Eiser is sinds januari 2025 eigenaar van een woning en wil een uitbouw aan de achtergevel realiseren, waartegen gedaagde bezwaar maakt. Eiser vordert onder meer het recht om de uitbouw te plaatsen en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van gedaagde. Gedaagde voert verweer en vordert onder meer het erkennen van erfdienstbaarheden en het opleggen van beperkingen aan eiser.
In het incident vordert gedaagde dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van eiser kennis te nemen, omdat de waarde van de vorderingen de bevoegdheid van de kantonrechter overstijgt. Eiser betwist dit, maar de kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van eiser waarschijnlijk een waarde boven € 25.000 vertegenwoordigen, mede gelet op de kosten van de uitbouw en de mogelijke schadevergoeding.
De kantonrechter wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe, veroordeelt eiser in de proceskosten van gedaagde en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. Vervolgens verwijst de kantonrechter de hoofdzaak en het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen naar de handelskamer van de rechtbank Amsterdam, met de mededeling dat partijen zich voortaan door een advocaat moeten laten vertegenwoordigen.