De burgemeester van Amsterdam heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last tot sluiting van zes maanden opgelegd aan het bedrijfspand van verzoekster vanwege de vondst van een handelshoeveelheid cocaïne in een lading bananen die naar het pand werd vervoerd.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en beoordeeld of het bezwaar kansrijk is en of de belangenafweging een opschorting rechtvaardigt.
De rechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van het sluitingsbevel en dat de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De vondst van 1.200 kilo cocaïne in pallets die naar het pand werden vervoerd, de rol van het pand in de keten van drugshandel en het gevaar voor de openbare orde rechtvaardigen de sluiting.
Hoewel verzoekster stelt geen betrokkenheid te hebben bij drugshandel en grote nadelige gevolgen ondervindt, weegt het algemeen belang van openbare orde zwaarder. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en het sluitingsbevel blijft van kracht.