ECLI:NL:RBAMS:2025:7881

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/764150 / HA ZA 25-292
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inbreuk op eigendomsrecht en schadevergoeding in steigerbouwgeschil tussen PSB Steigers B.V. en Twee B.V.

In deze civiele zaak, uitgesproken door de Rechtbank Amsterdam op 22 oktober 2025, staat de inbreuk op eigendomsrechten centraal. PSB Steigers B.V. (hierna: PSB) heeft Twee B.V. (hierna: Twee) aangeklaagd wegens het onrechtmatig meenemen van goederen, waaronder GEDA-liften en rolsteigers, die zich op het terrein van PSB bevonden. PSB vorderde een schadevergoeding van € 79.112,13, vermeerderd met rente, en stelde dat Twee inbreuk had gemaakt op haar eigendomsrechten. Twee voerde verweer en vorderde in reconventie onder andere betaling van wettelijke handelsrente en teruggave van materialen. De rechtbank oordeelde dat PSB de eigenaar was van de GEDA-liften en rolsteigers, en dat Twee onrechtmatig had gehandeld door deze goederen weg te nemen. De rechtbank wees de vordering van PSB toe en veroordeelde Twee tot betaling van € 64.112,13, vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen van Twee in reconventie werden afgewezen, evenals de verzoeken tot teruggave van materialen en de verklaring voor recht over de gelegde beslagen. De proceskosten werden toegewezen aan PSB, die grotendeels in het gelijk werd gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764150 / HA ZA 25-292
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PSB STEIGERS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten: mrs. J.L.M. Wonders en M. van Daal,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TWEE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. F.J.M. Kobossen.
Partijen worden hierna PSB en Twee genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 januari 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 september 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
PSB verricht steigerbouw in met name de omgeving van [plaats 1] . Samen met Perfect Steiger Bouw B.V. vormt zij het PSB-concern. Twee en PSB huurden twee naast elkaar gelegen terreinen voor onder andere opslag van materialen. PSB huurde ook een deel van het terrein van Twee.
2.2.
Tot 7 oktober 2024 hield [naam 1] (hierna: [naam 1] ) via zijn vennootschap Twee 50% van de aandelen in het PSB-concern. De andere 50% van de aandelen werd gehouden door [naam 2] (hierna: [naam 2] ) via zijn vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Twee en [bedrijf] waren ook bestuurders van het PSB-concern.
2.3.
Naar aanleiding van een verstoorde verhouding tussen [naam 1] en [naam 2] heeft een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling van deze procedure op 12 september 2024 hebben Twee en [bedrijf] , beiden mede namens het PSB-concern, een schikking getroffen.
2.4.
Als gevolg van deze schikking heeft Twee op 7 oktober 2024 haar aandelen in het PSB-concern overgedragen aan [bedrijf] en is zij afgetreden als bestuurder. Het grootste deel van de koopprijs voor de aandelen moest bij closing worden betaald, een bedrag van € 500.000,00 moest worden betaald uiterlijk zes maanden na closing.
2.5.
Naast de aandelenoverdracht kwamen partijen bij de schikking onder andere het volgende overeen:
“4) Uiterlijk bij Closing zal [naam 1] bij [naam 2] inleveren: bankpassen, sleutels, steigers en tankpassen en alle aan PSB toebehorende eigendommen, met uitzondering van de op dit moment in [plaats 2] in gebruik zijnde steigers, die uiterlijk 31 oktober 2024 zullen worden overgedragen aan [naam 2] .”
2.6.
Twee heeft op 20 september 2024 een e-mail naar [bedrijf] gestuurd met daarbij een lijst met materialen die zich op het terrein van PSB bevinden. Twee schrijft in die e-mail dat die materialen haar eigendom zijn en destijds aan PSB in bruikleen zijn gegeven. Twee kondigt aan dat zij deze materialen van het terrein van PSB zal verwijderen en naar het terrein van Twee zal brengen.
2.7.
Op 29 september 2024 heeft Twee rolsteigers, GEDA-liften, een aanhanger en twee bandeleerapparaten meegenomen van het terrein van PSB. Dat zijn slechts een paar van de materialen die op de lijst bij de e-mail van 20 september stonden. [bedrijf] heeft Twee dezelfde dag gesommeerd tot het retourneren van deze spullen.
2.8.
In het najaar van 2024 is PSB verhuisd. Op het oude terrein van PSB waren loodsen aanwezig. In het kader van de verhuizing van PSB heeft PSB de loodsen willen verkopen aan een externe partij. [naam 1] heeft deze externe partij verteld dat de loodsen aan Twee toebehoorden en dat ze daarom niet van PSB gekocht konden worden.
2.9.
Op 24 december 2024 heeft PSB Twee onder andere gesommeerd de meegenomen spullen te retourneren en een schriftelijke mededeling aan PSB te doen toekomen waarin Twee en [naam 1] erkennen dat de loodsen eigendom zijn van PSB en niet van Twee en [naam 1] . Twee heeft niet aan deze sommatie voldaan.
2.10.
Vervolgens heeft PSB op 7 januari 2025 een brief gestuurd met daarin de mededeling dat zij niet langer verwacht dat Twee de spullen zal retourneren en zal meewerken aan verkoop van de loodsen, zodat Twee daarmee inbreuk maakt op de eigendomsrechten van PSB.
2.11.
Op 28 februari 2025 heeft PSB een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verlof verleend tot een bedrag van € 102.800,00, waarna PSB op 3 maart 2025 derdenbeslag heeft gelegd onder ING Bank N.V. (hierna: ING) ten laste van Twee.
2.12.
Op 7 maart 2025 heeft PSB € 200.000,00 van het restant van de overnamesom aan Twee betaald, op 14 maart 2025 de resterende € 300.000,00.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
PSB vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
i. voor recht verklaart dat Twee onrechtmatig jegens PSB heeft gehandeld door inbreuk te maken op de eigendomsrechten van PSB,
ii. Twee veroordeelt tot betaling van € 79.112,13, vermeerderd met rente en met veroordeling van Twee in de kosten van deze procedure.
3.2.
Twee voert verweer. Twee concludeert tot afwijzing van de vorderingen van PSB, met veroordeling van PSB in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
Twee vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, met veroordeling van PSB in de kosten van deze procedure:
voorwaardelijk
i. PSB veroordeelt tot betaling van € 25.961,66 aan verschuldigde rente over de overnamesom, vermeerderd met wettelijke rente,
primair
ii. PSB veroordeelt tot afgifte van de roerende zaken zoals weergegeven in productie A, op straffe van een dwangsom, althans als niet wordt afgegeven PSB te veroordelen tot betaling van € 15.000,00, vermeerderd met wettelijke rente,
iii. voor recht verklaart dat de door PSB de gelegde beslagen onrechtmatig zijn en PSB veroordeelt tot betaling van € 20.000,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke (handels)rente,
iv. PSB veroordeelt tot betaling van € 800,00 per dag aan schadevergoeding vanaf 27 maart 2025 tot aan de dag dat het beslag is opgeheven c.q. ongedaan is gemaakt,
v. de gelegde beslagen opheft c.q. PSB veroordeelt tot opheffing van de gelegde beslagen op straffe van een dwangsom,
subsidiair
vi. PSB veroordeelt tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding door de rechtbank in goede justitie te betalen, althans,
vii. de procedure in reconventie verwijst naar de schadestaatprocedure.
3.4.
PSB voert verweer. PSB concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Twee, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Twee, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Twee in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of Twee inbreuk gemaakt heeft op eigendomsrechten van PSB. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het gaat om de GEDA-liften, bandeleermachines, rolsteigers en de loodsen. Volgens PSB bestaat de inbreuk enerzijds uit het meenemen door Twee van de GEDA-liften, bandeleermachines en rolsteigers die op het terrein van PSB stonden. Anderzijds heeft Twee volgens PSB inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht door te pretenderen dat de loodsen van Twee zouden zijn waardoor de verkoop van de loodsen aan een externe partij is geblokkeerd. Volgens Twee behoren de zaken tot haar eigendom dan wel tot het privé-eigendom van [naam 1] , zodat zij geen inbreuk heeft gemaakt op enig eigendomsrecht van PSB.
GEDA-liften en bandeleermachines
4.2.
Tussen partijen staat vast dat de GEDA-liften en de bandeleermachines zich bevonden op het terrein dat door PSB werd gehuurd. De wettelijke vermoedens van artikel 3:109 en 3:119 BW brengen mee dat PSB wordt vermoed de zaken voor zichzelf te houden en daarmee bezitter te zijn en dat zij als bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn van de goederen. Dit wettelijk vermoeden kan door Twee worden weerlegd, door tegenbewijs te leveren. Voordat de rechtbank Twee toelaat tot het leveren van tegenbewijs, moet zij echter voldoende concrete feiten hebben aangevoerd die voor bewijslevering in aanmerking komen. Dit heeft zij niet gedaan. Twee heeft haar stellingen dat de GEDA-liften en de bandeleermachines haar eigendom zijn in het geheel niet onderbouwd met stukken, zodat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De feitelijke stellingen van Twee zijn onvoldoende om tot tegenbewijs te worden toegelaten. De GEDA-liften en bandeleermachines behoorden dus tot het eigendom van PSB, zodat Twee inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van PSB door deze goederen weg te nemen. Een dergelijke inbreuk op eigendomsrecht is onrechtmatig.
Rolsteigers
4.3.
Ook de rolsteigers bevonden zich op het terrein van PSB. Partijen zijn het er echter over eens dat de rolsteigers in elk geval eerst tot het eigendom van Twee behoorden. PSB betaalde Twee in de jaren 2010-2011 eerst een gebruiksvergoeding van driemaal € 40.000,00 en daarna een aantal maandelijkse termijnen van € 3.500,00. Dat betekent dat de wettelijke vermoedens hier op grond van artikel 3:111 BW niet gelden. PSB stelt dat zij de rolsteigers in 2012 van Twee heeft gekocht. In 2012 heeft PSB nog meer maandelijkse betalingen van € 3.500,00 aan Twee gedaan, maar nu met omschrijving ‘overnamesom’, zoals volgt uit de door haar overgelegde uitdraaien van het boekhoudsysteem.
4.4.
Twee betwist dat zij de rolsteigers aan PSB heeft verkocht en betwist de juistheid van de omschrijving op de uitdraaien uit het boekhoudsysteem van PSB. Zij heeft echter niet gesteld of laten zien met welke omschrijving de betalingen uit 2012 dan in haar administratie zijn geboekt. Bovendien staat vast dat Twee vanaf 2012 geen betalingen meer heeft ontvangen van PSB. Er is dus nadien geen gebruiksvergoeding meer betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Twee toegelicht dat zij inderdaad een bepaalde periode geen facturen heeft gestuurd voor de gebruiksvergoeding, omdat PSB in die periode ook een compagnon moest uitkopen waar anders niet voldoende geld voor was. Twee heeft toegelicht dat zij om deze reden niet langer factureerde en dat zij dat later ook niet meer heeft hersteld. Wat er ook zij van die toelichting, daarmee staat vast dat Twee nadien geen aanspraak meer heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding en dat zij ook nooit haar gestelde eigendom heeft opgeëist. Hiervoor heeft zij geen verklaring gegeven. In dat kader vindt de rechtbank met name relevant dat Twee haar gestelde eigendomsrecht ook niet kenbaar maakte toen de verhouding met [bedrijf] verstoord raakte en ten tijde van de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. Daarbij komt nog dat bij de schikking die is getroffen bij de Ondernemingskamer ook niet is gesproken over de afwikkeling van het door Twee gestelde eigendom, terwijl in die vaststellingsovereenkomst wel is opgenomen welke goederen Twee aan PSB moest retourneren. In het kader van een schikking wordt over het algemeen beoogd zoveel mogelijk resterende geschilpunten tussen partijen af te wikkelen, zodat opvallend is dat Twee hier niet over heeft gesproken. Al met al is de kale betwisting van de koop van de rolsteigers onvoldoende. De rechtbank gaat er dus vanuit dat PSB de rolsteigers van Twee heeft gekocht en daar eigenaar van is geworden. Ook hier geldt dat Twee met het wegnemen van de rolsteigers inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van PSB, hetgeen onrechtmatig is.
Loodsen
4.5.
Volgens PSB heeft Twee ook inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht door te pretenderen dat de loodsen van Twee zouden zijn, waardoor de verkoop van de loodsen aan een externe partij zou zijn geblokkeerd. Hierin wordt PSB niet gevolgd. De gestelde inbreuk op het eigendomsrecht is in dit geval alleen gelegen in mededelingen van [naam 1] aan de potentiële koper dat de loodsen van hem waren en daarnaast dat Twee niet zou meewerken aan verkoop en de feitelijke levering zou blokkeren. Die laatste mededeling is door Twee betwist. Zelfs als de rechter uitgaat van de juistheid daarvan, zijn de mededelingen echter onvoldoende voor een inbreuk op het eigendomsrecht. Het gaat immers slechts om mededelingen, geen feitelijke inbreuk. Ten aanzien van de loodsen is dan ook niet gebleken van een daadwerkelijke feitelijke inbreuk op het eigendomsrecht van PSB, zodat hier geen sprake is van een onrechtmatige gedraging van Twee.
Schade
4.6.
De conclusie is dat Twee ten aanzien van de GEDA-liften, bandeleermachines en rolsteigers onrechtmatig heeft gehandeld door deze van PSB weg te nemen. Als gevolg hiervan heeft PSB schade geleden doordat zij deze goederen opnieuw heeft moeten aanschaffen. Deze schade heeft PSB onderbouwd met stukken, te weten offertes van verschillende externe partijen waaruit blijkt dat met vervanging van de goederen – na verrekening van een bedrag van € 892,87 – nog een bedrag van € 64.112,13 gemoeid is. Twee heeft de hoogte van de schade onvoldoende betwist. Dit bedrag is dus toewijsbaar. Omdat Twee ten aanzien van de loodsen geen inbreuk heeft gemaakt op enig eigendomsrecht van PSB, komt de door PSB gestelde schade op dit punt niet voor vergoeding in aanmerking.
4.7.
Het verweer van Twee dat een ‘nieuw voor oud’ correctie zou moeten worden toegepast gaat niet op. De nieuwe steigers zijn inderdaad meer waard dan de oude steigers, maar voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW geldt dat het redelijk moet zijn dat het voordeel op de schade in mindering moet worden gebracht. Dat is hier niet het geval, omdat Twee zich bewust goederen van een ander heeft toegeëigend en heeft geweigerd deze goederen terug te geven.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat Twee wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 64.112,13 aan PSB. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025.
Verklaring voor recht
4.9.
Omdat het hiervoor genoemde bedrag wordt toegewezen heeft PSB de gevorderde verklaring voor recht niet meer nodig. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
Proceskosten
4.10.
Twee is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PSB worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat
€ 2.428,00(2 punten x € 1.214,00)
Totaal € 5.542,40
Omdat in conventie en in reconventie maar één keer nakosten hoeven te worden gemaakt, worden de nakosten in conventie meegenomen in de proceskostenveroordeling in reconventie.
in reconventie
Rente
4.11.
Volgens Twee is zij bij het treffen van de schikking met PSB overeengekomen dat PSB wettelijke handelsrente verschuldigd zou zijn over het deel van de overnamesom die PSB later wenste te doen. Twee heeft toegelicht dat tijdens de onderhandelingen op de gang bij de Ondernemingskamer door de heer [naam 3] , de boekhouder van PSB, is gezegd dat
“PSB uiteraard de verschuldigde wettelijke handelsrente zou voldoen, als PSB de verlengde periode nodig had”.Hierop heeft de raadsman van Twee gezegd dat de regeling kon worden aanvaard, aldus Twee.
4.12.
PSB betwist dat zij met Twee rente over de uitgestelde overnamesom is overeengekomen. Zij betwist dat de heer [naam 3] deze uitspraak heeft gedaan en stelt zich daarnaast op het standpunt dat de heer [naam 3] – als financieel administratiemedewerker van PSB – niet namens PSB bevoegd is dergelijke verbintenissen aan te gaan. Daar komt nog bij dat uit de vaststellingsovereenkomst ten behoeve van de schikking die partijen hebben getroffen niet blijkt dat PSB de door Twee gestelde rente verschuldigd zou zijn.
4.13.
Ook hier geldt dat bij het vastleggen van een schikking in een vaststellingsovereenkomst wordt beoogd zoveel mogelijk, al dan niet alle, geschilpunten tussen partijen te beëindigen. Relevant is hier ook dat de schikking is getroffen met bijstand van advocaten, zodat verwacht kan worden dat alle geschilpunten en bedoelingen van partijen in de schikking worden meegenomen. De rechtbank hecht bij de uitleg van de afspraken tussen partijen dan ook veel belang aan de tekst van de vaststellingsovereenkomst. Hieruit blijkt niet dat PSB de door Twee gestelde rente verschuldigd zou zijn. Om deze redenen kan niet worden aangenomen dat PSB wettelijke handelsrente verschuldigd is over de uitgestelde overnamesom, zodat de voorwaardelijke vordering van Twee wordt afgewezen.
Teruggave materialen aan Twee
4.14.
Twee vordert de materialen die zij heeft opgesomd in haar mail van 20 september 2024 (zie 2.6) terug van PSB. Deze goederen komen uit een verdeling die in de jaren 2006-2007 tot stand is gebracht met een voormalig zakenpartner van Twee. Bij het einde van deze samenwerking verkreeg Twee die goederen.
4.15.
Twee beroept zich op het eigendomsrecht. Omdat de goederen zich op het terrein van PSB bevonden, gelden ook hier de wettelijke vermoedens uit artikel 3:109 en 3:119 BW, zodat PSB wordt vermoed rechthebbende te zijn van deze goederen. Twee heeft onvoldoende gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, alleen de enkele stelling dat zij de goederen heeft verkregen uit de verdeling van een eerdere samenwerking. Zij heeft deze stelling helemaal niet concreet gemaakt of met stukken onderbouwd. Dit betekent dat de vordering van Twee tot teruggave van de goederen wordt afgewezen.
Beslag
4.16.
Twee stelt zich op het standpunt dat de door PSB gelegde derdenbeslagen onder ING ten laste van Twee onrechtmatig zijn en dat zij door het beslag schade heeft geleden. Hiertoe voert zij onder andere aan dat PSB niets te vorderen heeft van Twee en dat PSB het beslag ook onder zichzelf had kunnen leggen of op onroerend goed van Twee. Het beslag was volgens Twee onevenredig omdat verlof was verleend voor een bedrag van € 102.800,00 en het beslag uiteindelijk tot een veel hoger bedrag doel heeft getroffen.
4.17.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de aansprakelijkheid voor een beslag dat is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor misbruik van recht. In dit geval gaat het om een beslag dat voor de juiste hoogte is gelegd, maar dat doel heeft getroffen tot een veel hoger bedrag, namelijk ruim € 2,5 miljoen. Dat maakt het beslag echter nog niet onrechtmatig. Allereerst staat vast dat het beslag niet ten onrechte is gelegd. In conventie is de vordering van PSB immers grotendeels toegewezen. Ten tweede is van belang dat PSB in het verzoekschrift heeft toegelicht waarom zij beslag wilde leggen op de bankrekening en niet onder zichzelf of op het onroerend goed van Twee. De voorzieningenrechter was er dus mee bekend dat er andere mogelijke beslagobjecten waren, maar heeft verlof gegeven voor het leggen van beslag onder ING. Ten derde is van belang dat PSB direct nadat Twee daarom had gevraagd, heeft aangeboden het beslag op te heffen na het stellen van een bankgarantie. Dit heeft Twee niet gedaan en zij heeft evenmin gesteld dat dit niet mogelijk was. Desondanks heeft PSB het beslag op een later moment wel aanzienlijk beperkt. Gelet op al het voorgaande kan niet worden gezegd dat sprake is van misbruik van recht, zodat het door PSB gelegde beslag niet onrechtmatig was. Dit betekent dat de door Twee gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen en de door Twee gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Proceskosten
4.18.
Twee is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat in conventie en reconventie samen maar één keer nakosten hoeven te worden gemaakt. De proceskosten van PSB worden begroot op:
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.706,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt Twee om aan PSB te betalen een bedrag van € 64.112,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 7 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Twee in de proceskosten van € 5.542,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van Twee af,
5.6.
veroordeelt Twee in de proceskosten van € 2.706,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Twee niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. J.D. Tameris, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.