ECLI:NL:RBAMS:2025:8126

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
11732317 \ EA VERZ 25-641
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verslavingsproblematiek en re-integratieverplichtingen

In deze zaak verzoekt de werkgever, GVB Exploitatie B.V., de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer die lijdt aan een verslaving. De werknemer, sinds 2013 in dienst, heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en is werkzaam als monteur C. De werkgever stelt dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door zijn re-integratieverplichtingen niet na te komen, wat zou leiden tot een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer verweert zich door te stellen dat zijn verslaving een ziekte is en dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat zijn gedrag samenhangt met zijn verslavingsproblematiek. De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af, omdat er geen redelijke grond voor ontbinding is en het opzegverbod bij ziekte van toepassing blijft. De proceskosten worden toegewezen aan de werkgever, die overwegend ongelijk krijgt.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11732317 \ EA VERZ 25-641
Beschikking van 23 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GVB EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: GVB,
gemachtigde: mr. A.M.J. Bouman,
tegen
[verweerder],
gevestigd te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 2 juni 2025;
- het verweerschrift met producties van [verweerder] ;
- de mondelinge behandeling van 25 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op 25 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens GVB zijn verschenen [naam 1] , teammanager, en [naam 2] , HR Business Partner, bijgestaan door mr. Bouwman. [verweerder] was aanwezig via een videobelverbinding en werd bijgestaan door mr. Van Dijk. De vader van [verweerder] was ter zitting aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, GVB mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is de datum voor de beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] is sinds 2 september 2013 in dienst bij GVB. Hij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en zijn huidige functie is die van monteur C. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 3.532,00 per maand exclusief emolumenten bij een 36-urige werkweek.
2.2.
[verweerder] is als monteur C verantwoordelijk voor onderhoudsbeurten aan de trams, schouwen en keuringen van, reparaties en het oplossen van storingen aan de trams. Als monteur moet [verweerder] soms een tram verplaatsen. De functie van [verweerder] is daarom op grond van de Wet Lokaal Spoor (WLS) een veiligheidsfunctie waarvoor hij periodiek moet worden gekeurd. In het geval [verweerder] niet door de WLS-keuring komt, kan hij minstens een jaar lang zijn eigen werkzaamheden niet volledig verrichten.
2.3.
In de gedragscode van GVB staat dat het verboden is tijdens werktijd alcohol of drugs te gebruiken of nog onder invloed hiervan te zijn, dat de norm ‘nul’ is en overtreding als zeer ernstig wordt beschouwd. Verder staat in de gedragscode dat ‘onder invloed’ is als er aanwezigheid van alcohol en of drugs in je lichaam wordt geconstateerd.
2.4.
[verweerder] heeft zich begin 2022 ziekgemeld als gevolg van een gok- en middelenverslaving. Hij heeft hiervoor behandelingen gevolgd en is op 27 juni 2022 gestart met re-integreren. Op 12 oktober 2022 hebben GVB en [verweerder] een verslavingsconvenant gesloten. Daarin staat dat, voor zover van belang, partijen rekening houden met een terugval van [verweerder] , en dat als hij daarvan voor aanvang van de werkzaamheden melding maakt, dat bij een eerste terugval niet zal leiden tot maatregelen.
2.5.
Vanaf 18 januari 2023 is [verweerder] weer volledig aan het werk gegaan, zij het met een beperking op enige taakonderdelen, omdat hij nog niet goedgekeurd was voor de WLS. Op 28 september 2023 is [verweerder] goedgekeurd voor de WLS en kon hij weer volledig aan het werk in zijn eigen functie.
2.6.
Na ruim een jaar goed te hebben gefunctioneerd, heeft [verweerder] zich in 2024 regelmatig ziekgemeld. Tijdens een gesprek op 18 juni 2024 met zijn leidinggevende heeft [verweerder] desgevraagd verklaard dat geen sprake is van een terugval.
2.7.
Van 27 tot en met 29 juli 2024 was [verweerder] ziek. In een gesprek met zijn leidinggevende op 30 juli 2024 heeft [verweerder] verteld dat hij weer aan het gokken is, maar dat geen sprake is van een terugval in drugsgebruik.
2.8.
Op 31 juli 2024 heeft GVB aan [verweerder] gevraagd mee te werken aan een controle om het gebruik van middelen uit te sluiten. [verweerder] heeft toen erkend dat sprake is van een terugval in middelengebruik en dat hij in het weekend van 27 en 28 juli 2024 drugs had gebruikt. Hij gaf aan dat de drugs zeer waarschijnlijk nog in zijn lichaam zat en daarom niet mee te willen werken aan het afnemen van de test.
2.9.
[verweerder] heeft zich op 7 augustus 2024 ziekgemeld.
2.10.
Op 30 augustus 2024 is [verweerder] gestart met een behandeling bij [zorginstelling 1] , een GGZ-instelling gespecialiseerd in verslavingszorg.
2.11.
Bij brief van 3 oktober 2024 heeft GVB [verweerder] een waarschuwing gegeven voor het niet naleven van de afspraak in het verslavingsconvenant dat hij voorafgaand aan zijn werk niet heeft gemeld dat hij een terugval had. Verder staat in die brief dat als [verweerder] zich niet houdt aan het convenant en de gedragscode van de GVB hij de beëindiging van zijn dienstverband riskeert.
2.12.
Vanaf 7 oktober 2024 is [verweerder] passende werkzaamheden gaan verrichten. Hij is vervolgens enige tijd uitgevallen vanwege een klaplong.
2.13.
In december 2024 is [verweerder] weer gestart met passend werk bij het team Service & Veiligheid dat toezicht houdt op de metroperrons en reizigers desgevraagd informatie geeft.
2.14.
[verweerder] is in december 2024 op kosten van GVB gestart met een begeleidingstraject bij BeResponsible. Onderdeel van het traject is dat [verweerder] op onverwachte momenten gecontroleerd kan worden op middelengebruik. [verweerder] heeft hiermee ingestemd.
2.15.
Op 17 december 2024 is [verweerder] voor aanvang van zijn werk gecontroleerd door BeResponsible en is gebleken dat hij niet ‘fit voor werk’ was die dag. In een gesprek op 19 december 2024 heeft [verweerder] verklaard dat hij zich vlak voor de controle op 17 december 2024 had willen afmelden. GVB heeft hem het voordeel van de twijfel gegeven dat hij het middelengebruik zelf voor aanvang van de werkzaamheden had willen melden.
2.16.
Na een onaangekondigde test op 14 januari 2025 waarbij [verweerder] ‘fit voor werk’ bleek, is hij op 15 januari 2025 ingezet voor passend werk.
2.17.
Op 6 maart 2025 is [verweerder] gecontroleerd en bleek hij niet ‘fit voor werk’. Daarop heeft GVB hem met behoud van loon geschorst.
2.18.
De behandeling van [verweerder] bij [zorginstelling 1] is op 1 april 2025 gestopt, omdat de ambulante behandeling bij [zorginstelling 1] onvoldoende effect sorteerde en een intensievere behandeling voor [verweerder] noodzakelijk is.
2.19.
[verweerder] is op 14 april 2025 gestart met een behandeling bij [zorginstelling 2] .
2.20.
Bij brief van 28 april 2025 heeft GVB aan [verweerder] geschreven dat zij de kantonrechter zal verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De gemachtigde van [verweerder] heeft GVB verzocht die beslissing te herzien. GVB heeft hierop afwijzend gereageerd.
2.21.
In het kader van de behandeling bij [zorginstelling 2] is [verweerder] van 26 mei 2025 tot en met 5 juni 2025 opgenomen geweest in een GGZ-kliniek. Vervolgens heeft [verweerder] gedurende acht weken een middagbehandeling ondergaan.
2.22.
Omdat ook de behandeling bij [zorginstelling 2] onvoldoende resultaat opleverde, is [verweerder] in augustus 2025 naar Zuid-Afrika gegaan voor een klinische behandeling voor de duur van zes weken.
2.23.
GVB heeft bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd over de re-integratie-inspanningen van [verweerder] . Het UWV heeft op 27 augustus 2025 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van [verweerder] over de periode 27 juli 2024 tot 24 juni 2025 (datum aanvraag deskundigenoordeel) voldoende waren.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
GVB verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Verder verzoek GVB primair geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst per direct te ontbinden, omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en subsidiair bij het bepalen van de opzegtermijn rekening te houden met het feit dat opzegging op grond van de cao tegen iedere dag van de maand mogelijk is en de duur van deze procedure in mindering te brengen. Tot slot verzoekt GVB [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
GVB stelt daartoe het volgende. [verweerder] is ziek, maar het opzegverbod bij ziekte staat niet aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. Het opzegverbod is niet van toepassing, omdat [verweerder] zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. GVB en [verweerder] hebben in het verslavingsconvenant afgesproken dat als [verweerder] een terugval heeft, hij dit voorafgaand aan het werk bij GVB meldt. [verweerder] is in meerdere gesprekken en in de waarschuwingsbrief van 3 oktober 2024 gemaand deze afspraak na te komen. Ook na het sluiten van de drie-partijenovereenkomst met BeResponsible is [verweerder] deze redelijke re-integratieafspraak niet nagekomen. Gezien de kansen die GVB aan [verweerder] heeft gegeven en de afspraken die met hem zijn gemaakt, heeft [verweerder] verwijtbaar gehandeld en kan van GVB niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
Ook is een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie ontstaan. GVB heeft geen vertrouwen meer in [verweerder] . De begeleiding van [verweerder] richting eigen dan wel passend werk is onmogelijk, doordat hij steeds niet eerlijk communiceert op het moment dat hij een terugval heeft. Gelet op de veiligheidsaspecten in zowel zijn eigen als ook in het vervangend werk, is het voor GVB van groot belang dat zij erop kan vertrouwen dat [verweerder] zich aan de afspraak houdt dat hij een terugval voor aanvang van de werkzaamheden meldt.
Het gedrag van [verweerder] is op grond van bovenstaande ook ernstig verwijtbaar, aldus steeds GVB.
3.3.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] een opzegtermijn van drie maanden in acht te nemen, toekenning van een transitievergoeding en GVB te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
[verweerder] heeft als volgt verweer gevoerd. Hij kampt al meerdere jaren met verslavingsproblemen. Tijdens de behandeling bij [zorginstelling 1] is gebleken dat [verweerder] ook ADHD en een laag intelligentieniveau heeft. Dit maakt zin situatie nog ingewikkelder. Volgens vaste rechtspraak is verslaving een ziekte en het opzegverbod bij ziekte staat dan ook aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. [verweerder] doet er alles aan om van zijn verslaving af te komen. Hij vertoont geen verwijtbaar gedrag en het is niet dat hij niet wil meewerken, maar dit lukt hem simpelweg niet. Een terugval komt helaas voor bij verslaving en het is voor [verweerder] lastig om hier open over te zijn. Ook dat laatste is een kenmerk van een verslaving en houdt dus verband met de ziekte van [verweerder] .
Voorstelbaar is dat de afgelopen periode de arbeidsverhoudingen onder druk zijn komen te staan, maar dit is veroorzaakt door de verslaving van [verweerder] en houdt dus verband met zijn ziekte. Bovendien is de arbeidsrelatie niet duurzaam verstoord.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] als gevolg van zijn verslaving arbeidsongeschikt is. In beginsel is dan het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing. In artikel 7:670a Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het opzegverbod bij ziekte niet van toepassing is, indien de werknemer zonder deugdelijke grond de re-integratieverplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW, weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 629 lid 7, de betaling van het loon heeft gestaakt. Op grond van artikel 7:660a BW komen de verplichtingen van de werknemer erop neer, kort gezegd, dat de werknemer gevolg moet geven aan redelijke voorstellen van de werkgever, dient mee te werken aan maatregelen en aan het opstellen van een plan van aanpak en passende arbeid dient te verrichten.
4.4.
Verder is voor de beoordeling van dit geschil artikel 7:671b lid 6 BW van belang. In dat artikel staat dat, ondanks het bestaan van een opzegverbod, de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in twee gevallen toch kan ontbinden, namelijk 1) als het verzoek om ontbinding geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of 2) indien sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.
4.5.
GVB stelt dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld door zich niet aan zijn re-integratieverplichtingen te houden. GVB verwijt hem dat hij de afspraak tussen partijen dat hij een terugval voorafgaand aan zijn werkzaamheden bij zijn leidinggevende meldt, niet is nagekomen. De vraag is echter of deze afspraak een re-integratieverplichting is. Deze vraag beantwoordt de kantonrechter negatief. Een re-integratieverplichting is erop gericht dat een zieke werknemer door het nakomen van deze verplichting weer zal herstellen van zijn ziekte en kan terugkeren in zijn functie. De afspraak dat [verweerder] meldt als er sprake is van een terugval of middelen gebruik is daar niet op gericht. Deze afspraak ziet erop dat hij geen werkzaamheden verricht als hij onder invloed is, omdat dat zich niet verdraagt met de veiligheid die de functie vereist. Dit wordt onderstreept doordat de afspraak niet slechts geldt tijdens re-integratie en arbeidsongeschiktheid, maar ook indien hij volledig arbeidsgeschikt is beoordeeld. Nadat [verweerder] volledig goedgekeurd was voor de WLS en hij weer volledig inzetbaar was, bleef deze afspraak van kracht. De meldafspraak kan dus niet als een re-integratieverplichting in de zin van artikel 7:660a BW worden gezien. Bovendien volgt uit het deskundigenoordeel van 27 augustus 2025 dat de re-integratie-inspanningen van [verweerder] over de periode 27 juli 2024 tot 24 juni 2025 (datum aanvraag deskundigenoordeel) voldoende waren. Het ontslagverbod wordt derhalve niet doorbroken op de grond van artikel 7:670a BW.
4.6.
Het niet melden van een terugval of middelengebruik hangt zodanig samen met de ziekte van [verweerder] dat niet kan worden vastgesteld dat hij zich (ernstig) verwijtbaar heeft gedragen op gronden die niet samenhangen met de ziekte. Hij heeft voldoende onderbouwd dat het hem vanwege de aard en de ernst van zijn verslaving, niet verweten kan worden dat hij deze afspraak niet is nagekomen, omdat het niet nakomen van afspraken bij verslaving, mede vanwege de schaamte hiervoor, een gevolg is van de verslaving zelf.
4.7.
Bovenstaande betekent dat de verzochte ontbinding op de e-grond zal worden afgewezen.
4.8.
De verwijten die GVB aan [verweerder] maakt in het kader van de gestelde verstoring van de arbeidsverhouding, houden verband met de verslavingsproblematiek van [verweerder] en dus met zijn ziekte. Dat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerder] behoort te eindigen is gesteld noch gebleken. De onder 4.4. genoemde uitzondering van artikel 671b lid 6 BW is dus niet aan de orde. Dit betekent dat er eveneens een opzegverbod geldt ten aanzien van de verzochte ontbinding vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.
4.9.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.
4.10.
De proceskosten komen voor rekening van GVB, omdat GVB overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 881,50 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
5.2.
veroordeelt GVB in de proceskosten van € 881,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GVB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad [3] .
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025.
57170

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.