ECLI:NL:RBAMS:2025:8057

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/762142 / JE RK 25-4 en C/13/731848 FA RK 23/2157
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking inzake ondertoezichtstelling en hulpverlening voor minderjarigen in echtscheidingssituatie

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam op 28 oktober 2025, betreft het een tussenbeschikking in een complexe echtscheiding waarbij de kinderen van de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], onder toezicht zijn gesteld. De ouders zijn het niet eens over de noodzakelijke hulpverlening voor hun kinderen, die al langere tijd niet naar school gaan, wat leidt tot zorgen over hun sociale en cognitieve ontwikkeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders niet eensgezind zijn over de hulpverlening en dat de kinderen hierdoor in een zorgelijke situatie verkeren. De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling (GI) opgedragen om daadkrachtiger op te treden en heeft de zaak opnieuw op de agenda gezet voor december 2025 om de voortgang te monitoren. De rechtbank heeft ook de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd en de vader vervangende toestemming verleend voor hulpverlening voor de kinderen. De rechtbank benadrukt dat de schoolgang van de kinderen prioriteit heeft en dat er snel actie ondernomen moet worden om hun ontwikkeling te waarborgen. De ouders zijn uitgenodigd om hun standpunten te delen, maar de rechtbank heeft geconstateerd dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt in de hulpverlening sinds de eerdere beschikking van januari 2025. De zaak is aangehouden voor verdere behandeling en om de voortgang te evalueren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/13/762142 / JE RK 25-4
C/13/731848 / FA RK 23/2157
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Beschikking
in de zaak met zaaknummer C/13/762142 / JE RK 25-4 van:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [locatie] , gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt in de zaak met zaaknummer C/13/762142 / JE RK 25-4 als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk
en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.L. Fronik te Haarlem,
en
Jeugdbescherming Regio [locatie] , gevestigd te Amsterdam,
hierna de gecertificeerde instelling,
de GI,
en
[minderjarige 1].
In de zaak met zaaknummer C/13/731848 / FA RK 23/2157 van:
de moeder
tegen
de vader,
in welke zaak op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad.
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
  • de moeder
  • de vader
  • de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [locatie] , hierna de GI,
  • de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedures

Zaaknummer C/13/762142 / JE RK 25-4
1.1.
Bij beschikking van 22 januari 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI van 15 januari 2025 tot 15 oktober 2025.
Zaaknummer C/13/731848 / FA RK 23/2157
1.2.
Bij beschikking van 22 januari 2025 is aan de moeder vervangende toestemming verleend voor het inschakelen van hulpverlening door Praktijk De Blik voor de kinderen en is de bij beschikking van 13 juni 2023 bepaalde zorgregeling gewijzigd in die zin dat die zorgregeling is aangevuld met:
- een videobelmoment op de zondag om 16.00 uur en de dinsdag om 16.00 uur in de
week dat de kinderen niet bij de vader zijn;
-een verdeling van de feestdagen bij helfte;
-zes dagen extra in de zomervakantie, steeds in de even week van zondag 17.00 uur
tot in de oneven week dinsdag 14.00 uur, zodat de vader en de kinderen (in aanvulling op de geldende voorlopige zorgregeling) drie keer zes dagen achter elkaar samen kunnen zijn, van vrijdag 17.00 uur tot donderdag 17.00 uur. Alle overige beslissingen zijn aangehouden.
1.3.
Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2025 is het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van 22 januari 2025 afgewezen.
1.4.
Bij bericht van 2 oktober 2025 heeft de GI een update gestuurd over de huidige stand van zaken. Hieruit blijkt dat er nog geen hulpverlening is gestart, dat de ouders nog niet eensgezind zijn over welke hulpverleningsinstantie er voor de kinderen ingezet moet worden, alsmede dat de zorgen over de schoolgang van de kinderen en daarmee ook hun sociale en emotionele ontwikkeling onverminderd groot zijn. De ouders houden zich wel goed aan de omgangsafspraken.
1.5.
De advocaat van de moeder heeft bij berichten van 6 en 10 oktober 2025 nadere stukken ingediend en samengevat verklaard wat er de afgelopen maanden is gebeurd. De moeder heeft de rechtbank daarbij verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om een zogenoemd IAG-traject bij [naam maatschap] te doen opstarten voor de moeder, waarbij de kinderen ook gehoord kunnen worden.
1.6.
De advocaat van de vader heeft bij bericht van 9 oktober 2025 nadere stukken ingediend en samengevat verklaard wat er de afgelopen maanden is gebeurd. De vader heeft verzocht het verzoek van de moeder zoals genoemd onder 1.4. af te wijzen en heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om hulpverlening voor de kinderen in te schakelen door [naam therapiecentrum 1] of [naam therapiecentrum 2] , dan wel een andere door de GI geschikt geachte organisatie, niet zijnde [naam maatschap] . Daarnaast heeft de vader verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder te bepalen en die van [minderjarige 2] bij hem, en de zorgregeling uit te breiden zoals genoemd in het verzoek, dan wel zoals genoemd in het voorwaardelijk aanvullend verzoek.
1.7.
De verdere mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [naam 1] als vertegenwoordiger van de Raad;
- de heer [naam 2] als vertegenwoordiger van de GI.
1.8.
[minderjarige 1] is in een gesprek met de kinderrechter dat plaats heeft gevonden op 9 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

2.De nadere standpunten ter zitting

De moeder
2.1.
De moeder heeft naar voren gebracht dat ze al heel lang bezig is om de nodige hulp voor de kinderen te krijgen. De hulpverlening van Praktijk De Blik is om voor de moeder altijd onduidelijk gebleven redenen niet van de grond gekomen. De moeder heeft nu van mevrouw [naam 3] van de GI begrepen dat ze toch toestemming krijgt om [naam maatschap] in te schakelen. De moeder vindt het allemaal heel verwarrend.
Daarnaast maakt de moeder zich grote zorgen om uitspraken van de kinderen over hun vader, bijvoorbeeld dat [minderjarige 1] zegt dat hij geslagen is door zijn vader. De moeder heeft zorgen omdat dit niet direct door de GI wordt opgepakt.
Het is niet zo dat de moeder niet wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun vader gaan. Ze vindt het juist belangrijk dat ze een goede band met hun vader hebben.
Het is tot nu toe zo dat specialistische hulp op het gebied van hoogbegaafdheid wordt afgehouden. De moeder vindt dat spijtig omdat de begeleidster van [naam onderwijsstichting] heeft aangegeven dat zij niet meer druk kunnen zetten op de schoolgang van de kinderen als er niet eerst naar het trauma wordt gekeken.
2.2.
De advocaat van de moeder heeft haar schriftelijke spreekaantekeningen aan de rechtbank overgelegd. Samengevat heeft zij aangevoerd dat de moeder twee grote zorgen heeft. Enerzijds ontvangen de kinderen niet de specialistische hulp die zij nodig hebben in verband met hun hoogbegaafdheid. Voor uitbreiding van de schoolgang van de kinderen is eerst specialistische hulp noodzakelijk.
Anderzijds maakt de moeder zich ernstige zorgen over de signalen die [minderjarige 2] afgeeft, namelijk dat het niet goed met hem gaat. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat dit zijn oorsprong heeft in het contact met zijn vader. De beide kinderen geven aan dat zij niet graag naar hun vader gaan.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de aanvullende verzoeken van de vader. Gelet op de indieningstermijn is hier sprake van schending van de goede procesorde aan de zijde van de vader.
De moeder heeft verzocht het verzoek om uitbreiding van de zorgregeling aan te houden totdat de specialistische hulpverlening van start is gegaan. Dit geldt ook voor het verlenen van vervangende toestemming voor hulpverlening voor de kinderen bij [naam therapiecentrum 1] op [naam therapiecentrum 2] .
De kinderen verblijven de meeste tijd bij de moeder waardoor de moeder het niet meer dan redelijk acht dat de kinderen het hoofdverblijf bij haar hebben.
De moeder verzet zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling maar wenst wel dat de GI meer in actie komt en meer duidelijkheid gaat brengen in de hele situatie.
De vader
2.3.
De vader heeft verklaard dat beide kinderen als ze bij hem zijn vrolijk zijn en dat ze het leuk hebben met zijn drieën. De vader merkt wel dat het overdrachtsmoment van de moeder naar de vader moeizaam verloopt. De vader vindt dat de GI een knoop moet doorhakken wat betreft de ingekochte hulp die voor de kinderen passend kan zijn.
De vader maakt zich grote zorgen over de schoolgang van de kinderen. [minderjarige 1] gaat binnenkort zijn schooluren op vrijdagmiddag uitbreiden, maar dan nog vindt de vader dat te weinig. De vader vindt dat de kinderen te veel keuzes zelf mogen maken.
2.4.
De advocaat van de vader heeft aanvullend verklaard dat de vader zich niet verzet tegen een toewijzing van het resterende deel van het verzoek voor een ondertoezichtstelling.
De kinderen komen steeds meer in een spagaat te staan en het is belangrijk dat de hulpverlening gaat ingrijpen en dat er een behandeling komt voor de kinderen, dat de kinderen normaal naar school gaan en dat de omgang tussen de vader en de kinderen wordt uitgebreid. Als de rechtbank de verzochte uitbreiding van de omgang nu nog te vroeg vindt dan verzoekt de vader dat de kinderen iedere vakantie in elk geval 1,5 dag extra bij de vader zijn tussen de reguliere contactmomenten door zodat de kinderen zes aaneengesloten dagen bij hem zijn.
De GI
2.5.
De GI heeft aangegeven dat de schoolgang van de kinderen prioriteit nummer één is. De stelling van de moeder dat zij van de GI toestemming heeft gekregen om [naam maatschap] in te schakelen is onjuist. Mevrouw [naam 3] van de GI heeft gezegd dat er een gesprek plaats moet vinden tussen iHub, [naam maatschap] en de GI over de in te zetten hulp. Dat is iets anders dan wat de moeder verklaart.
Het is voor de GI duidelijk dat er bij de ouders sprake is van twee totaal verschillende verhalen en dat het voor de toekomst van belang is dat er aan waarheidsvinding gedaan wordt. Het moet op tafel komen wat hier precies aan de hand is.
De GI heeft de rechtbank in overweging gegeven om een bijzonder curator in te schakelen.
Daarnaast dient het voor de moeder duidelijk te worden dat het niet het allerbelangrijkste is dat er hoog specialistische hulp wordt ingezet, maar dat de kinderen in een liefdevolle omgeving kunnen zijn. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk iemand voor de kinderen komt waar de kinderen hun hart kunnen luchten zonder dat dat met de ouders of anderen gedeeld wordt.
Het is bijzonder ernstig dat de kinderen niet naar school gaan. Op deze manier missen ze een stuk sociale ontwikkeling en inmiddels lopen ze cognitief achter. Het zijn beschadigde kinderen en juist die kinderen moeten naar school gaan. Normaal naar school gaan zoals ieder kind is ook voor deze kinderen mogelijk. Wel hebben ze een leerkracht nodig die een trauma sensitieve aanpak hanteert.
De GI begrijpt de situatie zo dat de kinderen doen wat ze gewend zijn te doen. Daarom hebben ze weerstand op verandering. De GI heeft nergens gezien dat de kinderen gediagnosticeerd zijn dus nergens uit blijkt dat ze niet naar school zouden kunnen gaan.
De Raad
2.6.
De Raad heeft naar voren gebracht dat de kinderen de regie hebben gepakt en dat dat vaak gebeurt in situaties waarbij de ouders het niet met elkaar eens zijn. Dit gaat over veel meer dan of deze kinderen nu wel of niet hoogbegaafd zijn en of er nu wel of geen specialistische hulp moet worden ingezet. De Raad is het eens met de GI dat de schoolgang nu prioriteit nummer één is. De GI dient met de school in gesprek te gaan om de versnelling van de schoolgang te bespreken en vorm te gaan geven.
De Raad kan op dit moment geen advies uitbrengen over uitbreiding van de omgang.

3.De beoordeling

Ontvankelijkheid aanvulling zelfstandig verzoek van de vader
3.1
De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat de inhoudelijke behandeling van het aanvullend verzoek van de vader in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het grootste deel van deze verzoeken was wat betreft inhoud al bekend bij de moeder en voor het overige is de inhoud van de verzoeken niet zodanig dat de moeder door de late indiening hiervan benadeeld is. De vader is dan ook ontvankelijk in zijn aanvullende verzoeken.
Schoolgang van de kinderen en hulpverlening
3.2.
De rechtbank stelt vast dat er in de situatie van de kinderen sinds de beschikking van 22 januari 2025 nauwelijks vooruitgang is geboekt. De door de moeder gestelde spoedige start van hulpverlening door Praktijk De Blik is niet van de grond gekomen. Dit is een trieste constatering, die zeker niet in het belang van de kinderen moet worden geacht. De kinderen gaan nog steeds nauwelijks naar school. [minderjarige 1] gaat 45 minuten per week naar [naam school 1] , dat deel uitmaakt van de basisschool [naam school 2] . Hij krijgt daar één op één begeleiding. Verder gaat hij als hij bij de vader is op donderdag naar [naam 4] . Er is recentelijk besloten tot een uitbreiding voor [minderjarige 1] bij [naam school 1] , op vrijdagmiddag gedurende twee uur, in een groep. Die uitbreiding is net van start gegaan. [minderjarige 2] gaat één keer per week naar [naam 4] . Ook is besloten tot uitbreiding voor [minderjarige 2] . [minderjarige 2] zal een tweede moment met [naam 4] krijgen. [minderjarige 2] zal ook gaan kennismaken met een contactpersoon bij de [naam school 2] .
3.3.
Duidelijk is dat de kinderen het slachtoffer zijn van de spanningen tussen de ouders en daar inmiddels al zichtbare schade van hebben opgelopen. Vastgesteld is dat de kinderen cognitief achterlopen op hun leeftijdsgenootjes.
3.4.
De GI en de Raad hebben op zitting aangegeven dat de schoolgang van de kinderen prioriteit dient te zijn en dat het hebben van de door de moeder zo gewenste specialistische hulp vanwege hoogbegaafdheid hier niet gelijk mee hoeft te lopen. Op dit moment is de situatie zo dat de kinderen bepalen wat zij willen en dat is naar het oordeel van de GI en de Raad geen gezonde situatie. De rechtbank is het daarmee eens.
3.5.
De rechtbank acht het van belang dat de ondertoezichtstelling wordt voortgezet. Dit is door alle betrokkenen ook niet weersproken. Helaas is er geen vaste gezinsmanager betrokken bij het gezin, terwijl er bij de rechtbank grote zorgen zijn over de achterlopende ontwikkeling van de kinderen, zowel sociaal als cognitief. De afgelopen maanden is er vooral veel ruimte genomen voor onderlinge strijd. Hier moet verandering in komen.
3.6.
Schoolgang dient nu direct prioriteit te krijgen en de rechtbank zal vinger aan de pols gaan houden. De situatie voor de kinderen, waarbij zij bijna dagelijks een groot deel van de dag aanwezig zijn op de manege waar de moeder ook werkt en waarbij de moeder de kinderen thuisonderwijs biedt, wordt niet in hun belang geacht. De ontwikkeling van de kinderen heeft veel te lang stil gelegen vanwege discussie over welke hulpverlening passend is en moet worden ingezet. De kleine stapjes vooruit die zijn gezet, zijn absoluut onvoldoende. Sinds de vorige zitting in januari van dit jaar is er veel te weinig gebeurd. . Ondertussen neemt de schade die wordt aangericht voor de kinderen toe. Het staat vast en is ook begrijpelijk dat de kinderen niet naar school willen, maar de kinderen mogen hier niet langer de regie in hebben.
3.7.
Gelet op de problematiek van dit gezin, die nu al vele jaren voortduurt, is het belangrijk dat dit gezin een vaste gezinsmanager toegewezen krijgt. De GI is de afgelopen maanden naar het oordeel van de rechtbank te afwachtend geweest. De urgentie op daadkrachtig ingrijpen is inmiddels zo groot geworden dat de rechtbank zal bepalen dat de GI binnen het kader van de ondertoezichtstelling de regie moet gaan pakken wat betreft de schoolgang van de kinderen. Een UVO over schoolgang met betrokken partijen eenmaal per zes weken is daartoe volstrekt onvoldoende.
3.8.
De GI zal op zeer korte termijn in overleg moeten treden met de school om het volgende af te stemmen. De rechtbank acht het van belang dat [minderjarige 1] aan het eind van dit jaar,
voor de kerstvakantie 2025, vier dagdelen per week naar school gaat in een reguliere klas. Aan het eind van het schooljaar, dus begin juli, voor de zomervakantie 2026, dient [minderjarige 1] volledig te zijn ingestroomd op school.
3.9.
Voor [minderjarige 2] dient de GI, in samenwerking met de school een instroomschema op school op papier te zetten op grond waarvan [minderjarige 2] eind van het schooljaar, voor de zomervakantie 2026, volledig zal deelnemen aan de lessen op school in reguliere klassen. De rechtbank zal de zaak aanhouden tot de zitting op 4 december en wil dan geïnformeerd worden over de voortgang die is gemaakt.
Uitbreiding omgang vader
3.10.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om de zorgregeling uit te breiden aanhouden, zij het dat het verzoek van de vader om de kinderen in de herfstvakantie van 17 oktober 2025 om 17.00 uur tot 23 oktober 2025 om 17.00 uur wordt toe gewezen. De vader heeft het recht een goede band te ontwikkelen met zijn kinderen en moet hiertoe ook in de gelegenheid worden gesteld. De kinderen worden in een steeds groter loyaliteitsconflict getrokken. Het is van groot belang dat de kinderen ook voldoende tijd met hun vader zullen doorbrengen. Dit belang is des te groter vanwege de grote verschillen tussen ouders in velerlei opzichten. Mede uit de observaties die zijn verricht is niet gebleken dat verblijf van de kinderen bij de vader niet in hun belang moet worden geacht. De rechtbank vindt het voor een beslissing over uitbreiding van de zorgregeling van belang het verloop van de opbouw van de schoolgang van de kinderen te betrekken.
Vervangende toestemming
3.11.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om een zogenoemd IAG-traject bij [naam maatschap] te doen opstarten, waarbij de kinderen ook gehoord kunnen worden, eveneens aanhouden. Het kan op dit moment niet de bedoeling zijn het plan van de GI, zijnde een gesprek te organiseren met iHub, [naam maatschap] en de GI, te doorkruisen. De uitkomst van dit gesprek, wat naar het oordeel van de rechtbank niet lang op zich hoeft te laten wachten, is voor nu van meer importantie.
3.12.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen voor hulpverlening voor de kinderen door [naam therapiecentrum 1] of [naam therapiecentrum 2] dan wel een andere door de GI geschikt geachte organisatie, niet zijnde [naam maatschap] , toewijzen. Op dit moment is hulpverlening voor de kinderen naast de schoolgang de andere prioriteit. De kinderen dienen een neutrale professional aan hun zijde te krijgen die hen in deze voor hen intensieve periode kan begeleiden. De rechtbank is met de GI en de Raad van oordeel dat het van ondergeschikt belang is of het wel of geen specialistische hulp betreft. Beide hulpverlenende instanties hebben ervaring met hoogbegaafdheid. Dat er mogelijk door deze instanties geen op dat gebied specialistische hulp kan worden geboden, weegt minder zwaar dan dat hulpverlening voor de kinderen niet nu op de zeer korte termijn van start kan gaan.
3.13.
Gelet op het verloop in deze zaak, acht de rechtbank het belangrijk om vinger aan de pols te houden. De behandeling van de overige verzoeken zal worden aangehouden tot een zitting op
4 december 2025 om 15.00 uur.
3.14.
Er wordt als volgt beslist.

4.De beslissing

De rechtbank:
in zaaknummer C/13/762142 / JE RK 25-4:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie maanden, van 15 oktober 2025
tot 15 januari 2026;
in zaaknummer C/13/731848 FA RK 23/2157:
verleent de vader vervangende toestemming voor hulpverlening voor de kinderen aan te vragen bij door [naam therapiecentrum 1] of [naam therapiecentrum 2] ; dan wel een andere door de GI geschikt geachte organisatie, niet zijnde [naam maatschap] ;
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op alle overige verzoeken aan tot een zitting van dezelfde (kinder)rechter op
4 december 2025 om 15.00 uur.
Deze beslissing is, voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en toewijzing van verzoek van de vader de kinderen in de herfstvakantie extra dagen bij zich te hebben in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 door de rechter
mr. F.P. Lauwaars, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Pandelitschka als griffier, en voor zover het de overige beslissingen betreft uitgesproken en op schrift gesteld op 28 oktober 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.