Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting 2024, waarin een tariefsverhoging van 38,11% was doorgevoerd. Zij stelde dat de verhoging exorbitant was, onvoldoende gemotiveerd en dat de heffingsambtenaar de wet en beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden door geen hoorzitting te organiseren.
De rechtbank stelde vast dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiseres niet om een hoorzitting had verzocht. De rechtbank erkende de geldige machtiging van de gemachtigde van de heffingsambtenaar en verwierp het verweer dat sprake was van een oneerlijk proces.
De rechtbank oordeelde dat de tariefstelling gebaseerd was op de geldende verordeningen en dat zij niet bevoegd was om de beleidsvrijheid van het algemeen bestuur van het waterschap te toetsen, tenzij sprake was van strijd met hogere regelgeving of onredelijkheid. De tariefsverhoging werd toegelicht door het waterschap als gevolg van noodzakelijke investeringen en stijgende kosten.
Verder concludeerde de rechtbank dat de behandeling binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden en dat eiseres geen recht had op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard.