Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen productie 33 van The Vectory omdat die productie pas op de mondelinge behandeling in het geding is gebracht (zie hierna onder r.o. 4.7).
Bij de mondelinge behandeling waren – voor zover van belang – aanwezig:
Na verder debat is vonnis bepaald op 13 november 2025. Nadien zijn partijen ervan in kennis gesteld dat op 6 november 2025 vonnis wordt gewezen.
2.De feiten
2.2. In september 2024 is [naam 1] in contact gekomen met [naam 2] , enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] . Partijen zijn met ingang van 1 oktober 2024 gaan samenwerken.
Namens The Vectory B.V., betaling uitsluitend voor gecedeerde CP Sports Marketing vordering – geen erkenning andere aanspraken.
3.Het geschil
I. opheffing van de door [gedaagde] ten laste van The Vectory gelegde beslagen onder ABN AMRO, Frontrunners en Goodhunt;
II. dan wel opheffing van die beslagen voor zover zij geen doel hebben getroffen of vexatoir of disproportioneel zijn;
III. [gedaagde] te veroordelen, op straffe van dwangsommen, om aan alle derden onder wie de beslagen zijn gelegd mededeling te doen van de opheffing van die beslagen;
IV. [gedaagde] te verbieden, op straffe van dwangsommen, opnieuw beslag te leggen ten laste van The Vectory ter zake van dezelfde of daarmee samenhangende vorderingen;
V. [gedaagde] te verbieden, op straffe van dwangsommen, om zich in het openbaar of binnen het zakelijk netwerk van The Vectory smadelijk, lasterlijk of anderszins negatief uit te laten over The Vectory en haar bestuurder;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten, waaronder de advocaatkosten tot op heden begroot op € 12.429,12.
Verder kwam het The Vectory meermaals ter ore dat [gedaagde] actief het netwerk van The Vectory aan het benaderen is en zich hierbij onrechtmatig uitlaat over The Vectory in die zin dat The Vectory niet te vertrouwen is. Dit schaadt de reputatie en de continuïteit van The Vectory en moet [gedaagde] verboden worden.
Tot slot maakt The Vectory aanspraak op een vergoeding van de werkelijke proceskosten omdat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Zij heeft het beslagverlof verkregen op basis van tal van feitelijke onjuistheden. [gedaagde] wist of behoorde te weten dat haar vordering ondeugdelijk is.
4.De beoordeling
(€ 8.000,- plus 21% btw) factureert,
mits[gedaagde] ten behoeve van The Vectory het dubbele bedrag – dus € 16.000,- exclusief btw – aan omzet zou genereren uit het netwerk van [gedaagde] . In dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten, kan niet worden vastgesteld wie van partijen gelijk heeft. Dit zal in de bodemprocedure moeten worden uitgezocht.
(1) Op 1 oktober 2024, dus bij het aangaan van de samenwerking, heeft [naam 2] aan [naam 1] gemaild (zie productie 31):
“
Jouw aanbod van EUR 8K per maand is voor mij genoeg om me volledig te committeren. Nadrukkelijk zolang de cash flow het aankan en uiteraard hebben we targets en is het de bedoeling dat binnen afzienbare termijn we via een performance bonus ik mezelf meer dan terug verdien.”
Hieruit kan worden afgeleid dat de betalingsafspraak omzetafhankelijk is.
(2) De facturen die [gedaagde] voor oktober, november en december 2025 heeft verzonden zijn (grotendeels) niet betaald en [gedaagde] heeft daar op dat moment geen werk van gemaakt. Er zijn in die periode geen aanmaningen of sommaties gestuurd. Dit kan erop duiden, zoals The Vectory heeft aangevoerd, dat [gedaagde] die facturen alleen stuurde “om haar eigen boekhouding kloppend te houden” en niet om daadwerkelijk betaling te bewerkstelligen.
(3) Pas toen de afspraken over een nieuwe samenwerkingsvorm tot niets leidden, ging [gedaagde] aanspraak maken op betaling van de facturen. De facturen voor de maanden januari tot mei 2025 heeft [gedaagde] immers niet in die periode verzonden maar pas op 14 augustus 2025, dus na de escalatie van het conflict met The Vectory. Ook dit duidt erop dat ook [gedaagde] aanvankelijk van mening was dat alleen omzetafhankelijk mocht worden gefactureerd.
(4) [gedaagde] heeft in dit kort geding niet aangetoond (of aannemelijk gemaakt) dat zij ooit enige omzet voor The Vectory heeft gegenereerd. [naam 2] was ook maar enkele uren per week op het kantoor van The Vectory aanwezig. De afspraak die [gedaagde] stelt te hebben gemaakt kent dus een gebrek aan economische en zakelijke logica.
(5) Op 4 augustus 2025 heeft [gedaagde] aan The Vectory het aanbod gedaan (zie
productie 8) om haar gehele vordering te laten vallen tegen betaling van € 20.000,-. Indien [gedaagde] er daadwerkelijk van overtuigd was dat zij van oktober 2024 tot mei 2025 recht zou hebben op € 8.000,- per maand (exclusief btw) dan had zij dit aanbod niet gedaan.
(6) [naam 4] en [naam 5] , destijds verbonden aan The Vectory, hebben beiden schriftelijk verklaard (zie producties 23 en 24) dat zij meermaals van [naam 2] hebben vernomen dat hij minimaal twee keer zijn eigen maandelijkse kosten aan omzet voor The Vectory moest binnenhalen.
(7) De schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen The Vectory en [gedaagde] die [gedaagde] op de valreep in het geding heeft gebracht (productie 5) kent [naam 1] niet en is
nietondertekend door partijen. Dat in die overeenkomst staat dat opdrachtgever aan opdrachtnemer € 8.000,- exclusief btw per maand betaalt, zegt dus niets. Bovendien bevreemdt het dat de desbetreffende bepaling in een ander lettertype is afgedrukt. Dit duidt op gesjoemel met die overeenkomst.
(1) Aan de hand van haar producties 8 en 9 heeft [gedaagde] aangetoond dat zij de facturen voor januari tot en met maart 2025 op 3 april 2025 heeft verzonden en haar factuur voor april 2025 op 8 mei 2025. Het is dus niet juist, aldus [gedaagde] , dat zij die facturen pas op 14 augustus 2025 heeft verzonden. [gedaagde] heeft haar facturen bovendien naar het juiste (door The Vectory opgegeven) e-mailadres verzonden (zie productie 7).
(2) Uit een e-mail van 2 mei 2025 (productie 2) van [naam 1] aan [naam 2] volgt dat The Vectory de vordering van [gedaagde] heeft erkend. Hierin staat onder meer: “
Uiteraard zijn ook jouw facturen onderdeel van de 100k met the Vectory.”
(3) In een e-mail van 12 juni 2025 (productie 3) heeft [naam 1] aan (onder meer) [naam 2] een voorstel gestuurd om de facturen die nog openstaan bij The Vectory in te lopen. Ook dit houdt een erkenning van de vordering in.
(4) Uit een WhatsAppgesprek tussen [naam 1] en [naam 2] (productie 4) blijkt dat [naam 1] de op dat moment openstaande facturen van [gedaagde] (€ 20.000,-) serieus neemt.
(5) In november 2024 heeft een deelbetaling plaatsgevonden van € 4.000,- zonder dat The Vectory hieraan de voorwaarde stelde dat [gedaagde] een bepaalde omzet moest hebben behaald.
(6) De als productie 5 in het geding gebrachte overeenkomst van opdracht bevat geen omzetafhankelijke vergoeding. Dat die overeenkomst niet is ondertekend is niet van belang omdat The Vectory aan die overeenkomst uitvoering heeft gegeven en de vordering heeft erkend.
(7) Als productie 10 heeft [gedaagde] diverse aanmaningen in het geding gebracht, ook ten aanzien van de facturen uit 2024, waaruit volgt dat [gedaagde] wel degelijk heeft geprotesteerd tegen het uitblijven van de betalingen van The Vectory.
(8) Als productie 6 heeft [gedaagde] twee verklaringen in het geding gebracht van [naam 3] en [naam 6] waaruit onder meer volgt dat de bijdrage van [naam 2] van grote waarde was voor de commerciële koers en uitvoering van de onderneming.
“
Het team zou er maar voor moeten zorgen dat er omzet werd behaald en dat daarmee de facturen konden worden betaald.”
Mede op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat mocht er al sprake zijn van schending van artikel 21 Rv Pro, die schending niet zodanig ernstig is dat dit tot opheffing van de beslagen moet leiden.
5.De beslissing
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.