Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:8464

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
764148
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en bewijsopdracht gebruiksperiode CTP-machine

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van gebruiksvergoeding en rente voor het gebruik van een CTP-machine door gedaagde 2, met hoofdelijk aansprakelijkheid van gedaagde 1 als garantsteller. De kern van het geschil betreft de vraag of het gebruik van de machine op 20 november 2020 is gestopt, wat invloed heeft op de verschuldigde vergoeding.

Eiser stelt dat de gebruiksvergoeding over de volledige periode van 1 september tot en met 31 december 2020 verschuldigd is, terwijl gedaagde 2 betwist en stelt dat het gebruik al op 20 november 2020 is beëindigd. De rechtbank stelt dat de bewijslast voor het eerder stoppen bij gedaagde 2 ligt en dat het aangevoerde bewijs onvoldoende is om het gebruiksbeëindiging vast te stellen.

De rechtbank draagt gedaagde 2 op bewijs te leveren van het eerdere stoppen met gebruik, waarbij zij zich mag uitlaten over het bewijs en getuigen kan laten horen. Afhankelijk van het bewijs zal de vergoeding evenredig worden vastgesteld. De procedure wordt aangehouden tot het bewijs is geleverd en beoordeeld.

De buitengerechtelijke incassokosten worden geacht toewijsbaar te zijn, afhankelijk van het toe te wijzen hoofdsombedrag. De hoofdelijk aansprakelijkheid van gedaagde 1 blijft onbetwist. De zaak wordt voortgezet met een getuigenverhoor en verdere bewijslevering, waarna een definitieve beslissing volgt.

Uitkomst: De rechtbank draagt gedaagde 2 op bewijs te leveren dat het gebruik van de CTP-machine op 20 november 2020 is gestopt en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764148 / HA ZA 25-291
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.T. Zoutberg,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
niet verschenen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. M.A.J. Kemps,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 30 januari 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 23 april 2025,
- het tussenvonnis van 21 mei 2025, waarin de rechtbank de mondelinge behandeling heeft bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken, waarna de zaak twee weken is aangehouden voor overleg tussen [eiser] en [gedaagde 2] ,
- het nadien door [eiser] gedane verzoek om vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] houdt zich onder meer bezig met de verkoop en vervaardiging van drukwerk. [gedaagde 2] exploiteert een drukkerij. [gedaagde 1] is statutair bestuurder van [gedaagde 2] .
2.2.
In oktober 2020 hebben [eiser] en [gedaagde 2] een overeenkomst gesloten, waarin is bepaald dat [gedaagde 2] gerechtigd is om een CTP-machine van [eiser] te gebruiken van september tot en met december 2020 tegen betaling van € 4.392,30 (inclusief btw) per maand. Over de gebruiksvergoeding is een rente van 12% per jaar verschuldigd. Afgesproken is dat [gedaagde 2] het totaalbedrag van € 18.008,43 (met inbegrip van de over 2020 verschuldigde rente) uiterlijk op 1 februari 2020 betaalt of in twaalf maandelijkse termijnen. [eiser] en [gedaagde 2] hebben ook afgesproken dat [gedaagde 1] persoonlijk garant staat voor de nakoming van de op [gedaagde 2] rustende betalingsverplichting. Op de overeenkomst, vastgelegd in een geprinte e-mail van (de gemachtigde van) [eiser] , is de volgende handgeschreven tekst, voorzien van twee parafen, toegevoegd: “
Indien de CTPeerderniet meer wordt gebruikt dan zal het verbruik naar ratio verrekend worden.”
2.3.
Op 17 november 2021 heeft [eiser] per e-mail aan [gedaagde 2] verzocht om betaling van € 18.008,43. Op 25 november 2021 heeft [gedaagde 1] in een reactie laten weten dat de termijn niet klopt, omdat hij eerder is gestopt met de CTP-machine.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – na eiswijziging tijdens de mondelinge behandeling en samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van primair € 29.424,19 en subsidiair € 20.134,21, beide bedragen te vermeerderen met de contractuele vertragingsrente van 12% per jaar vanaf 1 januari 2025, en hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
Het primair gevorderde bedrag bestaat uit € 18.008,43 aan gebruiksvergoeding (inclusief rente tot 1 januari 2021), € 10.327,40 aan verschenen contractuele rente van 1 januari 2021 tot 1 januari 2025 en € 1.088,36 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het subsidiair gevorderde bedrag bestaat uit € 11.712,80 aan gebruiksvergoeding, € 7.454,73 aan verschenen contractuele rente van 1 september 2020 tot 1 januari 2025 en € 966,68 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[gedaagde 2] voert verweer. [gedaagde 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] voor zover deze een bedrag in hoofdsom van € 11.712,80 te boven gaan en te bepalen dat partijen hun eigen proceskosten dragen.
3.3.
[gedaagde 1] is niet verschenen in de procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat de handgeschreven toevoeging deel is van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [eiser] en [gedaagde 2] zijn het er over eens dat op grond van de overeenkomst de door [gedaagde 2] verschuldigde gebruiksvergoeding evenredig wordt verminderd indien het gebruik van de CTP-machine door [gedaagde 2] eerder dan 31 december 2020 is gestopt.
4.2.
Het enige geschilpunt tussen partijen is wanneer het gebruik van de CTP-machine door [gedaagde 2] is gestopt. [gedaagde 2] voert aan dat zij met ingang van 20 november 2020 geen gebruik meer heeft gemaakt van de CTP-machine en dat zij daarom alleen over de periode van 1 september 2020 tot en met 20 november 2020 een gebruiksvergoeding verschuldigd is. [eiser] betwist dat [gedaagde 2] het gebruik van de CTP-machine op 20 november 2020 heeft gestaakt en stelt zich op het standpunt dat de gebruiksvergoeding over de periode van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020 is verschuldigd.
4.3.
Nu [gedaagde 2] zich beroept op het rechtsgevolg van het eerder gestopt zijn met het gebruik van de CTP-machine, rust de bewijslast van het eerder stoppen met het gebruik van de CTP-machine op [gedaagde 2] . Wat [gedaagde 2] hierover heeft aangevoerd, is – mede gelet op het standpunt van [eiser] over het gebruik – onvoldoende om te kunnen vaststellen of [gedaagde 2] op 20 november 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine. [gedaagde 2] heeft een bewijsaanbod gedaan en zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling.
4.4.
De rechtbank zal [gedaagde 2] opdragen te bewijzen dat zij op 20 november 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine. Zij mag zich op de rol van
woensdag 5 november 2025uitlaten over het door haar te leveren bewijs.
4.5.
Als [gedaagde 2] slaagt in het bewijs, dan dient [gedaagde 2] een naar gebruik evenredige vergoeding te betalen aan [eiser] . Niet in geschil is dat die vergoeding dan € 11.712,80 bedraagt. Met inbegrip van de tot en met 2024 verschuldigde rente moet [gedaagde 2] dan € 19.167,53 betalen aan [eiser] , te vermeerderen met de contractuele rente van 12% per jaar vanaf 1 januari 2025.
4.6.
Als [gedaagde 2] niet slaagt in het bewijs, dan zal een bedrag van € 28.335,83, vermeerderd met de contractuele rente van 12% per jaar vanaf 1 januari 2025, worden toegewezen.
4.7.
In beide gevallen zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor het toewijsbare bedrag, omdat niet ter discussie staat dat [gedaagde 1] zich in de overeenkomst garant heeft gesteld voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van [gedaagde 2] .
4.8.
De door [eiser] mede gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar met inachtneming van het in het Besluit vermelde tarief en is mede afhankelijk van het toe te wijzen bedrag in hoofdsom.
4.9.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing in deze zaak aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
draagt [gedaagde 2] op te bewijzen dat zij op 20 november 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 5 november 2025voor uitlating door [gedaagde 2] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [gedaagde 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [gedaagde 2]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
december 2025 tot en met maart 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.T. Kruis, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.