3.2.Verweerder heeft niet betwist dat de openbaarmaking onomkeerbaar is en verzoekster in zoverre spoedeisend belang heeft. Nu tussen partijen niet is geschil is dat er sprake is van een spoedeisend belang, gaat de voorzieningenrechter daarvan uit.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel boetebesluit
4. De vraag of de boete terecht is opgelegd vergt een indringende toets. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording van de vraag of de boete rechtmatig is opgelegd. Verzoekster heeft namelijk alleen pro forma beroep ingesteld en nog geen aanvullende beroepsgronden tegen de in bezwaar gehandhaafde boete ingediend. De voorzieningenrechter blijft gelet hierop weg van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de boete.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel openbaarmakingsbesluiten
5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat het boetebesluit een bevoegd genomen besluit is in het kader van een aan verweerder door de wetgever toegekende taak om toezicht te houden op de naleving van de regelgeving en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding van die regelgeving. Bij deze toezichthoudende taak past dat boetebesluiten worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak en consumenten en aanbieders worden gewaarschuwd.Artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur bood volgens de Afdeling in het algemeen de basis om boetebesluiten volledig te publiceren. Thans is openbaarmaking gebaseerd op onder meer artikel 3.3, eerste lid, van de Wet open overheid (Woo).Volgens de Afdeling is in die situatie een nadere afweging van belangen geboden. Deze nadere afweging houdt in dit geval in dat het algemene belang dat door onverkorte openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van verzoekster geen onevenredig nadeel te ondervinden als gevolg van de openbaarmaking, waarbij aan het algemeen belang een groot gewicht moet worden toegekend. Om te komen tot een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de openbaarmakingsbesluiten, moet dus een belangenafweging worden gemaakt. De voorzieningenrechter maakt die belangenafweging in het hiernavolgende.
6. Verzoekster voert aan dat openbaarmaking van het boetebesluit haar reputatie ernstig zal aantasten. De publicatie zal veel negatieve publiciteit en daardoor schade opleveren. Het publiceren van de ongefundeerde beschuldigingen tast het vertrouwen van klanten, partners, investeerders en betalingsproviders in verzoekster aan. Dit zal gevolgen hebben voor bestaande en nieuwe samenwerkingen. Gelet op de inhoud van de besluiten bestaat bovendien een risico op claims met alle financiële gevolgen van dien. Daarbij betoogt verzoekster dat artikel 3.1 van de Woo een ontoereikende wettelijke grondslag biedt voor openbaarmaking. Volgens verzoekster moet voor openbaarmaking van bestraffende sancties, zoals bestuurlijke boetes, een openbaarmakingsregime in de bijzondere wet moet zijn opgenomen. Daarbij verwijst verzoekster naar artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder k, van de Woo. Hoewel dit artikel nog niet in werking is getreden druist openbaarmaking van sanctiebesluiten in tegen de bedoeling van dit artikel en is daarmee naar zijn aard onevenredig, aldus verzoekster. Verder stelt verzoekster dat de openbaarmaking onrechtmatig is vanwege onevenredige benadeling van haar.
7. Verweerder hecht eraan sanctiebesluiten openbaar te maken vanwege het maatschappelijk belang om de consument te informeren over, dan wel te waarschuwen voor bepaalde handelspraktijken van aanbieders van kansspelen en de risico's die consumenten
daarbij lopen. Daarnaast beoogt verweerder met de openbaarmaking van sanctiebesluiten transparantie te bieden met betrekking tot het functioneren van haar organisatie. Ten slotte is openbaarmaking van belang in verband met de preventieve werking die van sanctiebesluiten kan uitgaan naar andere ondernemingen en natuurlijke personen. In dit concrete geval gaat het volgens verweerder om ernstige schending van de zorgplicht waar tien jongvolwassen spelers zwaar de dupe van zijn geworden. De algemene belangen die verweerder beoogt te dienen met openbaarmaking van de boete, moeten in dat licht worden bezien en wegen volgens verweerder tegen deze achtergrond extra zwaar.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat het lastig te voorspellen is tot welke gevolgen openbaarmaking van het boetebesluit zal leiden. Hoewel de voorzieningenrechter het voorstelbaar acht dat verzoekster enige negatieve gevolgen zal ondervinden van de publicatie van het boetebesluit, zoals reputatieschade en financiële schade, betekent dat niet zonder meer dat die schade onevenredig is. Verzoekster heeft namelijk onvoldoende en niet met objectieve stukken onderbouwd dat spelers en stakeholders haar zullen wantrouwen, de relaties zullen heroverwegen en verzoekster daardoor in een financiële noodsituatie terechtkomt. Verder heeft verzoekster ook niet aannemelijk gemaakt dat meer spelers hun geld bij verzoekster zullen terugvragen waardoor er een stortvloed aan juridische procedures zal worden aangespannen met bijkomende grote kosten. Daarbij acht de voorzieningenrechter, anders dan verzoekster, relevant dat bij publicatie van het boetebesluit op de website van verweerder wordt vermeld dat nog rechtsmiddelen openstaan tegen het boetebesluit. Als er een rechtsmiddel is aangewend tegen de boete, zoals hier het geval is nu verzoekster beroep heeft ingesteld, is dat ook zichtbaar op de website van verweerder. Daarmee is het voor derden duidelijk in hoeverre het boetebesluit door
de bestuursrechter is beoordeeld en al dan niet onherroepelijk is. Juist juristen en advocatenkantoren zullen in acht nemen of een overtreding al in rechte vaststaat of niet, mochten zij een procedure tegen verzoekster overwegen. Bovendien kan verzoekster eventuele schade verhalen, als blijkt dat het boetebesluit onrechtmatig is.
9. Tot slot volgt de voorzieningenrechter verzoekster niet in haar standpunt dat uit artikel 3.3 van de Woo volgt dat sanctiebesluiten niet openbaar mogen worden gemaakt. Nog daargelaten dat verweerder niet gebonden is aan wetgeving die nog niet in werking is getreden, zou dit immers geen recht doen aan het doel van de wetgever, namelijk een transparantere overheid.
10. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het maatschappelijk belang van openbaarmaking van het boetebesluit door verweerder zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij het voorkomen van (reputatie)schade. Nu de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt, zijn de openbaarmakingsbesluiten naar voorlopig oordeel rechtmatig te achten. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af.