ECLI:NL:RBAMS:2025:7591

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
25/5437
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening voor noodopvang van moeder en minderjarig kind afgewezen vanwege bindingseis

Op 6 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekster, een moeder met een minderjarig kind, een voorlopige voorziening vroeg om toegelaten te worden tot de noodopvang van de gemeente Amsterdam. De aanvraag was eerder afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, omdat verzoekster niet voldeed aan de bindingseis van vier jaar woonachtig zijn in Amsterdam. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 6 oktober 2025 werd het verzoek behandeld, waarbij zowel verzoekster als haar gemachtigde, alsook vertegenwoordigers van het Buurtteam en het college aanwezig waren. Na de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, aangezien verzoekster en haar tweejarige zoontje dakloos dreigden te worden. Hoewel het college terecht had vastgesteld dat verzoekster niet voldeed aan de bindingseis, was het besluit onvoldoende gemotiveerd omdat het belang van het kind niet was meegewogen. De voorzieningenrechter voerde een belangenafweging uit en concludeerde dat het belang van verzoekster zwaarder woog dan dat van het college, vooral gezien de verplichtingen onder het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij het college werd opgedragen om voor opvang te zorgen voor verzoekster en haar kind tot zes weken na de beslissing op de aanvraag voor maatschappelijke opvang. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster. Tegen deze mondelinge uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5437

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. H. Kras).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster die ertoe strekt dat verzoekster en haar minderjarige kind toegelaten worden tot de noodopvang van de gemeente Amsterdam.
1.1.
Het college heeft de aanvraag van verzoekster om toegelaten te worden tot de noodopvang met het besluit van 18 september 2025 afgewezen omdat zij niet direct voorafgaand aan de aanvraag vier jaar woonachtig is geweest in Amsterdam. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de heer [naam 1] namens het Buurtteam en de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster en haar zoontje van twee jaar oud hebben geen slaapplek meer vanaf woensdag 8 oktober 2025 en zijn dan dakloos. Dit is voldoende aannemelijk geworden. Dit spoedeisend belang is tussen partijen ook niet in geschil.
4. Het college heeft terecht vastgesteld dat verzoekster niet voldoet aan de bindingseis omdat zij niet direct voorafgaand aan de aanvraag vier jaar woonachtig is geweest in Amsterdam met een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). In die zin is het besluit in overeenstemming met het beleid van het college. De voorzieningenrechter onthoudt zich, in het kader van deze spoedprocedure, expliciet van een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling voor de vraag of dit beleid van het college op zichzelf rechtmatig is en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 mei 2025. [1] Dit vraagstuk moet aan de orde komen in een bodemprocedure en verder worden uitgediept door een meervoudige kamer.
5. Het college heeft echter bij de beoordeling van de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor noodopvang, hangende de beoordeling van de aanvraag van verzoekster voor maatschappelijke opvang, niet kenbaar het belang meewogen van het twee jaar oude zoontje van verzoekster. In die zin is het bestreden besluit dan ook niet zorgvuldig voorbereid en is het onvoldoende gemotiveerd. Het bezwaar heeft gelet daarop kans van slagen.
6. De voorzieningenrechter komt daarom toe aan een belangenafweging. Het belang van het college is dat de beperkte mogelijkheden voor noodopvang in de gemeente Amsterdam eerlijk en volgens de regels moeten worden verdeeld. Het belang van verzoekster is dat zij met haar jonge kind niet op straat zal moeten slapen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster zwaarder moet wegen. De voorzieningenrechter moet op grond van de bepalingen zoals opgenomen in het IVRK [2] rekening houden met de belangen van het kind van verzoekster. De voorzieningenrechter acht het, gelet op het IVRK, noodzakelijk dat te allen tijde wordt voorkomen dat het zwervende leven van verzoekster en haar kind wordt voortgezet, met alle mogelijke gevolgen van dien. Het is ook geen goede gedachte dat moeder en kind van elkaar worden gescheiden.
7. Naast het bestreden besluit loopt parallel een aanvraag om maatschappelijke opvang. Daar moet nog allerlei onderzoek in plaatsvinden. Verzoekster maakt een zeer kwetsbare indruk op de voorzieningenrechter en het is van belang dat dat onderzoek naar de zelfredzaamheid van verzoekster zorgvuldig en goed gebeurt. Dit onderzoek moet nog plaatsvinden.
8. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat in dit specifieke geval het college voor opvang moet zorgen, tot zes weken nadat op de aanvraag van de maatschappelijke opvang is beslist. Dit geldt vanaf woensdagavond 8 oktober 2025. Daarbij geldt uitdrukkelijk dat dit niet per se noodopvang hoeft te zijn, maar dat dit ook een andere vorm van opvang mag zijn, zoals opvang in een hotel ( [naam 2] ). De opvang moet in ieder geval kindveilig zijn en geen nachtopvang zijn. De verplichting van het college om voor opvang te zorgen geldt uitsluitend voor zover niet in andere wijze in opvang kan worden voorzien. Als verzoekster in haar eigen kring een mogelijkheid tot opvang krijgt aangeboden, moet zij deze wel aannemen.
9. Op de zitting heeft verzoekster al aangegeven dat zij contact heeft gezocht met het Buurtteam, Straatalliantie, Kinderombudsman, en dat er overleg is met het OKT. De voorzieningenrechter moedigt haar aan om dat voort te zetten. Voor het gezin zelf en voor hun toekomst is het belangrijk dat zij zo snel mogelijk een stabiele en veilige plek vinden en derde hulpverlenende instanties kunnen hen daarbij ondersteunen. Verzoekster maakt de indruk dat er meer aan de hand is dan alleen een dak boven haar hoofd.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op de aanvraag voor maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter beveelt het college om voor opvang te zorgen voor verzoekster en haar minderjarige zoon, tot zes weken na de beslissing op de aanvraag voor maatschappelijke opvang. Dit hoeft geen noodopvang te zijn. Het mag ook een andere vorm van opvang zijn, zoals in een hotel, mits de opvang maar kindveilig is en geen nachtopvang is.
10.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op de aanvraag voor maatschappelijke opvang;
- beveelt het college om voor opvang te zorgen voor verzoekster en haar minderjarige zoon, tot zes weken na de beslissing op de aanvraag voor maatschappelijke opvang;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2025 door
mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 15 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
2.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.