Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Kantongerecht Koblenz, Duitsland. De officier van justitie diende op 26 augustus 2025 een vordering in tot behandeling van het EAB, dat betrekking heeft op strafbare feiten die in Duitsland zijn gepleegd. De opgeëiste persoon, geboren in 1981 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, was gedetineerd in een Duitse detentieplaats. Tijdens de zitting op 16 oktober 2025 was de opgeëiste persoon niet aanwezig, maar vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. M. Jonk.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct is en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarvoor in Duitsland een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar is opgelegd. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft overwogen of er weigeringsgronden zijn voor de overlevering, zoals bedoeld in artikel 13 van de Overleveringswet (OLW). De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onderzoek naar de strafbare feiten in Duitsland is gestart en dat het bewijs zich daar bevindt. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat de feiten geacht worden in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende reden is om de overlevering te weigeren. Uiteindelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn, waardoor de overlevering wordt toegestaan.