ECLI:NL:RBAMS:2025:8306

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
13/063419-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 OLWArt. 12 OLWArt. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten rechtsbijstand na weigering overlevering op grond van artikel 12 OLW

Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gevraagd op grond van artikel 67 van Pro de Overleveringswet, nadat zijn overlevering aan Polen werd geweigerd door de Internationale Rechtshulpkamer op 28 mei 2025. De zaak betrof een complexe overleveringsprocedure met meerdere zittingen en betrokkenheid van twee advocaten.

De rechtbank heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en het standpunt van verzoeker en het Openbaar Ministerie gehoord. Verzoeker stelde dat de kosten redelijk waren vanwege de complexiteit en de inzet van twee advocaten met een gemiddeld uurtarief van €228,75. Het Openbaar Ministerie vond het gevraagde bedrag van ruim €19.500 onbillijk hoog en stelde een vergoeding van €5.000 voor.

De rechtbank oordeelde dat vergoeding mogelijk is omdat de overlevering was geweigerd, maar matigde de vergoeding vanwege bovenmatige gedeclareerde uren. De rechtbank vond onvoldoende gemotiveerd waarom beide advocaten tegelijk ter zitting moesten zijn en waarom beide bezoeken aan verzoeker in detentie nodig waren. Daarom werd de vergoeding toegekend voor 50 uren in plaats van 70, tegen het door verzoeker opgegeven uurtarief.

De rechtbank wees het verzoek toe tot een bedrag van €11.437,50 voor rechtsbijstandkosten en €680,- voor de kosten van het verzoek zelf, in totaal €12.117,50. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank wijst een vergoeding van €12.117,50 toe voor kosten van rechtsbijstand na weigering van overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/063419-25
RK nummers: 25-018478
BESCHIKKING
Op het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van Pro de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. D. Bektesevic, [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijk verzoek, bij de rechtbank ingediend op 15 juli 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 28 mei 2025 tot weigering van de overlevering van verzoeker.
De rechtbank heeft op 23 september 2025, de gemachtigde raadsman van verzoeker, mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, in openbare raadkamer gehoord.
Het verzoek is tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Bij verzamelvonnis van 10 augustus 2022 van
the Circuit Court in Katowice(referentie:
V K 13/22) is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van twaalf jaar, waarvan volgens het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) nog elf jaar, negen maanden en 25 dagen resteren;
- bij arrest van 14 april 2023 van
the Court of Appeal in Katowice(referentie: II Aka 544/22), is het verzamelvonnis gedeeltelijk aangepast, waarbij verzoeker ook is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 250 dagen;
- op 5 augustus 2024 is door
the Circuit Court in Katowice, Polen, een EAB uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Polen, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straffen;
- op 3 maart 2025 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;
- op 6 maart 2025 heeft de rechtbank beslist dat de voorlopige aanhouding wordt omgezet in een aanhouding. Op diezelfde datum heeft de officier van justitie de overleveringsdetentie van verzoeker opgeschort ten behoeve van de detentie uit anderen hoofde;
- op vordering van de officier van justitie van 6 maart 2025 is het overleveringsverzoek behandeld op de zittingen van 29 april 2025, 15 mei 2025 en 20 mei 2025;
- bij uitspraak van de IRK van 28 mei 2025 is de overlevering geweigerd op basis van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Daarbij is de overleveringsdetentie opgeheven.

3.Verzoek

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van
- € 19.513,43
€ 19.513,43voor de kosten die zijn gemaakt in verband met rechtsbijstand;
- € 680,-
€ 680,-voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en mondeling behandelen ter zitting) van het verzoek zijn gemaakt.
De raadsman heeft ter zitting het verzoek nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van Pro de OLW toekomt, omdat zijn overlevering is geweigerd.
De raadsman heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake was van een complexe overleveringszaak waarin de expertise van twee raadslieden nodig was. Daarbij is kostenbesparend gewerkt doordat de voorbereiding in thema's is verdeeld; de ene advocaat focuste zich op artikel 12 OLW Pro, de andere op het gelijkstellingsverweer. De raadsman heeft declaraties van hem en van de andere advocaat overgelegd ter onderbouwing van zijn verzoek en heeft bepleit dat de kosten niet als bovenmatig aan te merken zijn. De raadsman heeft voorgehouden dat het gemiddelde uurtarief van de twee raadslieden € 228,75 bedroeg en dat dit een redelijk tarief is.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzochte bedrag moet worden gematigd, omdat de hoogte van de verzochte rechtsbijstandskosten onbillijk hoog zijn. Een vergoeding van € 5.000,- is redelijk.

5.Toetsingskader

Artikel 67 OLW Pro correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet Pro (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank – voor zover hier van belang - een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6.Oordeel van de rechtbank

Gelet op voormeld toetsingskader is toekenning van schadevergoeding zoals verzocht door verzoeker mogelijk, omdat de verzochte overlevering is geweigerd. De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, weliswaar gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand, maar zal deze in aanzienlijke mate matigen omdat zij van oordeel is dat de gedeclareerde tijd (70 uur) bovenmatig is. De rechtbank ziet de complexiteit van de overleveringszaak in en begrijpt dat de raadsman expertise van een andere collega heeft ingeroepen om bepaalde onderwerpen nader uit te laten zoeken. De raadsman heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de aanwezigheid van beide raadslieden ter zitting vereist was en waarom het nodig was dat beide raadslieden de verzoeker in de gevangenis hebben bezocht.
De rechtbank zal de gedeclareerde tijd daarom matigen naar 50 uren. De rechtbank zal de kosten voor 50 uren toekennen en gaat hierbij uit van het gemiddelde uurtarief zoals door de raadsman voorgehouden, te weten € 228,75 per uur.

7.Beslissing

De rechtbank
WIJST TOEhet verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
- € 11.437,50
€ 11.437,50vanwege de kosten die in de overleveringsprocedure zijn gemaakt in verband met rechtsbijstand en
- € 680,-
€ 680,-voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoek zijn gemaakt.
Deze beslissing is gegeven op 7 oktober 2025 en in het openbaar uitgesproken door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van
€ 12.117,50 (twaalfduizend honderdzeventien euro en vijftig eurocent)op
IBAN/rekeningnummer
[iban] bij de ABN AMRO Bank,
ten name van
[persoon] ,
onder vermelding van
vergoeding 67 OLW en 533 Sv, inzake: [verzoeker] (verzoeker).
Aldus gedaan op 7 oktober 2025
door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter.