4] voeren echter niet aan waar in de Franchiseovereenkomst is geregeld dat ASICS de opening van winkels niet zou mogen weigeren. Dit is de rechtbank ook niet gebleken. In de Franchiseovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat over een periode van vijf jaar vijftien winkels zouden worden geopend. Dat er vijftien winkels zijn geopend wordt door Gnothi en [gedaagde 4] ook erkend. Waarom ASICS dan tekort zou zijn geschoten door niet akkoord te gaan met de opening van voornoemde drie winkels valt niet in te zien.
4.56.
Een ander verwijt dat Gnothi en [gedaagde 4] ASICS maken is dat ASICS haar bij de opening van de winkel in Nice-Etoile in juli 2023 had moeten waarschuwen dat de Franchiseovereenkomst in 2024 mogelijk niet zou worden verlengd. Dit verwijt gaat reeds niet op, omdat ASICS in haar brief van 20 september 2022 (productie 51) waarin zij instemt met de verhuizing van de winkel naar Nice-Etoille, expliciet heeft gewezen op het feit dat de Franchiseovereenkomst op 31 december 2023 van rechtswege zou eindigen, dat de evaluatieperiode waarin een beslissing over de verlening kan worden genomen twaalf maanden daarvoor start, en dat op dat moment dus nog niet kon worden bevestigd dat de overeenkomst zou worden verlengd.
4.57.
Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde verklaring voor recht dat ASICS verwijtbaar tekort is geschoten in de naleving van haar verplichtingen onder de Franchiseovereenkomst zal worden afgewezen.
Beëindiging/niet verlengen Franchiseovereenkomst
4.58.
[gedaagde 4] en Gnothi vorderen ook een verklaring voor recht dat ASICS de Franchiseovereenkomst op ongeldige wijze tegen eind 2023 heeft beëindigd wegens strijdigheid met de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel dat deze beëindiging jegens Gnothi en [gedaagde 4] onrechtmatig is.
4.59.
Voor zover [gedaagde 4] en Gnothi aan deze vordering ten grondslag leggen dat ASICS toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen, zij haar betalingsverplichtingen mocht opschorten en dit gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de non-verlenging van de Franchiseovereenkomst, gaat dit niet op. Zoals hiervoor bleek is van toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van ASICS geen sprake. ASICS mocht op grond van art. 27 van de Franchiseovereenkomst ook besluiten om de overeenkomst niet te verlengen, nu Gnothi en [gedaagde 4] hun (betalings)verplichtingen gedurende de looptijd van de overeenkomst niet tijdig nakwamen.
4.60.
Voor zover aan deze vordering ten grondslag wordt gelegd dat ASICS in de loop van 2023 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de Franchiseovereenkomst zou worden verlengd en zij door beëindiging/niet verlenging van de Franchiseovereenkomst in strijd met artikel 6:248 lid 1 en 2 BW heeft gehandeld, slaagt dit ook niet.
4.61.
Zoals hiervoor onder 4.56 is overwogen heeft ASICS al in september 2022 expliciet erop gewezen dat de Franchiseovereenkomst op 31 december 2023 van rechtswege zou eindigen, dat de evaluatieperiode waarin een beslissing over de verlening kan worden genomen twaalf maanden daarvoor start, en dat op dat moment dus nog niet kon worden bevestigd dat de overeenkomst zou worden verlengd. Verder is tussen partijen niet in geschil dat ASICS, na een gesprek op 12 december 2022, al bij brief van 23 december 2022 aan [gedaagde 4] en Gnothi heeft bericht dat zij gelet op de toen door Gnothi en [gedaagde 4] verschuldigde bedragen de Franchiseovereenkomst niet in haar huidige vorm kon verlengen en dat [gedaagde 4] en Gnothi dus hun schulden zouden moeten inlossen en/of financiële zekerheden moesten bieden. Vervolgens zijn partijen in overleg getreden over de voorwaarden waaronder de Franchiseovereenkomst kon worden verlengd. ASICS heeft meerdere malen een verbeterplan voorgesteld, inhoudende dat Gnothi en [gedaagde 4] de schuld moesten inlopen en garanties moesten stellen. Gnothi en [gedaagde 4] zijn hier steeds niet mee akkoord gegaan, en hebben tegenvoorstellen gedaan. De rechtbank constateert dat Gnothi en [gedaagde 4] ook inspanningen hebben gedaan om de schuld te verminderen en garanties te stellen, maar dat hiermee niet werd voldaan aan hetgeen ASICS verlangde en mocht verlangen. Bij brief van 30 oktober 2023 heeft ASICS dan ook aan Gnothi en [gedaagde 4] laten weten dat zij niet voldeden aan de voorwaarden van het door ASICS opgestelde verbeterplan. Vervolgens heeft ASICS op 31 oktober 2023 een e-mailbericht gestuurd waarin ASICS verklaart dat nog geen beslissing is genomen om de Franchiseovereenkomst niet te verlengen, en dat voor een verlenging ASICS meer duidelijkheid vereist is hoe [gedaagde 4] en Gnothi aan hun verplichtingen zullen voldoen. In reactie hierop hebben [gedaagde 4] en Gnothi op 5 november 2023 een voorstel gedaan. Bij brief van 20 december 2023 heeft ASICS kenbaar gemaakt dat een automatische verlenging niet mogelijk is, dat de franchiseovereenkomst op 31 december 2023 definitief zal eindigen en dat een afsluitperiode van zes maanden zal gelden op grond waarvan Gnothi en [gedaagde 4] aan hun verplichtingen uit hoofde van art. 29 Franchiseovereenkomst kunnen voldoen.
4.62.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat ASICS reeds ruim een jaar voordat de Franchiseovereenkomst zou aflopen in niet mis te verstane woorden duidelijk heeft gemaakt dat de overeenkomst niet zonder meer zou worden verlengd. Nadien heeft ASICS steeds duidelijke voorwaarden gesteld voor een eventuele verlenging van de Franchiseovereenkomst. Aan haar redelijke eisen, dat de schulden van Gnothi en [gedaagde 4] substantieel werden ingelopen en garanties werden gesteld, werd echter niet voldaan. Dit heeft ASICS op 30 oktober 2023 ook nog uitdrukkelijk bericht. Anders dan Gnothi en [gedaagde 4] stellen konden zij aan de daarop volgende mededeling van ASICS op 31 oktober 2023, dat nog geen beslissing is genomen om de Franchiseovereenkomst niet te verlengen, en dat voor een verlenging ASICS meer duidelijkheid vereist hoe [gedaagde 4] en Gnothi aan hun verplichtingen zullen voldoen, zeker niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de Franchiseovereenkomst wél zou worden verlengd. De uiteindelijke mededeling van ASICS op 20 december 2023 dat niet tot verlenging zou worden overgegaan acht de rechtbank, hoewel kort voor het einde van de looptijd van de overeenkomst gedaan, in het licht van het vorenstaande niet plotseling en ook niet onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht afwijzen.
Schadevergoeding
4.63.
De vordering van Gnothi en [gedaagde 4] om ASICS te veroordelen tot schadevergoeding veronderstelt dat sprake was van een ongeldige of onrechtmatige beëindiging van de Franchiseovereenkomst. Uit het voorgaande volgt dat daarvan geen sprake was. Ook deze vordering zal dus worden afgewezen.
Proceskosten
4.64.
Aangezien [gedaagde 4] en Gnothi in het ongelijk zijn gesteld moeten zij de proceskosten van ASICS betalen, die vanwege de verwevenheid met de vorderingen in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van ASICS worden begroot op € 614,00 voor salaris advocaat (2 punten × € 614,00 x 0,5) en € 100 voor nakosten = € 714,00.
4.65.
Ook de veroordeling ten aanzien van de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie:
in de procedure tegen RNB en Gnothi
5.1.
verstaat dat de procedure ten aanzien van RNB en Gnothi vanaf respectievelijk 28 november 2024 en 26 maart 2025 van rechtswege is geschorst op grond van het bepaalde in artikel 29 Fw, om alleen te worden voortgezet indien de verificatie van de vorderingen
wordt betwist,
5.2.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 1 april 2026,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de procedure tegen [gedaagde 4] en [gedaagde 2]
5.4.
veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 110.749,81, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de openstaande bedragen van de product- en royaltyfacturen genoemd onder 4.13 vanaf 120 dagen na de factuurdatum van de productfacturen en 30 dagen na de factuurdatum van de royaltyfacturen tot aan de dag der algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 10.877,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 4] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
gelast de griffier het door artikel 53 van de Verordening Brussel I-Bis voorgeschreven formulier in te vullen en aan dit vonnis te hechten,
5.8.
verklaart de veroordelingen onder 5.4, 5.5, 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst af het meer of anders ten aanzien van [gedaagde 4] en [gedaagde 2] gevorderde.
In reconventie:
5.10.
wijst de vorderingen af,
5.11.
veroordeelt [gedaagde 4] en Gnothi hoofdelijk in de proceskosten van € 714,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. S.A.M. Groot en mr. R.W. Keus en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0867.
2.Zie HvJ EU 6 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:398,