Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:8510

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
AMS 25/5422
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:21 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake bezwaar en compensatie toeslagjaar 2015

Verzoekster, gedupeerde van de Toeslagenaffaire, vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening die de minister van Financiën zou verplichten haar bezwaar over het toeslagjaar 2015 gegrond te verklaren en een dwangsom uit te betalen. Dit bezwaar was ingediend tegen een compensatiebesluit uit 2022.

Verzoekster had in juni 2024 een vaststellingsovereenkomst getekend met de Staat, waarin finale kwijting werd verleend en bezwaar- en beroepsprocedures werden ingetrokken. De minister beriep zich op deze overeenkomst, die onder begeleiding van Stichting Gelijkwaardig Herstel tot stand kwam.

De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks eerdere toezeggingen van een medewerker, de minister niet gehouden is het bezwaar alsnog te honoreren na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat verwachtingen uit interne communicatie nagekomen moeten worden. Daarnaast is de bestuursrechter niet bevoegd om te oordelen over de niet-uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent dwangsommen.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst en de beperkte bevoegdheid van de bestuursrechter.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5422

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Stoel),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Mulder en mr. F. Tarrahi).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt verweerder op te dragen het bezwaar van verzoekster van 10 november 2022 met betrekking tot het jaar 2015 gegrond te verklaren en haar compensatie toe te kennen voor dat toeslagjaar en verweerder op te dragen over te gaan tot uitbetaling van de dwangsom wegens niet tijdig beslissen die door de rechtbank op
4 juli 2023 is opgelegd.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feiten en omstandigheden

2.1.
Verzoekster is een gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft zich op
4 februari 2021 aangemeld bij verweerder voor een herbeoordeling van de situatie rondom de kinderopvangtoeslag.
2.2.
Met het primaire besluit van 10 oktober 2022 heeft verweerder een herbeoordeling gedaan van de kinderopvangtoeslag van verzoekster over de toeslagjaren 2009 tot en met 2016. Verweerder heeft aan haar een definitieve compensatie toegekend van € 42.478. Verzoekster heeft op 10 november 2022 bezwaar gemaakt tegen dit primaire besluit.
2.3.
Op 8 mei 2023 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld, vanwege het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Op 1 juni 2023 heeft verzoekster bij deze rechtbank een beroep niet-tijdig beslissen ingesteld. Met een uitspraak van 4 juli 2023 heeft deze rechtbank het beroep van verzoekster gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 11 september 2023 een beslissing te nemen. [1] Op 15 februari 2024 heeft verzoekster wederom een beroep niet-tijdig beslissen ingediend bij deze rechtbank.
2.4.
Op 3 juni 2024 heeft verzoekster, in een traject bij Stichting Gelijkwaardig Herstel, een vaststellingsovereenkomst getekend tegen finale kwijting. Met deze vaststellingsovereenkomst is aan verzoekster een compensatie toegekend van € 167.741.
In artikel 4, vierde lid, van deze vaststellingsovereenkomst staat dat door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst de gedupeerde vanaf de datum van ondertekening geen vervolg meer zal geven aan een aanhangige bezwaar- of beroepsprocedure tegen compensatiebesluiten in het kader van de Toeslagenaffaire en de hersteloperatie. In datzelfde artikel staat verder dat de gedupeerde door middel van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst te kennen heeft gegeven het bezwaar/beroep in te trekken en dat de vaststellingsovereenkomst kwalificeert als een schriftelijke intrekking in de zin van artikel 6:21 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.5.
Met een uitspraak van 27 februari 2025 heeft deze rechtbank het beroep niet-tijdig beslissen van verzoekster van 15 februari 2024 gegrond verklaard en geoordeeld dat verweerder binnen twee weken moet hebben beslist op het bezwaar van verzoekster. [2] Verweerder heeft in die zaak geen inhoudelijk verweer gevoerd.
2.6.
Verzoekster heeft op 22 september 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft partijen na de zitting een termijn gegeven om met elkaar in gesprek te gaan, om te bezien of onderling tot een overeenstemming kon worden gekomen. Partijen hebben na afloop van deze termijn laten weten geen overeenstemming te hebben bereikt. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak op het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Verzoek verweerder op te dragen een beslissing te nemen op het bezwaar over 2015
5.1.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoekster een vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend met de Staat der Nederlanden, waarin partijen hun geschillen over en weer tegen finale kwijting beëindigen. Verweerder beroept zich uitdrukkelijk op de tekst van die overeenkomst en heeft daarbij benadrukt dat die overeenkomst is vastgesteld na een zeer zorgvuldig traject van verzoekster en verweerder onder begeleiding van Stichting Gelijkwaardig Herstel.
5.2.
Uit het dossier volgt verder dat een medewerker van verweerder, voordat de vaststellingsovereenkomst was getekend, in contact is geweest met verzoekster over toekenning van compensatie over toeslagjaar 2015. Dat biedt steun aan het standpunt van verzoekster. Na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst heeft de medewerker echter laten weten niet meer over te kunnen gaan tot het toekennen van de compensatie, omdat verzoekster met het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst de aanhangige bezwaarprocedure heeft ingetrokken.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zelfs als wordt aangenomen dat door de medewerker toezeggingen zouden zijn gedaan aan verzoekster over toeslagjaar 2015, dat (anders dan verzoekster meent) niet wil zeggen dat verweerder zonder meer gehouden is die toezegging na te komen na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Dat intern bij verweerder iets fout is gegaan waardoor de medewerker niet op de hoogte was van het traject bij Stichting Gelijkwaardig Herstel, maakt ook niet dat verweerder na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst alsnog op het bezwaar dient te beslissen. Het vertrouwensbeginsel strekt namelijk niet zo ver dat gewekte verwachtingen zonder meer moeten worden nagekomen. Het kan wel leiden tot een plicht tot schadevergoeding. Dat eiseres als gevolg van de opstelling van de medewerker van verweerder schade heeft geleden is niet gesteld en ook niet aannemelijk, juist in het licht van het traject bij Stichting Gelijkwaardig Herstel. Dat traject beoogt immers tot een finale kwijting te komen. Er blijkt ook niet dat in het traject toeslagjaar 2015 niet is meegenomen. Verweerder heeft zelfs onbetwist gesteld dat dat er ook onderdeel van uitmaakte.
5.4.
Onder die omstandigheden mag verweerder verzoekster houden aan de ondubbelzinnige tekst van die overeenkomst, mede gelet op het traject van totstandkoming ervan. Dat traject vond ook niet plaats onder verweerders verantwoordelijkheid, maar onder regie van een (onpartijdige) derde, Stichting Gelijkwaardig Herstel.
5.5.
Er is dan ook geen reden om verweerder alsnog op te dragen te beslissen op het bezwaar van verzoekster met betrekking tot toeslagjaar 2015.
Dwangsom
6. Ten aanzien van het verzoek van verzoekster om verweerder op te dragen de dwangsom uit te betalen, conform de uitspraak van 27 februari 2025, overweegt de voorzieningenrechter dat bij de bestuursrechter alleen kan worden opgekomen tegen de rechtmatigheid van een besluit. [3] Tegen het niet-uitvoeren van een rechterlijke uitspraak kan verzoekster opkomen bij een burgerlijke rechter. De bestuursrechter is dan ook niet bevoegd om te oordelen over dit punt, en de (bestuursrechtelijke) voorzieningenrechter wijst ook dit deel van het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.AMS 23/2895.
2.AMS 24/1101.
3.Dit volgt uit artikel 8:1 en Pro verder van de Awb.