ECLI:NL:RBAMS:2025:8318

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
13/148461-25 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en specialiteitsbeginsel

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in 1977 in Polen, was zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en was op dat moment gedetineerd. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak in verschillende zittingen voortgezet, waarbij de detentieomstandigheden in Polen en het specialiteitsbeginsel aan de orde kwamen. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak meerdere keren verlengd en heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon ook verlengd. In de tussenuitspraak van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank de Poolse autoriteiten gevraagd om garanties te geven over de detentieomstandigheden, met name of de opgeëiste persoon dagelijks ten minste twee uur buiten zijn cel kan doorbrengen. De Poolse autoriteiten hebben deze garantie op 13 oktober 2025 gegeven. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het risico op onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden was weggenomen door deze garantie. De rechtbank heeft ook het verweer van de raadsman verworpen dat er een risico bestond op schending van het specialiteitsbeginsel. Uiteindelijk heeft de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toegestaan voor de feiten zoals beschreven in het EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/148461-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 2 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 april 2025 door de
Regional Court in Poznan, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon],
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 29 juli 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 juli 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak 12 augustus 2025
Op 12 augustus 2025 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak [3] het onderzoek ter zitting heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Poolse autoriteiten te vragen of kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon per dag in ieder geval tenminste twee uur buiten zijn cel kan doorbrengen.
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding verlengd met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 17 september 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 17 september 2025, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon was niet aanwezig. Zijn raadsman is verschenen en was gemachtigd.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd, omdat onduidelijk was waar de opgeëiste persoon op dat moment was en of hij gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22 van de OLW zou moeten doen met 30 dagen verlengd.
Zitting 15 oktober 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling van de rechtbank voortgezet op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met dertig dagen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 12 augustus 2025

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 12 augustus 2025 [4] al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de dubbele strafbaarheid van de feiten, het beroep van de opgeëiste persoon op artikel 6a OLW, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW en over artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
4.1
Detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen over de Poolse detentieomstandigheden in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025 waarin onder meer is geoordeeld dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid eerst in een
remand regimezal worden geplaatst. Voor gedetineerden die in een
remand regimekomen is een algemeen gevaar van schending van de grondrechten aangenomen. De rechtbank heeft de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag aan de Poolse justitiële autoriteiten voor te leggen:
Kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon per dag in ieder geval tenminste 2 uur buiten zijn cel kan doorbrengen?
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 12 augustus 2025 heeft het IRC vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Na meerdere e-mails tussen het IRC en de Poolse justitiële autoriteiten heeft het IRC op 8 oktober gevraagd of gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon dagelijks ten minste twee uur buiten zijn cel kan doorbrengen.
Op 13 oktober 2025 hebben de Poolse justitiële autoriteiten het navolgende antwoord gegeven:
“[opgeëist persoon] will have the opportunity to spend 2 hours per day outside his cel, during his stay in the remand prison.
This time will include 1 hour a day for a walk, as well as 1 hour a day, which the inmate can spend in the prison library or by participating in other educational activities organized for inmates in a penitentiary unit, as long as he consents to participate in this type of cultural activities.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW aan de overlevering in de weg staat. De raadsman heeft betoogd dat de door hem overgelegde informatie bestaat uit deskundigenberichten, waaruit volgt dat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld na overlevering naar Polen. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat uit het bericht van 15 september 2025 volgt dat geen garanties konden worden gegeven. Dit bericht is afkomstig van [naam], het hoofd van de relevante afdeling. De garantie van 13 oktober 2025 is niet van dezelfde persoon afkomstig en er is geen enkele blijk van enige betrokkenheid van deze persoon bij de zaak van de opgeëiste persoon. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie van 13 oktober 2025 terzijde moet worden gelegd als onvoldoende onderbouwd en niet relevant. De raadsman heeft ten slotte betoogd dat de detentieomstandigheden in Polen onvoldoende toereikend zijn gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie van 13 oktober 2025 voldoende is en dat artikel 11 OWL niet aan overlevering in de weg staat. Er is veel gecommuniceerd met de Poolse autoriteiten, maar er is nooit gezegd dat er geen sprake kan zijn van tenminste twee uur buiten de cel per dag voor de opgeëiste persoon. Het bericht van 13 oktober 2025 is dan ook niet in strijd met eerdere berichten. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er geen algemeen gevaar is aangenomen wat betreft de medische omstandigheden in de Poolse detentiecentra en dat er geen reden is een individueel gevaar aan te nemen voor de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025. In haar uitspraak van 25 september 2025 [5] heeft de rechtbank als volgt overwogen:
“Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. “
Uit het laatste antwoord van de Poolse autoriteiten van 13 oktober 2025 volgt dat gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon dagelijks ten minste twee uur buiten zijn cel kan doorbrengen. Dat Poolse justitiële autoriteiten dit in eerdere antwoorden niet hebben gegarandeerd, maakt niet dat de rechtbank deze garantie terzijde dient te schuiven. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Poolse autoriteiten van oordeel dat het vastgestelde individuele reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
De rechtbank heeft geen algemeen gevaar aangenomen wat betreft de medische omstandigheden in de Poolse
remand prisons. Hetgeen de verdediging daartoe heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet dan ook geen gevaar voor de opgeëiste persoon gelet op zijn medische situatie. De rechtbank verwerpt het verweer.
4.2
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Standpunt van de raadsman
De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman in deze zaak zo dat de raadsman zich op het standpunt heeft gesteld dat er een risico is op een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Het kan hierbij niet aan de opgeëiste persoon overgelaten worden om dit nader te onderbouwen, maar Polen is verplicht nadere informatie te verschaffen over gestelde schendingen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen elementen door de verdediging zijn aangevoerd waaruit zou volgen dat er geen sprake zal zijn van een eerlijk proces. Het bericht van een Poolse advocaat is geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie die op het tegendeel wijst.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 12 augustus 2025, waarin de rechtbank heeft uiteengezet dat de rechtbank gelet op het vertrouwensbeginsel, behoudens objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie die op het tegendeel wijst, uitgaat van een eerlijke procesgang. De raadsman heeft ter zitting van 15 oktober geen dergelijke informatie overgelegd waaruit blijkt dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak in deze specifieke zaak zal worden geschonden. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dan ook.

5.Specialiteitsbeginsel

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er een risico bestaat dat het specialiteitsbeginsel zal worden geschonden in de zaak van de opgeëiste persoon. De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een strafrechtelijk onderzoek in Polen in een andere zaak waarin de opgeëiste persoon ondervraagd dient te worden. Er dienen aanvullende garanties gevraagd te worden aan de Poolse rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de raadsman is uitgegaan van een verkeerde opvatting van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder c, OLW. Uit dit artikel volgt dat er geen sprake is van een overtreding van het specialiteitsbeginsel zolang er geen detentie wordt toegepast in een andere zaak. Iemand mag wel gehoord worden op zitting of in een onderzoek, zolang er geen detentie wordt toegepast als daar geen toestemming voor is gegeven. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel in deze zaak niet wordt geschonden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet heeft aangetoond dat er reden is aan te nemen dat de Poolse autoriteiten geen rekening zullen houden met het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 14 OLW. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëist persoon]aan de
Regional Courtin
Konin, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet (OLW).
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.