Op 2 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende een zorgmachtiging op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank heeft deze machtiging verleend aan een betrokkene, geboren in 1950, die lijdt aan een psychische stoornis, specifiek een psychotische stoornis. De officier van justitie had op 1 september 2025 een verzoek ingediend voor het verlenen van verplichte zorg, omdat er zorgen waren over de geestelijke gezondheid van de betrokkene en het risico op ernstig nadeel. De mondelinge behandeling vond plaats op het thuisadres van de betrokkene, waar de rechtbank constateerde dat er sprake was van een termijnoverschrijding in de behandeling van het verzoek. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sanctie aan deze overschrijding verbonden was, aangezien het om een eerste zorgmachtiging ging.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de betrokkene niet volledig was geïnformeerd over de relevante rapporten en informatie, wat door haar advocaat werd aangevoerd als schending van de goede procesorde. De rechtbank oordeelde echter dat de betrokkene voldoende op de hoogte was gebracht van de overlastmeldingen en dat de goede procesorde niet was geschonden. De rechtbank concludeerde dat de betrokkene zorg nodig had om haar geestelijke gezondheid te stabiliseren, en dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis waren. Daarom werd de zorgmachtiging verleend voor een periode van zes maanden, met specifieke maatregelen zoals het toedienen van medicatie en het beperken van de bewegingsvrijheid. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door rechter F.P. Lauwaars, met griffier D.L. Overduin, en is later schriftelijk uitgewerkt.