Op 14 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster, een groente- en fruithandel, verzocht om schorsing van een sluitingsbevel van de burgemeester van Amsterdam, dat was opgelegd na de vondst van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne in een lading bananen die naar haar bedrijfspand was gestuurd. De burgemeester had op 29 september 2025 besloten het bedrijfspand voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er een ernstig gevaar voor de openbare orde bestond. De voorzieningenrechter beoordeelde of het verzoek om een voorlopige voorziening een redelijke kans van slagen had. In haar overwegingen concludeerde zij dat de burgemeester bevoegd was om het pand te sluiten en dat de sluiting noodzakelijk en evenwichtig was. De voorzieningenrechter wees het verzoek af, omdat de belangen van de openbare orde zwaarder wogen dan die van verzoekster. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. De voorzieningenrechter benadrukte dat de sluiting van het pand een signaal afgeeft dat er geen drugs meer verhandeld worden vanuit het pand, en dat de burgemeester optreedt tegen drugshandel.