ECLI:NL:RBAMS:2025:8367

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
C/13/777265 / KG ZA 25-851
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag wegens onvoldoende summiere ondeugdelijkheid

The Vectory vordert opheffing van conservatoir beslag dat [gedaagde] op haar heeft gelegd wegens een geschil over de hoogte en bestaansgrond van facturen voor diensten geleverd tussen oktober 2024 en mei 2025. The Vectory stelt dat de overeengekomen vergoeding omzetafhankelijk was en dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is.

[gedaagde] betwist dit en voert aan dat de facturen correct zijn verzonden en erkend door The Vectory. De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld wie gelijk heeft, omdat beide partijen aanwijzingen hebben die hun standpunt ondersteunen. Daarom is niet voldaan aan de vereiste summierlijke ondeugdelijkheid om het beslag op te heffen.

Ook de stelling dat [gedaagde] de waarheidsplicht in het beslagrekest heeft geschonden wordt niet voldoende bewezen om het beslag op te heffen. De vordering tot verbod op negatieve uitlatingen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. The Vectory wordt veroordeeld in de proceskosten. De vordering waarvoor beslag is gelegd wordt herbegroot op € 80.000,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en The Vectory wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/777265 / KG ZA 25-851 EAM/MV
Vonnis in kort geding van 6 november 2025
in de zaak van
THE VECTORY B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij bij dagvaarding van 22 oktober 2025,
hierna te noemen: The Vectory,
advocaat: mr. B.J.G. Sap,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.C.M. Nuiten.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 30 oktober 2025 heeft The Vectory de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen productie 33 van The Vectory omdat die productie pas op de mondelinge behandeling in het geding is gebracht (zie hierna onder r.o. 4.7).
Bij de mondelinge behandeling waren – voor zover van belang – aanwezig:
aan de zijde van The Vectory: [naam 1] (via een digitale verbinding) met mr. Sap;
aan de zijde van [gedaagde] : [naam 2] met mr. Nuiten.
Na verder debat is vonnis bepaald op 13 november 2025. Nadien zijn partijen ervan in kennis gesteld dat op 6 november 2025 vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
The Vectory is een sportmarketing- en partnershipbureau. Haar klanten bestaan voor een groot deel uit sportbonden die The Vectory begeleidt bij het zoeken naar sponsoren. The Vectory haalt haar omzet onder meer uit het opstellen van marketingstrategieën en uit een percentage over gesloten sponsordeals. The Vectory heeft geen werknemers in dienst maar werkt met freelancers. [naam 1] is indirect bestuurder van The Vectory en uiteindelijk belanghebbende.
2.2. In september 2024 is [naam 1] in contact gekomen met [naam 2] , enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] . Partijen zijn met ingang van 1 oktober 2024 gaan samenwerken.
2.3.
In oktober, november en december 2024 heeft [gedaagde] facturen gestuurd naar The Vectory ter hoogte van € 9.680,- per maand (€ 8.000,- plus 21% btw). Begin november 2024 heeft The Vectory € 4.000,- betaald aan [gedaagde] .
2.4.
Vanaf maart 2025 is tussen [naam 1] , [naam 2] en een aantal overige freelancers gesproken over het oprichten van een nieuwe vennootschap waarin zij hun werkzaamheden zouden onderbrengen en waarin zij als aandeelhouders zouden fungeren, maar die gesprekken hebben tot niets geleid.
2.5.
Per 1 mei 2025 heeft The Vectory alle overeenkomsten met haar freelancers, ook die met [gedaagde] , opgezegd.
2.6.
[gedaagde] heeft The Vectory vier facturen gestuurd ter hoogte van € 9.680,- per maand (€ 8.000,- plus 21% btw) over de maanden januari tot en met april 2025. Deze facturen, alsmede de onder 2.3 genoemde facturen zijn niet door The Vectory voldaan (met uitzondering van het onder 2.3 genoemde bedrag van € 4.000,-).
2.7.
Op 27 augustus 2025 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verzocht om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van The Vectory. In het beslagrekest is opgenomen dat [gedaagde] per 1 oktober 2024 een overeenkomst van opdracht is aangegaan met The Vectory, dat die overeenkomst is geëindigd per 1 mei 2025 en dat een vaste vergoeding is overeengekomen van € 9.680,- inclusief btw per maand. Volgens het beslagrekest staat van de verzonden facturen nog een bedrag van € 63.720,- open. Daarnaast maakt het beslagrekest er melding van dat [naam 3] (CP Sports Marketing) eveneens beschikt over een vordering op The Vectory (ter hoogte van € 7.260,-) en dat die vordering door middel van een akte van cessie is overgedragen aan [gedaagde] . De totale vordering op The Vectory bedraagt € 70.980,-, aldus het beslagrekest van [gedaagde] . Verzocht is derdenbeslag te leggen onder ABN AMRO en onder Frontrunners B.V. (hierna Frontrunners).
2.8.
Op 28 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend. De vordering is hierbij begroot op € 90.000,- met inbegrip van rente en kosten. Bepaald is dat de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld binnen veertien dagen na het eerste beslag. Eveneens op 28 augustus 2025 is het beslag onder ABN AMRO en Frontrunners gelegd.
2.9.
Op 29 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] (op basis van een gelijkluidend verzoek) nogmaals verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van The Vectory, ditmaal onder Goodhunt Consulting B.V. (hierna Goodhunt). Dit beslag is gelegd op 1 september 2025.
2.10.
Bij brief van 3 september 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] The Vectory gesommeerd om de openstaande facturen te betalen.
2.11.
Bij brief van 17 september 2025 heeft de advocaat van The Vectory de vordering van [gedaagde] weersproken. Volgens de brief heeft [gedaagde] in haar beslagrekest de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro geschonden. [gedaagde] is gesommeerd de conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang op te heffen.
2.12.
Bij brief van 22 september 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] bericht dat het beslag blijft gehandhaafd (tenzij The Vectory de openstaande vordering voldoet of een aanvaardbare zekerheid stelt).
2.13.
Op 21 oktober 2025 is aan [gedaagde] het bedrag van € 7.260,- overgemaakt. Bij de omschrijving staat:
Namens The Vectory B.V., betaling uitsluitend voor gecedeerde CP Sports Marketing vordering – geen erkenning andere aanspraken.

3.Het geschil

3.1.
The Vectory vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. opheffing van de door [gedaagde] ten laste van The Vectory gelegde beslagen onder ABN AMRO, Frontrunners en Goodhunt;
II. dan wel opheffing van die beslagen voor zover zij geen doel hebben getroffen of vexatoir of disproportioneel zijn;
III. [gedaagde] te veroordelen, op straffe van dwangsommen, om aan alle derden onder wie de beslagen zijn gelegd mededeling te doen van de opheffing van die beslagen;
IV. [gedaagde] te verbieden, op straffe van dwangsommen, opnieuw beslag te leggen ten laste van The Vectory ter zake van dezelfde of daarmee samenhangende vorderingen;
V. [gedaagde] te verbieden, op straffe van dwangsommen, om zich in het openbaar of binnen het zakelijk netwerk van The Vectory smadelijk, lasterlijk of anderszins negatief uit te laten over The Vectory en haar bestuurder;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten, waaronder de advocaatkosten tot op heden begroot op € 12.429,12.
3.2.
The Vectory legt aan haar vorderingen – kort gezegd – ten grondslag dat de afspraak om € 9.680,- per maand (€ 8.000,- plus 21% btw) te betalen niet is gemaakt. De afspraak die wel is gemaakt hield in dat [gedaagde] alleen € 8.000,- per maand (plus 21% btw) zou mogen factureren indien zij het dubbele bedrag – dus € 16.000,- exclusief btw – aan omzet zou genereren uit haar eigen netwerk. [gedaagde] heeft nooit enige omzet gegenereerd voor The Vectory. The Vectory heeft begin november 2024 € 4.000,- betaald om [gedaagde] te helpen in haar liquiditeitspositie. Dit is slechts gedaan vooruitlopend op de nog te genereren omzet. De vordering van [gedaagde] is dus summierlijk ondeugdelijk als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv Pro. Daarnaast moeten de beslagen worden opgeheven omdat [gedaagde] in haar beslagrekest in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld.
Verder kwam het The Vectory meermaals ter ore dat [gedaagde] actief het netwerk van The Vectory aan het benaderen is en zich hierbij onrechtmatig uitlaat over The Vectory in die zin dat The Vectory niet te vertrouwen is. Dit schaadt de reputatie en de continuïteit van The Vectory en moet [gedaagde] verboden worden.
Tot slot maakt The Vectory aanspraak op een vergoeding van de werkelijke proceskosten omdat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Zij heeft het beslagverlof verkregen op basis van tal van feitelijke onjuistheden. [gedaagde] wist of behoorde te weten dat haar vordering ondeugdelijk is.
3.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro kan de opheffing van een conservatoir beslag worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
4.2.
Kern van het geschil tussen partijen is de vraag wat tussen [naam 1] en [naam 2] is afgesproken. Volgens [gedaagde] is de afspraak gemaakt dat zij maandelijks, met ingang van 1 oktober 2024, € 9.680,- (€ 8.000,- plus 21% btw) factureert voor de werkzaamheden die zij als opdrachtnemer voor The Vectory verricht. Volgens The Vectory is de afspraak gemaakt dat [gedaagde] maandelijks, met ingang van 1 oktober 2024, € 9.680,-
(€ 8.000,- plus 21% btw) factureert,
mits[gedaagde] ten behoeve van The Vectory het dubbele bedrag – dus € 16.000,- exclusief btw – aan omzet zou genereren uit het netwerk van [gedaagde] . In dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten, kan niet worden vastgesteld wie van partijen gelijk heeft. Dit zal in de bodemprocedure moeten worden uitgezocht.
4.3.
Voor beantwoording van de vraag of de vordering van [gedaagde] summierlijk (on)deugdelijk is in de zin van artikel 705 lid 2 Rv Pro en dus voor de vraag of de conservatoire beslagen moeten worden opgeheven, beschikken beide partijen over aanwijzingen die in hun voordeel pleiten.
4.4.
De aanwijzingen waarover The Vectory beschikt zijn de volgende.
(1) Op 1 oktober 2024, dus bij het aangaan van de samenwerking, heeft [naam 2] aan [naam 1] gemaild (zie productie 31):

Jouw aanbod van EUR 8K per maand is voor mij genoeg om me volledig te committeren. Nadrukkelijk zolang de cash flow het aankan en uiteraard hebben we targets en is het de bedoeling dat binnen afzienbare termijn we via een performance bonus ik mezelf meer dan terug verdien.
Hieruit kan worden afgeleid dat de betalingsafspraak omzetafhankelijk is.
(2) De facturen die [gedaagde] voor oktober, november en december 2025 heeft verzonden zijn (grotendeels) niet betaald en [gedaagde] heeft daar op dat moment geen werk van gemaakt. Er zijn in die periode geen aanmaningen of sommaties gestuurd. Dit kan erop duiden, zoals The Vectory heeft aangevoerd, dat [gedaagde] die facturen alleen stuurde “om haar eigen boekhouding kloppend te houden” en niet om daadwerkelijk betaling te bewerkstelligen.
(3) Pas toen de afspraken over een nieuwe samenwerkingsvorm tot niets leidden, ging [gedaagde] aanspraak maken op betaling van de facturen. De facturen voor de maanden januari tot mei 2025 heeft [gedaagde] immers niet in die periode verzonden maar pas op 14 augustus 2025, dus na de escalatie van het conflict met The Vectory. Ook dit duidt erop dat ook [gedaagde] aanvankelijk van mening was dat alleen omzetafhankelijk mocht worden gefactureerd.
(4) [gedaagde] heeft in dit kort geding niet aangetoond (of aannemelijk gemaakt) dat zij ooit enige omzet voor The Vectory heeft gegenereerd. [naam 2] was ook maar enkele uren per week op het kantoor van The Vectory aanwezig. De afspraak die [gedaagde] stelt te hebben gemaakt kent dus een gebrek aan economische en zakelijke logica.
(5) Op 4 augustus 2025 heeft [gedaagde] aan The Vectory het aanbod gedaan (zie
productie 8) om haar gehele vordering te laten vallen tegen betaling van € 20.000,-. Indien [gedaagde] er daadwerkelijk van overtuigd was dat zij van oktober 2024 tot mei 2025 recht zou hebben op € 8.000,- per maand (exclusief btw) dan had zij dit aanbod niet gedaan.
(6) [naam 4] en [naam 5] , destijds verbonden aan The Vectory, hebben beiden schriftelijk verklaard (zie producties 23 en 24) dat zij meermaals van [naam 2] hebben vernomen dat hij minimaal twee keer zijn eigen maandelijkse kosten aan omzet voor The Vectory moest binnenhalen.
(7) De schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen The Vectory en [gedaagde] die [gedaagde] op de valreep in het geding heeft gebracht (productie 5) kent [naam 1] niet en is
nietondertekend door partijen. Dat in die overeenkomst staat dat opdrachtgever aan opdrachtnemer € 8.000,- exclusief btw per maand betaalt, zegt dus niets. Bovendien bevreemdt het dat de desbetreffende bepaling in een ander lettertype is afgedrukt. Dit duidt op gesjoemel met die overeenkomst.
4.5.
De aanwijzingen waarover [gedaagde] beschikt zijn de volgende.
(1) Aan de hand van haar producties 8 en 9 heeft [gedaagde] aangetoond dat zij de facturen voor januari tot en met maart 2025 op 3 april 2025 heeft verzonden en haar factuur voor april 2025 op 8 mei 2025. Het is dus niet juist, aldus [gedaagde] , dat zij die facturen pas op 14 augustus 2025 heeft verzonden. [gedaagde] heeft haar facturen bovendien naar het juiste (door The Vectory opgegeven) e-mailadres verzonden (zie productie 7).
(2) Uit een e-mail van 2 mei 2025 (productie 2) van [naam 1] aan [naam 2] volgt dat The Vectory de vordering van [gedaagde] heeft erkend. Hierin staat onder meer: “
Uiteraard zijn ook jouw facturen onderdeel van de 100k met the Vectory.
(3) In een e-mail van 12 juni 2025 (productie 3) heeft [naam 1] aan (onder meer) [naam 2] een voorstel gestuurd om de facturen die nog openstaan bij The Vectory in te lopen. Ook dit houdt een erkenning van de vordering in.
(4) Uit een WhatsAppgesprek tussen [naam 1] en [naam 2] (productie 4) blijkt dat [naam 1] de op dat moment openstaande facturen van [gedaagde] (€ 20.000,-) serieus neemt.
(5) In november 2024 heeft een deelbetaling plaatsgevonden van € 4.000,- zonder dat The Vectory hieraan de voorwaarde stelde dat [gedaagde] een bepaalde omzet moest hebben behaald.
(6) De als productie 5 in het geding gebrachte overeenkomst van opdracht bevat geen omzetafhankelijke vergoeding. Dat die overeenkomst niet is ondertekend is niet van belang omdat The Vectory aan die overeenkomst uitvoering heeft gegeven en de vordering heeft erkend.
(7) Als productie 10 heeft [gedaagde] diverse aanmaningen in het geding gebracht, ook ten aanzien van de facturen uit 2024, waaruit volgt dat [gedaagde] wel degelijk heeft geprotesteerd tegen het uitblijven van de betalingen van The Vectory.
(8) Als productie 6 heeft [gedaagde] twee verklaringen in het geding gebracht van [naam 3] en [naam 6] waaruit onder meer volgt dat de bijdrage van [naam 2] van grote waarde was voor de commerciële koers en uitvoering van de onderneming.
4.6.
Uit r.o. 4.4 kan weliswaar worden afgeleid dat The Vectory beschikt over aanwijzingen ter ondersteuning van haar standpunt, maar aangezien [gedaagde] eveneens beschikt over aanwijzingen die het standpunt van [gedaagde] ondersteunen, kan niet worden geoordeeld dat de vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv Pro. Dit kan dus niet leiden tot opheffing van de beslagen en tot toewijzing van de overige vorderingen die verband houden met het beslag (de vorderingen II., III. en IV.).
4.7.
Over productie 33 wordt (ten overvloede) nog overwogen dat The Vectory hiermee heeft geprobeerd aan te tonen dat [gedaagde] heeft gesjoemeld met de data waarop zij de facturen voor de eerste vier maanden van 2025 heeft verzonden. Omdat in dit kort geding – ook na bestudering van productie 33 – niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] heeft ‘gesjoemeld’ heeft [gedaagde] er geen belang bij dat die productie buiten beschouwing wordt gelaten.
4.8.
Over het al dan niet schenden van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv Pro) door [gedaagde] in haar beslagrekest, wordt het volgende overwogen. Onder punt 7 van het beslagrekest staat dat The Vectory de facturen niet heeft betwist, hetgeen niet geheel juist voorkomt. Onder punt 18 tot en met 24 is het verweer van The Vectory opgenomen. Hier is niet expliciet vermeld dat volgens The Vectory de afspraak inhield dat [gedaagde] alleen € 8.000,- per maand (plus 21% btw) zou mogen factureren indien zij het dubbele bedrag – dus € 16.000,- exclusief btw – aan omzet zou genereren uit haar eigen netwerk. Het is echter maar de vraag of The Vectory dit verweer reeds expliciet kenbaar had gemaakt op het moment van opstellen van het beslagrekest. Wat hiervan zij, in punt 20 van het beslagrekest is over het verweer van The Vectory wel vermeld:

Het team zou er maar voor moeten zorgen dat er omzet werd behaald en dat daarmee de facturen konden worden betaald.
Mede op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat mocht er al sprake zijn van schending van artikel 21 Rv Pro, die schending niet zodanig ernstig is dat dit tot opheffing van de beslagen moet leiden.
4.9.
Ook een afweging van belangen leidt niet tot opheffing van de beslagen. Onder de punten 91 tot en met 96 van de dagvaarding is opgenomen dat het beslag onder Frontrunners geen doel heeft getroffen en dat het beslag onder Goodhunt slechts beperkt doel heeft getroffen. Ook is hier opgenomen dat The Vectory geen bankrekening aanhoudt bij ABN AMRO. Dit maakt dat het belang van The Vectory bij opheffing van de beslagen niet groot lijkt omdat haar bedrijfsactiviteiten niet of amper worden getroffen door de beslagen. Daar staat tegenover dat [gedaagde] het enige beetje zekerheid dat haar vorderingen (gedeeltelijk) betaald zullen worden, verliest bij opheffing van de beslagen.
4.10.
De vordering waarvoor beslag is gelegd is gedeeltelijk voldaan. Op 21 oktober 2025 is aan [gedaagde] immers het bedrag van € 7.260,- overgemaakt (zie 2.13). Dit betreft de door CP Sports Marketing gecedeerde vordering. De vordering waarvoor het beslag is gelegd zal daarom worden herbegroot op € 80.000,- (inclusief rente en kosten). Dit betekent dat, mocht The Vectory zekerheid (bijvoorbeeld een bankgarantie) willen stellen ter opheffing van de beslagen, die zekerheid een waarde moet hebben van € 80.000,-.
4.11.
Vordering V. ziet erop [gedaagde] te verbieden, op straffe van dwangsommen, om zich in het openbaar of binnen het zakelijk netwerk van The Vectory smadelijk, lasterlijk of anderszins negatief uit te laten over The Vectory en haar bestuurder. Ook die vordering wordt niet toegewezen. Die vordering is slechts onderbouwd met één WhatsAppbericht (productie 30) waarin niets smadelijks staat. Dit rechtvaardigt geenszins een beperking op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] (en haar bestuurder).
4.12.
The Vectory is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
herbegroot de vordering waarvoor beslag is gelegd op € 80.000,- (inclusief rente en kosten),
5.2.
veroordeelt The Vectory in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als The Vectoy niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.
Coll: BB