ECLI:NL:RBAMS:2025:8266

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
11787162 \ EA VERZ 25-754
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging opzegging arbeidsovereenkomst en loonvordering werknemer in de schoonmaakbranche

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, aangeduid als [verzoekster], en haar werkgever, GBM SERVICES B.V. De werknemer verzocht de kantonrechter om de opzegging van haar arbeidsovereenkomst te vernietigen en om GBM te veroordelen tot betaling van loon. De werknemer was sinds 30 oktober 2023 in dienst bij GBM als schoonmaker en had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die eindigde op 30 april 2025. De werkgever had de werknemer op 27 maart 2025 schriftelijk geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. De werknemer stelde echter dat zij na het verstrijken van de eerste arbeidsovereenkomst stilzwijgend een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had gekregen, omdat zij doorbleef werken zonder dat er nieuwe afspraken waren gemaakt. De kantonrechter oordeelde dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was, omdat de werkgever niet had voldaan aan de wettelijke vereisten voor opzegging, waaronder het ontbreken van toestemming van het UWV en het opzegverbod vanwege ziekte van de werknemer. De kantonrechter heeft de opzegging vernietigd en GBM veroordeeld tot betaling van het salaris van de werknemer over 27,5 uur per week, evenals een bedrag van € 1.181,95 bruto voor niet geïndexeerd loon, en de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11787162 \ EA VERZ 25-754
Beschikking van 31 oktober 2025
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. L.N. Huizenga,
tegen
GBM SERVICES B.V.,
te Zaandam,
verwerende partij,
hierna te noemen: GBM,
verschenen bij: [naam 1] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 28 juni 2025, met producties
- het verweerschrift, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 11 september 2025. [verzoekster] was hierbij aanwezig, vergezeld door haar echtgenoot en haar gemachtigde. Namens GBM was aanwezig [naam 1] ( [naam functie] ). Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, [verzoekster] aan de hand van spreekaantekeningen, en zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoekster] is in staat gesteld nog een akte te nemen met een nadere berekening van de loonvordering, en GBM heeft hierop gereageerd.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1981, is sinds 30 oktober 2023 in dienst bij GBM. De functie van [verzoekster] is schoonmaker. Zij verdiende laatstelijk € 14,74 bruto per uur.
2.2.
Op 8 juli 2024 raakte [verzoekster] betrokken bij een auto-ongeluk. Als gevolg hiervan heeft zij zich in februari 2025 ziekgemeld.
2.3.
Op 27 maart 2025 heeft GBM [verzoekster] schriftelijk het volgende laten weten:
‘Hierbij informeer ik u dat uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke is aangevangen op 30 oktober 2023, en van rechtswege afloopt op 30 april 2025, niet zal worden verlengd. Dit betekent dat uw dienstverband per deze datum eindigt.’

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en GBM te veroordelen tot betaling van loon. Volgens [verzoekster] is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekster] voert het volgende aan. De eerste arbeidsovereenkomst is mondeling aangegaan. Het betrof een arbeidsovereenkomst van zes maanden, welke duurde tot en met 29 april 2024 en met een arbeidsomvang van 30 uur per week. De gemaakte afspraken zijn nooit schriftelijk aan [verzoekster] bevestigd. Tegen het einde van de eerste arbeidsovereenkomst heeft GBM niet aangezegd; ook zijn er geen nieuwe afspraken gemaakt over de wijze waarop het dienstverband zou worden voortgezet.
3.2.
Omdat [verzoekster] wel is blijven werken, is het dienstverband stilzwijgend voortgezet. Volgens de cao schoonmaak, die van toepassing is, heeft [verzoekster] met ingang van 1 mei 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De aanzegging van GBM van 27 maart 2025 moet dan ook gezien worden als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Omdat [verzoekster] hiermee niet heeft ingestemd, er geen sprake is van een dringende reden en GBM ook geen toestemming had van het UWV, is de opzegging niet rechtsgeldig. Bovendien is sprake van een opzegverbod, omdat [verzoekster] ten tijde van de opzegging ziek was.
3.3.
GBM dient [verzoekster] voor 30 uur per week door te betalen, omdat dit overeengekomen is bij de aanvang van het dienstverband. GBM heeft verder de loonsverhogingen conform de cao niet doorgevoerd en moet deze alsnog betalen.
3.4.
GBM voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. GBM voert ‑ samengevat ‑ aan dat er wel gesproken is over de verlengingen van het dienstverband. De arbeidsovereenkomst is steeds met zes maanden verlengd, zodat de laatste van rechtswege eindigde op 30 april 2025. Verder heeft [verzoekster] altijd 27,5 uur gewerkt en niet 30 uur per week, zodat zij juist is uitbetaald.

4.De beoordeling

Bepaalde of onbepaalde tijd
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd en of GBM moet worden veroordeeld tot betaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Beide partijen erkennen dat de eerste arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden. Over de gang van zaken rondom het einde van deze eerste periode verschillen partijen van mening.
4.3.
Niet in geschil is dat de cao Schoonmaak op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Deze bepaalt dat een werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft als de werknemer na het einde van de bepaalde tijd doorwerkt zonder dat nadere afspraken worden gemaakt. [1] [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat deze situatie zich voordoet, terwijl GBM stelt dat er wel nadere afspraken zijn gemaakt: volgens haar is de arbeidsovereenkomst steeds met zes maanden verlengd. Hiertoe heeft GBM onder meer een verklaring van de voorman van [verzoekster] , [naam 2] , overgelegd. De voorman verklaart dat er gesprekken zijn gevoerd over de verlenging van de arbeidsovereenkomst en dat hij daarbij aanwezig was. Hij verklaart verder dat hij heeft gehoord dat is meegedeeld dat het ging om tijdelijke verlengingen van zes maanden. [verzoekster] erkent dat er een gesprek heeft plaatsgevonden na die eerste periode van zes maanden, maar zij geeft aan dat bij dat gesprek alleen de voorman aanwezig was. Bovendien betwist zij dat gesproken is over een verlenging van zes maanden. Volgens [verzoekster] heeft de voorman tijdens dit gesprek juist aangegeven dat zij van GBM een vast contract zou krijgen.
4.4.
Op grond van artikel 7:668 lid 1 sub b BW dient een werkgever bij voortzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn werknemer schriftelijk te informeren over de voortzetting en over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten. Dit heeft GBM nagelaten. GBM heeft tijdens de zitting nader toegelicht dat er twee keer een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [verzoekster] en de voorman. De kantonrechter constateert dat dit tegenstrijdig is aan de verklaring van de voorman. Die verklaart immers dat hij heeft gehoord dat is meegedeeld dat het ging om een tijdelijke verlenging. Dit veronderstelt de aanwezigheid van een derde, terwijl volgens GBM de gesprekken waren met [verzoekster] en de voorman. [naam 2] was niet aanwezig tijdens de zitting, zodat hij over een en ander niet nader heeft kunnen verklaren. In dat licht heeft GBM onvoldoende onderbouwd dat er gesproken is over een verlenging voor bepaalde tijd. Omdat [verzoekster] is blijven doorwerken zonder dat nadere afspraken zijn gemaakt, heeft zij op grond van de cao na het verstrijken van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, dus vanaf 30 april 2024, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
4.5.
De aanzegging van GBM van 27 maart 2025 is dan ook aan te merken als een opzegging. Omdat [verzoekster] met de opzegging niet heeft ingestemd, er geen sprake was van een dringende reden en GBM evenmin toestemming had van het UWV voor de opzegging, is de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 671 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) opgezegd. Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt daarom toegewezen, omdat de opzegging niet rechtsgeldig is.
Arbeidsomvang
4.6.
[verzoekster] heeft recht op loon, omdat de opzegging wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. Dat de arbeidsomvang 30 uur per week betrof, zoals [verzoekster] stelt, heeft zij onvoldoende onderbouwd. De schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin een omvang van 30 uur per week is opgenomen, heeft [verzoekster] nooit ontvangen, zo verklaart zij. Bovendien heeft [verzoekster] altijd 27,5 uur per week gewerkt en heeft zij GBM er nooit op aangesproken dat zij minder uren werd ingeroosterd en uitbetaald kreeg dan afgesproken zou zijn. Daarmee is onvoldoende vast komen te staan dat partijen een arbeidsomvang van 30 uur overeengekomen zijn.
4.7.
De vordering van [verzoekster] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen over 27,5 uur per week. GBM zal [verzoekster] het salaris moeten doorbetalen totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.
Loonvordering
4.8.
Ten aanzien van de hoogte van het loon overweegt de kantonrechter het volgende. Volgens [verzoekster] heeft GBM de verschillende loonsverhogingen die uit de cao Schoonmaak volgen, niet toegepast op haar loon. GBM verweert zich hiertegen en voert aan dat het loon van [verzoekster] hoger ligt dan het minimum dat de cao bepaalt. Daarom hoeft haar loon niet verhoogd te worden, aldus GBM.
4.9.
De kantonrechter overweegt dat uit de cao volgt dat bij een cao-loonsverhoging het basisuurloon wordt verhoogd. Als het overeengekomen loon hoger is dan het geldende basisuurloon (zoals in dit geval), dan geldt de cao-loonsverhoging voor het deel van het basisuurloon en niet voor het deel daarboven. Dit wordt als volgt nader toegelicht in artikel 16 van de cao 2024-2026:
‘Bij een cao-loonsverhoging worden de basisuurlonen verhoogd. Je ziet in de loontabellen in bijlage III van deze cao welk loon hierbij hoort. Dit betekent dat de loonsverhoging wordt toegepast over je basisuurloon op basis van de trede waarin jij op het moment van de loonsverhoging bent ingedeeld. Heb je een loon dat hoger is dan het voor jouw geldende basisuurloon? De cao-loonsverhoging gaat dan alleen over je basisuurloon, behalve als je dit anders met je werkgever hebt afgesproken.’
4.10.
Dit betekent dat in tegenstelling tot wat GBM heeft aangevoerd het loon van [verzoekster] wel (deels) geïndexeerd diende te worden. [verzoekster] heeft een aangepaste berekening in het geding gebracht waarin precies staat vermeld hoeveel GBM te weinig aan geïndexeerd loon heeft betaald op basis van 27,5 uur per week. De kantonrechter volgt deze berekening van [verzoekster] en zal het gevorderde bedrag van € 1.181,95 bruto toewijzen. GBM voert aan dat [verzoekster] uitgaat van een geschat aantal gewerkte uren in mei en juni 2024 dat lager ligt dan het aantal uren dat zij feitelijk heeft gewerkt. Het gaat hier om een klein verschil en dit is bovendien niet in het nadeel van GBM, zodat de kantonrechter geen aanleiding ziet om hierdoor aan de juistheid van de berekening te twijfelen. Ook heeft GBM erop gewezen dat de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering over 2024 reeds zijn uitbetaald, maar dit doet niet af aan de verschuldigdheid van het niet geïndexeerde loon.
4.11.
De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat GBM te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 25%.
Overige vorderingen
4.12.
GBM zal verder worden verplicht om [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking ziek te melden bij de bedrijfsarts en om de wettelijke verplichtingen die op haar rusten als werkgever in het kader van de Wet verbetering poortwachter na te komen.
4.13.
De vordering tot afgifte van de loonstroken april 2024 en mei 2024, waarvan de kantonrechter aanneemt dat [verzoekster] doelt op de loonstroken van mei 2024 en juni 2024, nu zij zelf reeds de loonstrook van april 2024 heeft overgelegd in deze procedure, wordt afgewezen. GBM heeft deze loonstroken reeds in het geding gebracht als productie, zodat bij deze vordering geen belang meer bestaat. De vordering tot afgifte van een deugdelijke bruto-/nettospecificatie van de onder 4.13. en 4.14. toegewezen bedragen, zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom hierover wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat GBM niet zal voldoen aan deze veroordeling.
Proceskosten
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van GBM, omdat GBM overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
5.2.
verplicht GBM om binnen 24 uur na betekening van deze beschikking [verzoekster] ziek te melden bij de bedrijfsarts en de wettelijke verplichtingen die op haar als werkgever rusten in het kader van de Wet verbetering poortwachter na te komen,
5.3.
veroordeelt GBM tot betaling van het salaris van [verzoekster] over een arbeidsduur van 27,5 uur per week vanaf 1 mei 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd,
5.4.
veroordeelt GBM tot betaling aan [verzoekster] van € 1.181,95 bruto, zijnde het verschil tussen het verschuldigd salaris en het ontvangen salaris berekend tot 1 mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de verschillende loonbetalingen tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt GBM tot afgifte van een deugdelijke bruto-/nettospecificatie van de onder 5.4. toegewezen bedragen, binnen een week na betekening van deze beschikking,
5.6.
veroordeelt GBM in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GBM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.
57327

Voetnoten

1.Artikel 9 lid 2 van de cao Schoonmaak.