ECLI:NL:RBAMS:2025:7882

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
11754522 EA VERZ 25-685
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en klokkenluidersbescherming in een arbeidsovereenkomst met SFI Markets B.V.

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen de besloten vennootschap SFI Markets B.V. en een werknemer, aangeduid als verzoekster. De werknemer werd op non-actief gesteld na een gesprek over haar bonus en bleef e-mails sturen met beschuldigingen aan het adres van de werkgever, waarbij zij zich als klokkenluider presenteerde. Na een laatste kans werd de werknemer op staande voet ontslagen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag terecht was, omdat de beschuldigingen onterecht en grievend waren, en dat de werknemer niet als klokkenluider kon worden aangemerkt. De verzoeken van de werknemer om het ontslag te vernietigen en om een billijke vergoeding en bonus te ontvangen werden afgewezen. De werkgever kreeg gelijk in zijn tegenverzoeken, waaronder de terugbetaling van eerder betaalde bedragen aan de werknemer. De kantonrechter benadrukte dat de gedragingen van de werknemer niet onder de bescherming van de klokkenluidersregeling vielen, omdat het ging om een individuele kwestie en niet om een maatschappelijke misstand. De uitspraak bevestigde dat het ontslag op staande voet onverwijld en op goede gronden was gegeven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11754522 EA VERZ 25-685
beschikking van: 17 oktober 2025
func.: 364

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]
verzoekster, nader te noemen: [verzoekster]
gemachtigde: mr. E.T. Panneflek
t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SFI MARKETS B.V.

gevestigd te Amsterdam
verweerster, nader te noemen: SFI
gemachtigde: mr. N.T.A. Zeeuwen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft op 18 juni 2025 een verzoekschrift met producties ingediend, waarin zij primair verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen en subsidiair verzoekt voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet vernietigbaar is en een billijke vergoeding toe te kennen. Daarna heeft [verzoekster] op 11 augustus 2025 een aanvullend verzoekschrift met producties ingediend. SFI heeft op 29 augustus 2025 een verweerschrift ingediend, eveneens met producties en een aantal tegenverzoeken. Daarna hebben beide partijen nog aanvullende producties ingediend.
De verzoeken zijn op 8 september 2025 ter zitting behandeld. [verzoekster] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. Voor SFI zijn verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , die eveneens werden vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht aan de hand van een pleitnota en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. De zaak is daarna een week aangehouden omdat partijen in onderhandeling waren over een minnelijke oplossing. Bij e-mail van 17 september 2025 hebben partijen om beschikking gevraagd.
Beschikking is bepaald op vandaag.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1.1.
SFI is een wereldwijd opererend (financieel) handelshuis. Haar werkzaamheden vallen onder toezicht van de AFM en de DNB. SFI hanteert voor haar medewerkers een Personeelshandboek van juli 2014, waarin onder meer een klachten- en meldingsprocedure is opgenomen. Daarnaast geldt er een aparte klokkenluidersregeling, opgesteld in juli 2023.
1.2.
In mei 2024 heeft [verzoekster] , 30 jaar oud, gesolliciteerd bij SFI. In de brief van
24 mei 2024, waarin haar een aanbod is gedaan om in dienst te treden, is onder meer vermeld:
“Bonus Discretionary based on performance (..)Extra - Relocation fee of EUR 4.000,- net (..)*- Assistance to apply for 30% ruling (worth EUR 350,-)*- Accommodation for the first month of your employment (worth EUR 3.500,-)*- Visa application (worth EUR 900,-) (..)** In case of early termination of the first employment contract these costs need to be repaid by [verzoekster] . Signing this offer means that you read and understood this condition. (..)”
1.3.
Bij e-mail van 31 mei 2024 heeft [verzoekster] opheldering gevraagd over de bonus:
“is there any further language around the bonus that you can share with me? Limits/conditions/clawback clausules etc”Waarop SFI heeft geantwoord:
“The bonus is discretionary depending on your results/achieved goals.”
[verzoekster] heeft daarna bedankt voor de uitleg en de brief van 24 mei 2024 ondertekend.
1.4.
Partijen hebben op 30 augustus 2024 een arbeidsovereenkomst ondertekend, waarna [verzoekster] op 1 september 2024 in dienst is getreden bij SFI voor de periode van een jaar, in de functie van sales trader UK market, tegen een (vast) salaris van € 5.000,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. In de arbeidsovereenkomst van 30 augustus 2024 zijn de hierboven genoemde bonus en extra’s niet vermeld.
1.5.
Bij brief van 8 november 2024 is in verband met de 30%-regeling voor expats het salaris van [verzoekster] verhoogd naar € 5.100,- bruto per maand. Later heeft SFI aan [verzoekster] een rentedragende lening verstrekt van € 5.000,- ter overbrugging van de maanden dat de 30%- regeling nog niet voor [verzoekster] gold. Uiteindelijk is de regeling alsnog toegekend en uitbetaald vanaf 1 september 2024.
1.6.
Voordat zij in dienst trad bij SFI, werkte [verzoekster] bij Bloomberg Terminals in het Verenigd Koninkrijk. Daar heeft [verzoekster] zich per 1 april 2024 ziekgemeld. Het dienstverband liep tot 23 augustus 2025. [verzoekster] is een gerechtelijke procedure begonnen tegen Bloomberg, die nog loopt.
1.7.
[verzoekster] is bij SFI begonnen in het team Secondary Sales and Trading. Omdat de samenwerking met haar manager, [naam 1] (tevens medeoprichter van SFI), niet goed liep is na twee maanden besloten dat [naam 2] (managing partner van SFI) de aansturing van [verzoekster] van hem zou overnemen.
1.8.
In de ‘half year review’ van [verzoekster] van 18 november 2024 zijn verbeterpunten opgenomen en targets voor het tweede halfjaar:
- revenue: min. 150-200K in generated revenu from [verzoekster] ’s accounts- onboard 18+ active trading accounts (3 per month) on SFI platform
1.9.
Een maand later is [verzoekster] overgegaan naar het team Syndicated Loans. Vanaf december 2024 was [naam 5] haar nieuwe manager. In december 2024 hebben [naam 5] en [verzoekster] het meerdere keren gehad over de bonus van [verzoekster] en zijn voorstellen gedaan over te behalen targets en de hoogte van de bonus aan het management. Bij e-mail van 15 januari 2025 heeft [naam 5] aan [naam 2] en
[naam 6] (managing partner van SFI) geschreven:
“(..) I had a sit down with [verzoekster] and we agreed on the following points:• She agreed to a more “discretionary formula” for her compensation.• PnL target will be 600k for next book year and 800k+ PnL contribution the following year.• She agreed that PnL contribution is determined at my discretion (not a “fixed” formula), I will inform her of her progress on a quarterly basis. (..)Looks like we have a consensus on how to move forward on the matter, there will not be anymore discussions on this matter for the foreseeable future. (..)”
1.10.
[verzoekster] heeft op haar verzoek op 1 april 2025 rond 10:30 uur een gesprek gehad over (de toekenning van) haar bonus, met [naam 5] , [naam 2] en [naam 6] . [verzoekster] ging ervan uit dat zij een bonus van ongeveer € 65.000,- bruto zou ontvangen. SFI heeft toen uitgelegd dat [verzoekster] , nog los van te behalen targets en goed functioneren, in principe niet in aanmerking kwam voor een bonus over het jaar 2024/2025 omdat zij pas drie maanden bij het team Syndicated Loans werkte. [verzoekster] is vervolgens begonnen over aanhoudende schendingen door SFI, wangedrag van [naam 1] en de angstcultuur binnen SFI, die volgens haar negatieve invloed hadden op haar gezondheid en functioneren. [verzoekster] heeft verder benoemd dat zij had ontdekt dat ze anderhalve maand illegaal had gewerkt voor SFI, dat ze van SFI bij de douane had moeten liegen over de startdatum van haar werkzaamheden, dat ze op instructie van SFI loonheffingsdocumenten moest antedateren, dat de 30%-regeling niet voortvarend was geregeld en dat ze op basis van een onjuiste voorstelling van zaken de arbeidsovereenkomst had getekend. Verder heeft [verzoekster] zich in het gesprek uitgelaten over het gedrag van [naam 1] , dat hij te veel had gedronken tijdens een zakenreis en zichzelf tijdens een vergadering had bevuild met ontlasting. [verzoekster] heeft verzocht in heroverweging te nemen of zij in aanmerking kwam voor een volledige bonus omdat zij er anders ongeveer € 100.000,- op achteruit ging in salaris in vergelijking met haar vorige baan.
1.11.
Nadat het gesprek was beëindigd is tijdens een intern overleg besloten dat [verzoekster] uit haar functie werd ontheven met behoud van salaris en dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. Dit is [verzoekster] kort daarna meegedeeld in een tweede gesprek.
1.12.
[verzoekster] heeft daarna, om 12:01 uur, aan degenen met wie ze het gesprek had gehad, een e-mail gestuurd die zij deels van te voren al had opgesteld en waarin ze een samenvatting geeft van het gesprek en uitlegt waarom zij wel recht heeft op een bonus.
1.13.
Bij e-mail van 1 april 2025 om 18:43 uur heeft [naam 4] (Head of HR) aan [verzoekster] bericht:
“Following our discussion today, we want to formally confirm the terms regarding the conclusion of your employment with SFI Markets.”Daarna is opgesomd dat [verzoekster] vanaf dat moment was vrijgesteld van werk, dat ze in dienst bleef tot 1 september 2025 en tot die datum salaris met vakantietoeslag en -uren kreeg doorbetaald, dat het dienstverband niet werd verlengd en dat de lening van € 5.000,- niet hoefde te worden terugbetaald. Verder schreef [naam 4] :
“Previously, we had asked you to respond by Thursday, however, our decision regarding the conclusion of your employment is final. (..) To clarify, our decision is not based on differences in expectations regarding monetary matters. Over time, there have been multiple allegations and tensions, which have resulted in an irreparable breakdown in the working relationship. Given this, we believe that continuing the employment relationship is no longer viable. (..) We acknowledge your email (..) sent after our discussion today (..). However, we donot confirm agreementwith any of these statements. (..)”
1.14.
Bij e-mail van 2 april 2025 heeft [verzoekster] op deze mail gereageerd en onder meer geschreven:
“(..) To date, I have not pursued damages for the company’s repeated breaches of contract, employment law, and statutory duties – breaches which resulted in nearly six figures of lost annual income, exposed me to potential immigration and tax fraud offences, and were swiftly followed by retaliatory action in response to good faith efforts to resolve matters.Any competent employment or whistleblowing counsel will confirm that I am well within my rights to do so.(..) You are fully aware that I am now being forced to seek legal recourse due to conduct I reported in good faith. (..) I therefor request immediate confirmation that the company will fund appropriate legal advice to allow me to engage with this process fairly and protect my rights. Please also be advised that I reserve the right to bring this matter to the attention of the relevant external authorities, including the Dutch Whistleblowers Authority and, where applicable, the tax and immigration authorities, should it become necessary to ensure appropriate accountability. (..)”
1.15.
Op 3 april 2025 heeft [naam 3] , managing partner van SFI, met [verzoekster] gebeld naar aanleiding van de e-mail van 2 april 2025.
1.16.
Bij e-mail van diezelfde dag heeft [verzoekster] aan [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 2] en [naam 7] (SFI Markets Management) onder meer geschreven:
(..) During this call, Mr. [naam 3]unambiguously attempted to intimidate me out of pursuing my rights via financial and legal threats. He made it clear that if I continue to pursue the legal breaches and whistleblower concerns I have already reported, the company would:• Withdraw my salary (..)• Reinstate the € 5.000,- loan repayment (..)• Retract the promised positive reference (..)Let me be absolutely clear:This was a direct, conditional, and unlawful verbal threat.It was an act of retaliation, intended to intimidate me – a whistleblower – into silence, rather than confronting the internal conduct that has resulted in whistleblowers being created within the company.[verzoekster] heeft verder geschreven dat zij documentatie en opnames had die meerdere gevallen van serieus wangedrag van medewerkers van SFI ondersteunden en zij heeft voorbeelden genoemd waarbij opnieuw [naam 1] en [naam 3] werden aangehaald. [verzoekster] heeft tot slot verzocht om uiterlijk 4 april 2025 te bevestigen dat haar juridische kosten werden gedekt en dat [naam 3] verklaringen niet die van SFI weerspiegelden, bij gebreke waarvan zij het Huis van Klokkenluiders, de AFM, de DNB, de relevante immigratie- en belastingautoriteiten en andere regelgevende kanalen zou inschakelen.
1.17.
Bij e-mail van 4 april 2025 om 13:32 uur heeft SFI laten weten dat [verzoekster] haar, gelet op de aantijgingen, een redelijke termijn moest gunnen om te reageren, dat SFI juridisch advies zou inwinnen en de week erna zou reageren op de e-mails van [verzoekster] .
1.18.
Daarop heeft [verzoekster] diezelfde avond per e-mail laten weten dat SFI de deadline niet had gehaald en dat zij de opname van het telefoongesprek met [naam 3] aan [naam 5] , [naam 6] , [naam 2] en [naam 7] zou sturen als SFI niet binnen
24 uur zou laten weten dat zij de inhoud van dat gesprek niet accepteerde, de afspraak over het kwijtschelden van de lening van € 5.000,- en doorbetaling salaris tot 31 augustus 2025 zou bevestigen en haar juridische bijstand zou aanbieden, waarbij [verzoekster] dacht aan een bedrag van € 5.000,-.
1.19.
Bij e-mail van 5 april 2025 heeft SFI kort gezegd geantwoord dat zij de week erna zou reageren en dat haar verzoek om een vergoeding van de juridische kosten kon worden beschouwd als onderdeel van een algehele regeling naast het aanbod tot doorbetaling van het salaris tot einde arbeidsovereenkomst en kwijtschelding van de lening.
1.20.
Diezelfde dag heeft [verzoekster] om 17:19 uur gereageerd en gedreigd dat als SFI niet voldeed aan haar wettelijke en beleidsmatige verplichtingen, zij om 19:00 uur de zaak zou laten escaleren bij de AFM en bepaalde opnames daarnaar toe zou sturen. [verzoekster] besloot haar e-mail met:
”You have untill 19:00 CET. I will not explain this again.
1.21.
Tussen 5 en 10 april 2025 heeft [verzoekster] (oud)medewerkers en relaties van SFI benaderd over de situatie die speelde bij SFI.
1.22.
Bij e-mail en brief van 10 april 2025 heeft de gemachtigde van SFI op de e-mails van [verzoekster] van 2, 3, 4 en 5 april 2025 gereageerd. Er is op de door [verzoekster] gemaakte verwijten ingegaan en de gemachtigde heeft meegedeeld dat het eerdere beëindigingsvoorstel, dat [verzoekster] niet wilde accepteren, van tafel was. Verder heeft de gemachtigde [verzoekster] erop gewezen dat zij verschillende werknemers en klanten van SFI ongevraagd had benaderd en had verteld over haar ontslag, dat dat niet acceptabel was en heeft zij [verzoekster] gesommeerd daarmee te stoppen. Ook is [verzoekster] gesommeerd zich te onthouden van uitlatingen over [naam 1] . Zo niet dan zou SFI een gerechtelijke procedure beginnen om [verzoekster] een verbod op te leggen en te laten veroordelen tot schadevergoeding.
1.23.
Op 11 april 2025 om 23:01uur heeft [verzoekster] aan alle medewerkers van SFI een
e-mail gestuurd met in de bijlage een geluidsfragment van het telefoongesprek met [naam 3] , waarin onder meer is vermeld:
“You have not seen me in the office since 1 April 2025. This isnotdue to misconduct, underperformance, or any breach on my part. It isbecause I made a protected whistleblowing disclosure under de Wet bescherming klokkenluiders(..), concerninginstructions to commit immigration and tax fraud, as well as seriousmisrepresentations by [naam 1] to induce me into signing a contract, resulting in a six-figure loss to my salary.Attached (..):A recording of senior partner[naam 3](..) deliveringverbal threatsto me, a whistleblower, during an unsolicited phone call on 3 april 2025.”Verder heeft [verzoekster] in de e-mail onder de kopjes “
What I Reported and Why I Was Removed”,
What Happened Next”, “
The Response of a Regulated Financial Institution: Silence, Threats, and Public Erasure”en “
Current Status”- kort gezegd - uiteengezet wat er volgens haar allemaal mis is bij SFI. Zij besluit het bericht met een oproep aan de medewerkers niet mee te werken aan verdere vergelding, doofpotaffaires of medeplichtigheid en dat als zij over relevante informatie beschikten, zij het recht hadden deze te melden aan de AFM of het Huis voor Klokkenluiders.
1.24.
Op 14 april 2025 heeft [verzoekster] aan zeven medewerkers van SFI via Whatsapp een document en drie geluidsopnames gestuurd. [verzoekster] heeft in het meegestuurde document de beschuldigingen herhaald en gewezen op mogelijk crimineel gedrag. Verder heeft zij geschreven:
“They know I’m struggling with my health and am alone in a foreign country. They know the only social circle I had was SFI. (..)”
1.25.
Bij gewone en aangetekende e-mail en brief van 16 april 2025 heeft de gemachtigde van SFI aan [verzoekster] geschreven dat zij zich niet had gehouden aan de sommaties van de brief van 10 april 2025, dat haar acties niet alleen niet acceptabel waren, maar ook schadelijk voor SFI en de individuen die zij bij naam noemde en dat zij zich daarom niet als goed werknemer gedroeg. Verder schreef de gemachtigde van SFI, samengevat, dat het handelen van [verzoekster] een dringende reden vormde voor een ontslag op staande voet en dat SFI haar nog een laatste kans gaf om binnen 48 uur een schriftelijke verklaring af te geven waarin zij zou weergeven dat het verzenden van de e-mail naar alle medewerkers niet proportioneel/passend was en zij niet al haar collega’s op deze manier had mogen betrekken bij deze individuele kwestie tussen haar en SFI. Indien [verzoekster] dat niet binnen de gestelde termijn zou doen of als zij andere escalerende of schadelijke acties zou uitvoeren, kon dat onmiddellijk leiden tot een ontslag op staande voet. SFI heeft daaraan toegevoegd dat het [verzoekster] vrij stond om te proberen de vermeende bonus te claimen via de rechter en moedigde haar daartoe zelfs aan. Als SFI met bepaalde specifieke omstandigheden rekening moest houden bij het besluit over het dienstverband kon [verzoekster] deze binnen 48 uur aan SFI kenbaar maken. SFI heeft gewezen op de gevolgen van een ontslag op staande voet en heeft [verzoekster] aangeraden op korte termijn juridische bijstand te zoeken. Tot slot werd [verzoekster] nogmaals dringend verzocht zich – kort gezegd – te onthouden van contact met (ex)werknemers en klanten van SFI en binnen 48 uur te bevestigen dat zij zich hier onvoorwaardelijk aan zou houden. Zo niet dan zou SFI een gerechtelijke procedure beginnen.
1.26.
Bij gewone en aangetekende e-mail en brief van 18 april 2025 heeft de gemachtigde van SFI [verzoekster] ontslag op staande voet aangezegd, omdat zij niet had gereageerd op de brief van 16 april 2025 en niet de gevraagde verklaring had afgegeven. Daarnaast heeft ze volgens SFI (opnieuw) berichten met ongefundeerde ernstige beschuldigingen gestuurd aan collega’s, geluidsopnames van de gesprekken van 1 en 3 april 2025 en een voice-bericht gedeeld en in deze berichten (opnieuw) ongefundeerde ernstige beschuldigingen herhaald, ook over senior managers van SFI. SFI heeft daarbij verwezen naar haar eerdere e-mail van 10 april 2025.
1.27.
Op 22 april 2025 is SFI erachter gekomen dat [verzoekster] tussen 12 en 22 april 2025 nog drie e-mails had gestuurd, die waren geblokkeerd door het spamfilter. Uit een van de berichten van 12 april 2025 bleek dat [verzoekster] aangifte tegen SFI had gedaan omdat ze vreesde voor haar veiligheid. Ze heeft daarbij de namen van [naam 3] en [naam 1] genoemd. Verder heeft zij onder meer geschreven:
Mental Health Notice: I have disclosed suicidal thoughts to my psychologist and confirmed that I will not act on them.”
1.28.
In een andere e-mail van 12 april 2025, gericht aan 33 medewerkers schreef [verzoekster] dat ze bepaalde informatie over misleiding (ten aanzien van de bonus) tijdens de sollicitatieprocedure, het plegen van immigratiefraude en het vervalsen van een belastingdocument, had doorgegeven aan de AFM, de DNB en het Huis voor Klokkenluiders.
1.29.
Op 21 april 2025 heeft [verzoekster] een e-mail gestuurd aan het management van SFI waaruit bleek dat ze geen kennis had genomen van het ontslag op staande voet. [verzoekster] verweet SFI onder andere dat zij sinds 5 april 2025 geen contact had opgenomen. Als laatste zin schreef [verzoekster] :
“Absent a lawful and appropriate response, I will be compelled to continue regulatory, legal, and public escalation processes consistent with my protected disclosures and as is necessary for my survival.”
1.30.
Bij e-mail van 24 april 2025 heeft SFI aan [verzoekster] bericht dat zij de e-mails van
12 en 22 april 2025 pas op 22 april 2025 heeft gezien en dat haar gemachtigde op
10, 16 en 18 april 2025 e-mails en brieven had gestuurd in reactie op [verzoekster]
e-mail van 5 april 2025, en heeft die nog een keer meegestuurd. Verder heeft SFI geschreven dat zij hierdoor niet op de hoogte was van de kennisgeving van [verzoekster] over haar mentale gezondheid. SFI heeft [verzoekster] in dat kader een budget van € 2.500,- voor mentale gezondheidsondersteuning aangeboden, ondanks dat zij ‘geen werknemer meer was van SFI’.
1.31.
Bij e-mail van 25 april 2025 heeft de gemachtigde van SFI onder meer uiteengezet waarom zij vindt dat [verzoekster] niet onder de klokkenluidersregeling valt.
1.32.
SFI heeft [verzoekster] op 28 april 2025 in kort geding gedagvaard en – samengevat – gevorderd om [verzoekster] te veroordelen tot het staken en gestaakt houden van haar beschuldigingen richting derden, waaronder de media, op straffe van een dwangsom.
1.33.
Bij kort geding vonnis van 9 juli 2025 is [verzoekster] op verbeurte van een dwangsom geboden om – kort gezegd – iedere vorm van communicatie aan (ex)werknemers, klanten en relaties van SFI aangaande het einde van haar arbeidsovereenkomst en aangaande [naam 3] , [naam 1] , [naam 8] , SFI of haar medewerkers, te staken en gestaakt te houden en/of zich te onthouden van verdere beschuldigingen over hen. Ook is [verzoekster] verboden om hierover uitlatingen te doen in de media. In reconventie is de loonvordering van [verzoekster] toegewezen. SFI heeft op 14 juli 2025 een voorschot betaald van € 13.000,-. Bij eindafrekening heeft SFI uiteindelijk, na verrekening van de lening met rente en de juridische kosten, een bedrag van
€ 254,63 betaald.

Het geschil

2. [verzoekster] verzoekt, nu zij niet berust, het ontslag op staande voet te vernietigen en SFI te veroordelen tot doorbetaling van:
a. het loon met emolumenten, onder verstrekking van een bruto/netto-specificatie, vanaf 18 april 2025 tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;
b. de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
c. de transitievergoeding;
d. een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto;
e. een bonus van € 65.000,- bruto;
alles met veroordeling van SFI in de proceskosten.
Bij aanvullend verzoekschrift heeft [verzoekster] voorts verzocht:
j. op de kortst mogelijke termijn de uitspraak van de kort geding rechter van 9 juli 2025 ongedaan te maken dan wel het verbod en gebod zoals aan [verzoekster] opgelegd, op te heffen;
k. te verklaren voor recht dat SFI geen vorderingsrecht heeft op [verzoekster] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst of welke hoofde dan ook en dat SFI geen recht heeft om enig bedrag te verrekenen met enige aan [verzoekster] toekomende financiële aanspraak alsmede SFI te veroordelen tot betaling van het bedrag dat zij ten onrechte heeft verrekend (waaronder ingehouden verlofuren), vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
l. te verklaren voor recht dat de lening van € 5.000,- inclusief rente door SFI is kwijtgescholden en niet hoeft te worden terugbetaald en SFI te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag dat zij op grond hiervan ten onrechte heeft verrekend, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
m. te bepalen dat SFI gehouden is om aan [verzoekster] de bedragen te voldoen die ten onrechte aan salaris zijn ingehouden dan wel niet zijn uitbetaald, met toepassing van de 30%-regeling;
n. SFI te veroordelen tot betaling van € 3.641,56 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijk rente;
o. SFI te veroordelen om op straffe van een dwangsom binnen een maand na einddatum over te gaan tot het verstrekken van een volledige eindafrekening, met bruto/netto-specificatie, en haar te veroordelen tot betaling van de op grond daarvan aan [verzoekster] verschuldigde bedragen;
p. SFI te veroordelen om binnen 14 dagen na de beschikking € 22.500,- netto te betalen aan vergoeding van juridische kosten.
3. [verzoekster] stelt daartoe ten eerste dat het ontslag niet onverwijld is gegeven nu SFI op
11 en 12 april 2025 er al mee bekend was of had kunnen zijn dat [verzoekster] e-mails had gestuurd aan medewerkers en zij pas op 18 april 2025 is ontslagen. Verder stelt zij dat de in de brief van 18 april 2025 genoemde redenen geen dringende reden vormen voor ontslag op staande voet. [verzoekster] had niet de intentie om SFI te schaden, maar zij voelde zich benadeeld door de harde en onredelijke handelswijze van SFI, en heeft slechts willen opkomen voor haar rechten en heeft daarbij haar zorgen geuit over de gang van zaken binnen SFI. De situatie escaleerde op 1 april 2025, toen zij op non-actief werd gesteld en naar buiten wed begeleid. Dit was diffamerend en buitenproportioneel en gezien de kwetsbare positie van [verzoekster] , als expat, bijzonder kwalijk van SFI. Daarna volgde het intimiderende telefoongesprek met [naam 3] . Op geen enkel moment heeft SFI erkend dat dit ‘illegal or unethical behavior’ of ‘concern suspicion of wrongdoing within SFI’ onder de klokkenluidersregeling viel. SFI had [verzoekster] in bescherming moeten nemen maar deed volgens [verzoekster] het tegenovergestelde. Maar zelfs als de klokkenluidersregeling niet van toepassing zou zijn, kan het informeren van collega’s over misstanden niet als een dringende reden kwalificeren. [verzoekster] heeft zich immers pas tot de collega’s gewend toen SFI niet reageerde. Bovendien is het onredelijk om een schriftelijk excuus aan het personeel te verlangen op straffe van een ontslag op staande voet. Klaarblijkelijk was de reden van het ontslag niet dringend maar bedoeld om [verzoekster] te bewegen tot het maken van excuses. Ten slotte heeft SFI onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] , waaronder haar gezondheidsklachten, PTSS, en haar kwetsbare positie als expat.
4. SFI voert hiertegen verweer, waarop hierna zal worden ingegaan. SFI heeft daarnaast tegenverzoeken ingediend.
5. Zij verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot (terug)betaling van:
a. het loon inclusief vakantiegeld van € 24.262,07 bruto, vermeerderd met wettelijke rente;
b. de uitgekeerde wettelijke verhoging van € 2.550,- bruto;
c. de uitgekeerde wettelijke rente van € 162,25 netto;
d. de uitgekeerde verlofuren van € 289,49 bruto;
e. de uitgekeerde relocation fee van € 4.000,- netto;
f. de vergoeding voor de aanvraag voor de 30%-regeling en het visum van € 1.250,- netto;
g. de kosten voor eerste maand huur van € 3.500,- netto;
h. met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van de beschikking.
Tevens verzoekt SFI te verklaren voor recht dat:
i. de aan [verzoekster] verstrekte lening van € 5.000,- inclusief rente van € 122,40 moet worden terugbetaald, althans dat deze mag worden verrekend met enig aan [verzoekster] verschuldigd bedrag;
j. de 30%-regeling per 18 april 2025 niet langer hoeft te worden toegepast, althans – voor zover het ontslag op staande voet niet zou houden en de loonvordering niet wordt afgewezen – niet langer dan tot uiterlijk 1 juni 2025 hoeft te worden toegepast en slechts tot het bedrag dat maximaal wettelijk is toegestaan,
alles met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.
6. Volgens SFI is het ontslag op staande voet terecht gegeven, waarmee de basis voor de voorlopig uitgekeerde bedragen (op grond van het kortgedingvonnis van 9 juli 2025) komt te ontvallen. Voorts is in de aanbiedingsbrief overeengekomen dat de bij aanvang van het dienstverband overeengekomen vergoedingen moeten worden terugbetaald bij een eerder einde van het dienstverband. De gevorderde bedragen zijn dan ook onverschuldigd betaald volgens SFI.
7. [verzoekster] voert verweer tegen deze verzoeken, waarop hierna zal worden ingegaan, voor zover relevant.

Beoordeling

8. De verzoeken en tegenverzoeken hangen zodanig samen dat zij tegelijkertijd worden behandeld.
9. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
10. Hoewel volgens SFI het eerste gesprek op 1 april 2025 allesbehalve prettig verliep en [verzoekster] ook toen al beschuldigingen uitte en dreigde naar de autoriteiten te stappen, heeft SFI op dat moment (terecht) geen reden gezien om [verzoekster] op staande voet te ontslaan. Er is wel overgegaan tot op-non-actiefstelling, met behoud van salaris, en [verzoekster] is te kennen gegeven dat het dienstverband niet werd verlengd per 1 september 2025. De op-non-actiefstelling was, hoewel drastisch, een begrijpelijk besluit, gelet op de geuite beschuldigingen, de te beschermen belangen van SFI en in aanmerking genomen de korte tijd dat [verzoekster] in dienst was en nog zou zijn en het verloop van de arbeidsovereenkomst tot dan toe. Vervolgens heeft [verzoekster] op 2, 3, 4 en 5 april 2025
e-mails gestuurd, waarna het gezien de inhoud, redelijk was dat SFI zich wilde beraden en advies van haar gemachtigde wilde inwinnen, alvorens (de week erna) inhoudelijk te reageren. Dit heeft zij op 5 april 2025 om 15:54 uur ook meegedeeld aan [verzoekster] , die daarna opnieuw een bericht heeft gestuurd om 17:19 uur en bleef herhalen dat de deadline om te reageren 19:00 uur die dag was. [verzoekster] heeft onvoldoende toegelicht dat het stellen van deze zeer korte deadline (op een zaterdag) terecht was. Zij was weliswaar op dat moment op non-actief gesteld, maar met behoud van haar salaris, zodat niet valt in te zien dat de aangekondigde reactie van SFI de week erna niet kon worden afgewacht.
11. Verder geldt het volgende. Ook áls [verzoekster] , zoals zij stelt, verkeerd zou zijn voorgelicht over de bonus, als fouten zouden zijn gemaakt bij de 30%-regeling en de aanvraag van het visum en als [verzoekster] zou zijn gevraagd aan bepaalde instanties andere data dan de werkelijke te noemen, dan gaan de beschuldigingen van [verzoekster] aan het adres van SFI – zoals dat zij gedwongen zou zijn om fraude te plegen en dat [naam 3] zou hebben gedreigd haar financiële rechten te ontnemen – te ver en ook dan kan [verzoekster] niet worden aangemerkt als een klokkenluider in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders noch in de zin van de regeling van SFI zelf. Het gaat hier immers niet om (een redelijk vermoeden van) een maatschappelijke misstand maar om een individuele kwestie, zodat [verzoekster] alleen al daarom niet de bescherming geniet van een klokkenluider. De onenigheid die zij met SFI heeft betreft namelijk haar individuele bonusafspraak, haar individuele 30%-regeling en haar visumaanvraag. Voor zover [verzoekster] al stelt dat dit een standaardpraktijk is van SFI, heeft zij daarvoor geen bewijs geleverd. Verder heeft [verzoekster] specifieke beschuldigingen geuit aan het adres van personeelsleden van SFI, terwijl niet is gebleken dat daarvoor gronden waren. Zo is het drugsgebruik van [naam 1] en/of het zichzelf bevuilen tijdens een vergadering op niets anders gebaseerd dan de verklaring van [verzoekster] (van horen zeggen) zelf. Dat het gesprek met [naam 3] op 3 april 2025 intimiderend zou zijn en [verzoekster] door hem onder druk is gezet volgt verder niet uit de overgelegde geluidsopname daarvan. Dit zijn dan ook, zonder bewijs, grievende beschuldigingen. Gezien de heftige toon van de
e-mails, de ongefundeerde beschuldigingen (die [verzoekster] ook nu niet kan staven), de geuite dreigementen en eisen en de omstandigheid dat SFI op dat moment had vernomen dat [verzoekster] hierover contact had gezocht met (oud)medewerkers en relaties, was de sommatie van SFI van 10 april 2025 om direct te stoppen met deze uitlatingen dan ook redelijk en terecht.
11. Toen SFI erachter kwam dat [verzoekster] de dag na de sommatie op vrijdag 11 april 2025 om 23:01 uur vervolgens een e-mail met nog ernstiger beschuldigingen en aantijgingen stuurde naar het voltallig personeel van SFI, heeft SFI [verzoekster] op 16 april 2025 terecht en tijdig erop gewezen dat haar gedrag en handelen een dringende reden opleverde voor ontslag op staande voet. Om [verzoekster] daarvoor te behoeden, heeft SFI haar op dat moment nog een (laatste) kans gegeven om zelfinzicht te tonen, door toe te geven dat het sturen van de e-mail van 11 april 2025 fout was en zij niet al haar collega’s had moeten betrekken. SFI heeft [verzoekster] daarbij gewaarschuwd dat als zij de gevraagde verklaring niet zou geven, dan wel als zij zou doorgaan met haar acties, dat kon leiden tot een ontslag op staande voet. Toen [verzoekster] geen enkele reactie gaf, terwijl vaststond dat de (aangetekende) brief en e-mail van 16 april 2025 haar hadden bereikt, kon SFI er niet van op aan dat [verzoekster] inzag dat zij fout bezig was en zou stoppen met haar acties. Ook wist SFI inmiddels van de whatsapp-berichten van 14 april 2025 die [verzoekster] had gestuurd naar zeven verschillende medewerkers. SFI moest op dat moment de rust op de werkvloer herstellen en haar organisatie – die valt onder toezicht van de AFM – en werknemers beschermen tegen de schadelijke gedragingen van [verzoekster] . SFI stelt dan ook terecht dat op 18 april 2025 niet langer van haar kon worden gevergd het dienstverband met [verzoekster] voort te zetten en dat zij inmiddels niet anders kon dan ontslag op staande voet geven. Het feit [verzoekster] de e-mail en brief van 10 april 2025 en van 16 april 2025 niet heeft geopend omdat zij dacht dat zij erin werd geluisd, zoals ze heeft verklaard ter zitting, maakt het voorgaande niet anders. Nu vaststaat dat de betreffende brieven en e-mails door [verzoekster] zijn ontvangen, [verzoekster] in die periode steeds zelf per e-mail heeft gecommuniceerd en SFI meermaals heeft gevraagd om te reageren op haar berichten, mocht SFI gerechtvaardigd erop vertrouwen dat [verzoekster] de e-mails van SFI zou openen en lezen en dus op de hoogte was van de waarschuwing van 16 april 2025.
11. [verzoekster] stelt nog dat zij aan CPTSS (een vorm van PTSS) lijdt, zij veel last heeft ervaren van de situatie en dat dat geleid heeft tot psychische overbelasting, automutilatie en een zelfmoordpoging op 22 juni 2025. Hoe naar dit ook is, vaststaat dat zij dit vóór het ontslag nimmer aan SFI heeft medegedeeld en dat [verzoekster] zich niet arbeidsongeschikt heeft gemeld. In het gesprek van 1 april 2025 en het telefoongesprek van 3 april 2025 heeft [verzoekster] weliswaar gemeld dat zij zich bedreigd en onder druk gezet voelde, maar zij heeft niet benoemd dat zij lijdt aan een stoornis en SFI had dat ook niet kunnen weten. De uiting daarover in het document bij de whatsappberichten van 14 april 2025 (zie 1.24) is daarvoor onvoldoende en de e-mails van 12 april 2025 waarin [verzoekster] refereert aan haar psychische toestand heeft SFI, nu deze waren geblokkeerd door het spamfilter, pas na het ontslag op staande voet kunnen lezen (zie hiervoor onder 1.26 tot en met 1.28). Nu [verzoekster] ook in deze procedure zich niet op het standpunt stelt dat haar gedragingen, die aanleiding hebben gegeven voor het ontslag, het gevolg zijn van ziekte/arbeidsongeschiktheid, kan daarvan niet worden uitgegaan. Slotsom is dan ook dat het ontslag op staande voet onverwijld en op goede grond is gegeven.
14. Ten aanzien van de gevraagde bonus geldt dat niet duidelijk is geworden welke targets voor [verzoekster] golden en hoe de bonus werd berekend. Het is weliswaar aan [verzoekster] als verzoekster om dat voldoende toe te lichten, maar het valt SFI te verwijten dat zij, ondanks verzoeken daartoe, destijds niet concreter is geweest over de criteria die golden om aanspraak te maken op de bonus. De e-mail van 15 januari 2025 waarnaar SFI heeft verwezen en waaruit volgt dat [verzoekster] zou hebben ingestemd met een meer “discretionary formula”, maakt dat niet anders, nu deze e-mail niet naar [verzoekster] is gestuurd. Bovendien had zij het recht om (tenminste globaal) te weten wat zij had moeten presteren om in aanmerking te komen voor een bonus en hoe hoog deze dan zou zijn. Daartegenover staat dat SFI terecht aanvoert dat [verzoekster] nog geen jaar bij SFI heeft gewerkt en over het algemeen dan nog geen recht op een bonus bestaat. Volgens SFI waren voorts de prestaties van [verzoekster] onder de maat. Nu er ten slotte onvoldoende aanwijzingen zijn dat [verzoekster] de volgens haar geldende (in gesprekken met [naam 5] genoemde) targets heeft gehaald, is de verzochte bonus niet toewijsbaar.
14. Dat geldt eveneens voor het verzoek tot opheffing van het gebod c.q. verbod dat is opgelegd door de kortgedingrechter. SFI heeft voldoende toegelicht dat zij nog steeds een zwaarwegend belang heeft bij deze veroordeling en uit de verklaringen en houding van [verzoekster] ter zitting is gebleken dat zij weinig oog heeft voor de positie van SFI en niet inziet dat haar ernstige maar ongefundeerde beschuldigingen schade berokkenen aan SFI en enkele van diens senior partners. Daarbij heeft [verzoekster] ook niet toegelicht waarin haar belang is gelegen om tot opheffing over te gaan. Het belang van SFI om de veroordeling te handhaven weegt op dit moment dan ook zwaarder dan het belang van [verzoekster] om het gebod c.q. verbod op te heffen.
14. Ten aanzien van de lening van € 5.000,- geldt dat de kwijtschelding daarvan in de
e-mail van 1 april 2025 (zie 1.13) is genoemd als één van de
voorwaardenmet betrekking tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst (“the terms regarding the conclusion of your employment”). [verzoekster] is in die e-mail gevraagd om uiterlijk de donderdag op het voorstel van SFI een reactie te geven, waarbij SFI heeft meegedeeld dat ten aanzien van het einde van het dienstverband haar besluit vaststond. Hieruit volgt dat de kwijtschelding van de lening dus niet definitief is toegezegd, wat overigens ook volgt uit de e-mail van 5 april 2025 (zie 1.19), waarin is gesteld dat kwijtschelding van de lening onderdeel was van een algehele regeling. [verzoekster] heeft deze minnelijke regeling niet geaccepteerd. Dat betekent dat [verzoekster] de lening moet terugbetalen zoals bij het aangaan ervan tussen partijen is overeengekomen. De verklaring voor recht ten aanzien van de lening zoals verzocht door [verzoekster] (onder rov. 2 sub l) is dan ook niet toewijsbaar, de verklaring voor recht van SFI (onder rov. 5 sub i) wel.
14. SFI heeft de lening vooralsnog verrekend met het aan [verzoekster] uit hoofde van het kort geding vonnis te betalen loon (met wettelijke rente en wettelijke verhoging), zoals te zien is op de loonstrook van juli 2025 (productie 50) en desgevraagd is toegelicht bij e-mail van 28 augustus 2025 (productie 53). Nu wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, zijn de verzoeken van SFI tot terugbetaling van de door haar in het kader van het kortgedingvonnis betaalde bedragen (rov. 5 sub a tot en met c), waarvan [verzoekster] de hoogte niet heeft betwist, toewijsbaar, voor zover deze bedragen niet zijn verrekend, maar daadwerkelijk aan haar zijn uitbetaald. Dit betekent dat de betaalde bedragen van € 13.000,- en € 254,63 moeten worden terugbetaald. De lening kan niet meer worden verrekend met aan [verzoekster] toekomende bedragen, zodat de daarop betrekking hebbende door SFI verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen als hierna is bepaald.
14. Het verzoek van [verzoekster] tot uitbetaling van verlofuren wordt afgewezen. Uit genoemde toelichting van productie 53 volgt dat [verzoekster] bij een einde van het dienstverband per 18 april 2025 meer verlofuren heeft genoten dan opgebouwd. [verzoekster] heeft verder niet toegelicht dat zij nog recht heeft op uitbetaling van 72 uur aan verlofuren. Deze uren komen dan ook niet voor uitbetaling in aanmerking. Het verzoek tot betaling van teveel betaalde verlofuren van SFI is wel toewijsbaar gelet op de genoemde toelichting.
19. De overige tegenverzoeken van SFI (onder rov. 5 sub e tot en met g) zijn toewijsbaar. In de aanbiedingsbrief van 24 mei 2025, waarmee [verzoekster] akkoord is gegaan, is bepaald dat bij voortijdige beëindiging van de (eerste) arbeidsovereenkomst de kosten – te weten de relocation fee en de kosten voor hulp bij de 30%-regeling, de eerste maand huur en de visum aanvraag – moeten worden terugbetaald. Daarbij is benadrukt dat [verzoekster] door het ondertekenen van de aanbiedingsbrief verklaarde dat zij deze voorwaarden had gelezen en begrepen. Hoewel deze aanbiedingen niet in de schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn opgenomen, heeft [verzoekster] nadien aanspraak gemaakt op de (alleen) in deze aanbiedingsbrief genoemde 30%-procent regeling en bonus. Bovendien is onbetwist gebleken dat SFI de toegezegde verhuiskosten, huisvestingskosten in de eerste maand, de kosten voor de 30%-regeling en het visum heeft betaald. Geconcludeerd wordt dan ook, anders dan [verzoekster] stelt, dat voor beide partijen duidelijk was dat de gemaakte afspraken in de aanbiedingsbrief naast de getekende arbeidsovereenkomst bleven gelden. Dat betekent dat ook de voorwaarden die SFI in de aanbiedingsbrief heeft gesteld, dat bij voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst de betaalde bedragen moeten worden terugbetaald, tussen partijen gelden. Aangezien het ontslag op staande voet van 18 april 2025 stand houdt, heeft SFI terecht aanspraak gemaakt op terugbetaling van deze kosten. Ook de rente daarover is vanaf betekening van de beschikking toewijsbaar. Nu het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd op 18 april 2025, hoeft per die datum de 30%-regeling niet meer te worden toegepast, zodat de verzochte verklaring voor recht van SFI onder rov. 5 sub j eveneens wordt toegewezen.
20. Uit het voorgaande vloeit voort dat het verzoek van [verzoekster] tot een verklaring voor recht dat SFI geen vorderingsrecht heeft op [verzoekster] en geen recht heeft om enig bedrag te verrekenen (rov. 2 sub k), wordt afgewezen. Het verzoek om een eindafrekening op te maken, met een netto/bruto-specificatie, rekening houdende met hetgeen hiervoor is overwogen wordt wel toegewezen. De verzochte dwangsom wordt afgewezen nu geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat SFI deze niet tijdig zal verstrekken.
21. Nu [verzoekster] grotendeels in het ongelijk is gesteld heeft zij geen recht op een vergoeding van de juridische kosten en wordt zij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van SFI.

BESLISSING

De kantonrechter:
op de verzoeken van [verzoekster] :
veroordeelt SFI om binnen één maand na heden over te gaan tot het opstellen en verstrekken aan [verzoekster] van een volledige eindafrekening, voorzien van een deugdelijke bruto/netto-specificatie;
wijst het meer of anders verzochte af;
op de verzoeken van SFI:
veroordeelt [verzoekster] tot terugbetaling aan SFI van:
a. € 13.254,63 netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot de algehele betaling;
b. de uitgekeerde verlofuren van € 289,49 bruto;
c. de uitgekeerde relocation fee van € 4.000,- netto;
d. de vergoeding voor de aanvraag voor de 30%-regeling en het visum van in totaal
€ 1.250,- netto;
e. de kosten voor eerste maand huur van € 3.500,- netto;
f. de wettelijke rente over de bedragen onder sub b tot en met g, vanaf de datum van betekening van de beschikking tot de algehele betaling;
verklaart voor recht dat:
- de door SFI aan [verzoekster] verstrekte geldlening van € 5.000,- inclusief de verschuldigde rente van € 122,40 moet worden terugbetaald;
- de 30%-regeling per 18 april 2025 niet langer door SFI hoeft te worden toegepast;
wijst het meer of anders verzochte af;
op beide verzoeken:
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten die aan de zijde van SFI tot op heden begroot worden op € 1.086,- aan salaris van de gemachtigde en € 67,50 aan nakosten, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter, bijgestaan door
mr. T.C. van Andel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025.