ECLI:NL:RBAMS:2025:7748

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
25/1421
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 AmsterdamArtikel 5.10 Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 AmsterdamArtikel 6 Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 AmsterdamArtikel 9 Parkeerverordening 2013 AmsterdamArtikel 40 Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bewonersparkeervergunning voor bedrijfsvoertuig in Amsterdam

Eiser, werkzaam als bergingschauffeur voor een bedrijf, vroeg een bewonersparkeervergunning aan voor een 10-tons bergingsvoertuig dat hij gebruikt tijdens piket- en weekenddiensten bij calamiteiten in Amsterdam. Het college wees deze aanvraag af omdat het adres van eiser in een vergunninggebied ligt waar per adres slechts één vergunning kan worden verleend, verminderd met het aantal stallingsplaatsen. Eiser beschikte over een stallingsplaats, waardoor het aantal toe te kennen vergunningen op nul kwam.

Eiser stelde dat de hardheidsclausule van toepassing moest zijn vanwege het bijzondere karakter van het hulpverleningsvoertuig en de noodzaak snel te kunnen parkeren nabij zijn woning. Ook voerde hij aan dat de parkeerkosten op straat hoger zijn dan de kosten van een vergunning, wat een financiële ongelijkheid zou veroorzaken. Het college bleef bij haar besluit en het beroep werd door de rechtbank behandeld.

De rechtbank oordeelde dat de hardheidsclausule slechts in zeer bijzondere gevallen geldt en dat hier vooral een financieel belang van het bedrijf speelt. Omdat eiser het voertuig wel nabij zijn woning kan parkeren tegen gebruikelijke parkeerkosten en er geen bewijs was dat deze kosten onoverkomelijk zijn, mocht het college in redelijkheid afzien van toepassing van de hardheidsclausule.

Verder merkte de rechtbank op dat er een langdurige relatie bestaat tussen het bedrijf en het college en dat het wenselijk is dat partijen in gesprek blijven over mogelijke oplossingen. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bewonersparkeervergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/1421

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[bedrijf](hierna: [bedrijf] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning voor bewoners (hierna: bewonersvergunning) voor een bedrijfsvoertuig van [bedrijf] . Eiser is het niet eens met de afwijzing en heeft in zijn beroepschrift aangegeven waarom. Aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
2. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag voor een bewonersvergunning op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een bewonersvergunning aangevraagd. Met het besluit van 11 november 2024 heeft het college de bewonersvergunning geweigerd. In reactie op het bezwaar van eiser is het college met het bestreden besluit van 6 februari 2025 bij haar eerdere besluit gebleven: eiser krijgt geen bewonersvergunning.
4. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van het college en [naam] namens [bedrijf] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiser is als bergingschauffeur werkzaam voor [bedrijf] . Hij heeft een bewonersvergunning op zijn eigen adres in Amsterdam aangevraagd voor een bedrijfsvoertuig van [bedrijf] , een 10-tons bergingsvoertuig. Eiser gebruikt dit voertuig tijdens piket- en weekenddiensten bij calamiteiten op de weg in en rondom Amsterdam. Om in geval van calamiteiten zo snel mogelijk ter plaatse te kunnen zijn, is het wenselijk dat eiser het bedrijfsvoertuig in de buurt van zijn eigen adres kan parkeren. Dit staat in een brief van 20 november 2024 van Stichting Incident Management Nederland. Eiser parkeert het bergingsvoertuig op dit moment bij hem in de buurt van zijn adres tegen gebruikelijke parkeerkosten. Dit doet eiser één avond in de week en één weekend iedere drie weken. [bedrijf] betaalt de parkeerkosten.
7. Het adres van eiser is gelegen in deelvergunninggebied [locatie] . [1] In dit gebied kan per adres één bewonersvergunning worden verleend, [2] verminderd met het aantal stallingsplaatsen waarover de aanvrager beschikt. [3] Eiser betwist niet dat hij een stallingsplaats heeft. Het aantal aan hem te verlenen bewonersvergunningen bedraagt daarmee nul. Dit is tussen partijen niet in geschil. De vraag is of – zoals eiser betoogt – de hardheidsclausule [4] van toepassing is en of eiser daarmee toch in aanmerking kan komen voor een bewonersvergunning.
8. Eiser vindt namelijk dat de hardheidsclausule van toepassing is omdat zijn situatie zich bijzonder onderscheid van de situatie van de andere bewoners. In zijn geval gaat het om een hulpverleningsvoertuig dat bij calamiteiten zo snel mogelijk ter plaatse moet zijn. Dit geldt niet voor de andere bewoners. Daarnaast voert eiser aan dat de omwonenden zijn geïnformeerd over het parkeren van de bergingsauto. Verder vindt eiser dat de kosten van de bewonersvergunning en de gebruikelijke parkeerkosten op straat niet met elkaar in verhouding zijn. [bedrijf] onderschrijft het standpunt van eiser.
9. De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule alleen van toepassing is in zeer bijzondere gevallen. Op de zitting is duidelijk geworden dat het in deze zaak in de kern om een financieel belang van [bedrijf] gaat: een bewonersvergunning bedraagt aanzienlijk minder dan de gebruikelijke parkeerkosten op straat. De rechtbank is van oordeel dat het college in dit financiële belang geen aanleiding heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Eiser kan de bergingsauto immers wel parkeren in de buurt van zijn adres, zij het tegen de gebruikelijke parkeerkosten. Niet is gebleken dat eiser dan wel [bedrijf] deze parkeerkosten niet zouden kunnen dragen en dat deze kosten tot financiële problemen zouden leiden. De rechtbank concludeert daarmee dat het college in redelijkheid heeft mogen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.
10. De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat er tussen [bedrijf] en het college al lange tijd een (indirecte [5] ) relatie bestaat. Gelet op deze langdurige relatie en het publieke belang van het college dat [bedrijf] tijdig hulp verleent bij calamiteiten op de wegen in en rondom Amsterdam, acht de rechtbank het wenselijk dat partijen met elkaar in gesprek blijven over mogelijke oplossingen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2 van Pro het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam juli 2024 (het Uitwerkingsbesluit) en onderdeel 5.10, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Uitwerkingsbesluit.
2.Artikel 6, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit.
3.Artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 (de Parkeerverordening).
4.Artikel 40 van Pro het Uitwerkingsbesluit.
5.[bedrijf] verricht deze werkzaamheden in opdracht van de Stichting Incident Management Nederland (Stichting IMN) die met deze taak is belast door Rijkswaterstaat en de Gemeente Amsterdam.