ECLI:NL:RBAMS:2025:7380

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
11817244
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over achterstallig loon en re-integratie bij arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft de werknemer, [eiser], een kort geding aangespannen tegen zijn werkgever, [gedaagde] B.V., met als doel betaling van achterstallig loon en een jubileumuitkering. De werknemer is sinds 28 januari 1985 in dienst bij [gedaagde] en heeft zich op 26 november 2024 ziekgemeld. De werkgever heeft vanaf januari 2025 slechts 70% van het loon doorbetaald, terwijl de werknemer stelt recht te hebben op 100% doorbetaling op basis van de arbeidsovereenkomst en de toepasselijke CAO. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie van toepassing is en dat de werkgever onterecht het loon heeft ingehouden. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van het achterstallige loon toegewezen, evenals de wettelijke verhoging en rente. De vordering tot betaling van een jubileumuitkering is afgewezen, omdat deze niet voldoende onderbouwd was voor een kort geding. De werkgever is ook veroordeeld tot het verstrekken van het personeelsdossier van de werknemer en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitgesproken op 24 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11817244 \ KK EXPL 25-505
Vonnis in kort geding van 24 september 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.L. van Schouten,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.I. Duterloo.

1.De procedure

[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard op 6 augustus 2025. Op 11 september 2025 zijn de producties van [gedaagde] ontvangen. De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling op 12 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] zijn de heren [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en mevrouw [naam 4] verschenen en bijgestaan door de gemachtigde.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht doormiddel van het voordragen van spreekaantekeningen en hebben deze overgelegd ter voeging in het dossier. Na verder debat is om vonnis gevraagd en hiervoor is een datum bepaald.

2.De uitgangspunten

2.1.
[gedaagde] is een groothandel en leverancier van meubelbeslag en ijzerwaren, een familiebedrijf dat dit jaar 130 jaar bestaat.
2.2.
Sinds 28 januari 1985 is [eiser] , 62 jaar oud, werkzaam bij [gedaagde] . Zijn huidige bruto maandsalaris bedraagt € 5.134,99 exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
2.3.
Op 19 november 2024 vond een gesprek plaats tussen [naam 1] namens [gedaagde] en [eiser] . [gedaagde] heeft tijdens dit gesprek het volgende schriftelijke – door [naam 1] reeds ondertekende – voorstel gedaan, voor zover van belang:
Voorstel [gedaagde] aan [eiser] voor 2025
  • 24-urige werkweek
  • Salaris blijft gelijk voor fulltime
  • Salaris voor 24 uur wordt € 3230 bruto
  • Voorstel 1: inclusief bijtelling netto salaris €2376,47
  • Voorstel 2: exclusief bijtelling netto salaris €2669,39
  • Werkdagen samen nader te bepalen
  • Vervroegd pensioen voor 2 dagen is mogelijk
(…)”
2.4.
In onderlinge interne Whatsapp-correspondentie heeft [naam 1] op 20 november 2024 aan [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] onder meer het volgende meegedeeld:
“Even kijken hoe komende weken lopen maar 28 januari is [eiser] 40 jaar bij [gedaagde] .”
2.5.
[eiser] heeft het voorstel meegenomen en tussen partijen heeft later nog gesprek plaatsgevonden. [eiser] is niet akkoord gegaan met het voorstel en heeft zich op 26 november 2024 ziekgemeld met spanningsklachten.
2.6.
Vervolgens heeft [gedaagde] op 27 november 2024 haar aanbod schriftelijk aangepast. Dat voorstel is afgesloten met
“Hopelijk is dit voor jou ook een passend voorstel en vieren we samen jouw 40-jarig jubileum in januari.”
2.7.
Daarna heeft er op 28 november 2024 een vervolggesprek plaatsgevonden en heeft [gedaagde] haar aanbod wederom schriftelijk aangepast en daarbij verbeterpunten op het functioneren van [eiser] aangehaald. Beide voorstellen van 27 en 28 november 2024 betreffen een gefaseerde afbouw van het aantal arbeidsuren over 2026 en 2027, zonder financiële compensatie en/of wettelijke (transitie)vergoeding.
2.8.
Hierop heeft [eiser] per e-mail van 4 december 2024 gereageerd dat hij een vermindering van het aantal arbeidsuren zich financieel niet kan veroorloven.
2.9.
Op 5 december 2024 heeft [gedaagde] een toelichting van de voorstellen aan [eiser] per
e-mail verzonden. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
“Al langere tijd lopen wij er tegenaan dat jouw functie overbodig is (geworden), waardoor wij vanuit ondernemersperspectief eigenlijk jouw functie zouden moeten laten vervallen. De reden waarom wij dit besluit (nog) niet hebben genomen, is omdat wij het weinig sympathiek vinden (of in ieder geval vonden) om afscheid van iemand te nemen die al bijna 40-jarig voor ons werkt en aan de vooravond van zijn pensioen staat.
Een eerste geste van ons.
2.10.
[eiser] is niet akkoord gegaan met de voorstellen van [gedaagde] .
2.11.
De verzuimconsulent heeft bij verslag van 11 december 2024 aan [gedaagde] onder meer het volgende gerapporteerd:
“Op 11 december nam dhr. [eiser] telefonisch met mij contact op in verband met zijn ziekmelding van 26 november. Mijnheer geeft aan zich door werk gerelateerde omstandigheden, (door hem ervaren als conflict) niet meer in staat te achten zijn eigen of aangepaste werkzaamheden te verrichten. (…)
Daarmee is het advies aan werkgever en werknemer om samen of in bijzijn van een derde met elkaar in gesprek te gaan over de ervaren werkgerelateerde omstandigheden. Pas na het oplossen hiervan kan over re-integratie worden nagedacht. Op verzoek van betrokkene werd voor begin februari een spreekuur consult in de agenda gepland bij een van onze bedrijfsartsen.”
2.12.
[gedaagde] heeft [eiser] per e-mail van 19 december 2024 uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op 24 december 2024 om tot een oplossing te komen.
2.13.
Per e-mail van 23 december 2024 heeft [gedaagde] [eiser] uitgenodigd voor een gesprek over werk gerelateerde omstandigheden op 27 december 2024. Hierbij heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende medegedeeld over zijn loonbetalingen, voor zover van belang:
“ (…)Geef je aan dit dringende verzoek geen gehoor, dan zeg ik je bij deze aan wij jouw loon per 27 december zullen stak (stopzetten) tot het moment dat jij wel bereid bent om met ons het gesprek aan te gaan. Eigenlijk kunnen wij dit nu al doen, maar we willen écht met je om tafel. Ik zou het persoonlijk heel vervelend vinden je loon stop te zetten, maar als jij niet komt, belemmer of vertraag je jouw genezing (je gaat immers tegen het advies van de verzuimconsulent het gesprek niet met ons aan) en heb je op grond van de wet geen recht op doorbetaling van jouw loon(…)”
2.14.
Omdat [eiser] zich niet in staat voelde om een persoonlijk gesprek met [gedaagde] te voeren heeft de gemachtigde van [eiser] op 24 december 2024 gereageerd dat [eiser] niet aan de verzoeken van [gedaagde] gehoor kan geven. Daarnaast heeft hij om een mediationtraject verzocht alsmede volledige doorbetaling van het loon.
2.15.
Vervolgens heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de gemachtigden van partijen. Bij e-mails van 27 januari en 4 februari 2025 van de gemachtigde van [eiser] is onder meer verzocht om verstrekking van het personeelsdossier van [eiser] . Daarop is door de gemachtigde van [gedaagde] op 7 februari 2025 meegedeeld dat [gedaagde] het personeelsdossier aan het verzamelen is.
2.16.
[gedaagde] heeft vanaf januari 2025 70 % van het loon betaald aan [eiser] .
2.17.
De rapportage van de arbodienst van 13 januari 2025 vermeldt:
“…
Geschiktheid voor eigen of passend werk: nu niet inzetbaar voor eigen of passend werk.
(…)
Advies:
(…)geef ik partijen het advies om over het probleem in gesprek te gaan, waarbij ik dan wel als voorwaarde meegeef dat werknemer zich moet kunnen laten bijstaan bij dat gesprek door een derde. Er is geen medische reden waarom een dergelijk gesprek niet op korte termijn zou kunnen plaats vinden. Indien werkgever en werknemer er niet met elkaar uitkomen, adviseer ik mediation op zo kort mogelijke termijn. Wanneer u als werkgever en werknemer over het door mij gegeven advies geen overeenstemming bereikt, adviseer ik u het UWV om een deskundigoordeel te vragen.”
2.18.
Vanaf februari 2025 heeft een mediationtraject plaatsgevonden.
2.19.
Uit het rapport van de arbodienst van 15 april 2025 volgt, voor zover van belang:
“(…)
  • Ik adviseer door te gaan met mediation.
  • Arbeidsmogelijkheden: enkele uren per dag afgebakende taken zonder tijdsdruk (…) Als u een aanpast takenpakket niet of alleen voor minder uren kunt aanbieden, motiveer dit dan in het Plan van aanpak (…)”.
2.20.
Daags voor het bedrijfsfeest van [gedaagde] op 28 juni 2025 is [eiser] uit de appgroep van [gedaagde] verwijderd.
2.21.
In het rapport van 30 juni 2025 rapporteert de arbodienst, voor zover van belang:
“(…)Ik adviseer door te gaan met het zoeken naar een oplossingsrichting met (MfN) register-mediation.
Arbeidsmogelijkheden: passende werkzaamheden rekening houdend met de beperking (...)
Ik adviseer een arbeidskundig onderzoek en advies uit te laten voeren (…)”
2.22.
Na afsluiting van de mediation zonder resultaat, heeft de gemachtigde van [eiser] bij e-mail van 9 juli 2025 verschillende sommaties aan [gedaagde] gedaan, waaronder het betalen van de jubileumuitkering en toezending van het volledige personeelsdossier.
2.23.
In reactie daarop heeft de gemachtigde van [gedaagde] per e-mail van 15 juli 2025 onder meer het volgende meegedeeld:
“(…) En het uitkeren van een jubileumuitkering voelt voor cliënte niet (meer) goed en al helemaal niet meer gezien de inhoud van uw bericht van 9 juli jl.”
2.24.
Er is door [gedaagde] geen opvolging gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts om te starten met een re-integratietraject met [eiser] . Wel is er een arbeidskundig onderzoek gestart, hiervan is het rapport nog niet beschikbaar.
2.25.
[eiser] wil de arbeidsovereenkomst niet beëindigen en wenst zijn werk (na zijn herstel) te hervatten op het overeengekomen aantal arbeidsuren.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot:
betaling van € 10.783 aan achterstallig loon en vakantiegeld over de periode van januari tot en met juli 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente alsmede een jubileumuitkering van € 5.134,99;
betaling van € 5.134,99 aan loon vermeerderd met vakantiegeld en overige emolumenten tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst;
betaling van € 650,00 aan eenmalige uitkering in november 2025;
[eiser] in staat stellen tot re-integratie bij [gedaagde] zodra hij daartoe in staat is alsmede na zijn herstel tot zijn eigen werkzaamheden toe te laten voor het overeengekomen aantal arbeidsuren;
afgifte van het volledige personeelsdossier van [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis;
betaling van een dwangsom van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000 als [gedaagde] geen gevolg geeft aan de vorderingen onder iv en v; en
betaling van de kosten van deze procedure (inclusief nakosten) vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn loonvorderingen ten grondslag dat [gedaagde] op grond van arbeidsovereenkomst en de CAO verplicht is zijn loon 100% door te betalen bij ziekte, maar dat [gedaagde] dat ten onrechte niet heeft gedaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering en subsidiair dat de loonvorderingen dienen te worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt. Zij wijst erop dat [eiser] een half jaar heeft gewacht met het instellen van dit kort geding. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eiser] niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Gelet op de aard van de vorderingen tot onder meer volledige loondoorbetaling, wordt het spoedeisend belang aangenomen.
Toetsingskader kort geding
4.2.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen van [eiser] in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Achterstallig loon
4.3.
Vast is komen te staan dat [gedaagde] vanaf januari 2025 70% van het loon aan [eiser] heeft betaald in verband met zijn arbeidsongeschiktheid. [eiser] stelt dat deze inhouding van het loon onrechtmatig is omdat er conform de van toepassing zijnde en algemeen verbindend verklaarde CAO Interieurbouw en Meubelindustrie 100% doorbetaald dient te worden bij ziekte gedurende het eerste jaar. Als de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie niet van toepassing zou zijn, bepaalt de dan toepasselijke en eveneens algemeen verbindend verklaarde CAO Technische Groothandel óók dat 100% doorbetaald dient te worden bij ziekte gedurende het eerste jaar. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat er geen CAO van toepassing is, waardoor zij op grond van artikel 7:629 BW 30% van het loon mag inhouden.
4.4.
Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] met zijn stellingen, onder meer met verwijzing naar de SBI-codes in het KvK-uittreksel met betrekking tot de activiteiten van [gedaagde] , voldoende aannemelijk gemaakt dat de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie (dan wel de CAO Technische Groothandel) van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft tijdens de zitting niet aannemelijk kunnen maken dat géén cao van toepassing is, of welke andere CAO er van toepassing is. Het had op haar weg gelegen dit afdoende toe te lichten of te motiveren waarom de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie (dan wel de CAO Technische Groothandel) niet van toepassing is. Dit heeft zij onvoldoende gedaan. De stelling dat [gedaagde] geen lid is van de Koninklijke CBM (branchevereniging voor interieurbouw en meubelindustrie) maar slechts businesspartner, volstaat in ieder geval niet. Daarom kan op grond van artikel 84 van de voorshands van toepassing geachte CAO (dan wel artikel 49 van de CAO Technische Groothandel), waarin is bepaald dat een werknemer 100% van het inkomen ontvangt in het eerste jaar dat de werknemer ziek is geworden, de vordering tot betaling van het achterstallige loon vanaf januari 2025 worden toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.5.
De kantonrechter ziet aanleiding de gevorderde wettelijke verhoging van 50% op grond van artikel 7:625 BW toe te wijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] vrijwel vanaf het begin druk op [eiser] gezet om in te stemmen met het terugbrengen van de arbeidsduur en daarbij een link gelegd met het einde van de arbeidsovereenkomst als [eiser] niet zou instemmen. Anders dan zij voordien bij ziekte van [eiser] had gedaan en anders dan zij bij (een) andere zieke werknemer(s) deed, heeft [gedaagde] het loon van [eiser] tot 70% gekort. Dat heeft zij zonder aankondiging vooraf of uitleg achteraf gedaan. Veelvuldig heeft [gedaagde] zich in woorden aan [eiser] en in deze procedure gepresenteerd als warm familiebedrijf dat zo toeschietelijk is geweest jegens haar ‘altijd zeer gewaardeerde en trouwe werknemer’ [eiser] ; in daden heeft zij dat echter totaal niet waargemaakt, tot en met het daags voor het bedrijfsfeest verwijderen van [eiser] uit de groepsapp aan toe. De wettelijke rente wordt eveneens toegewezen.
4.6.
Het verweer van [gedaagde] dat haar geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij uitvoering geeft aan het binnen haar organisatie geldende beleid faalt. Niet is gebleken wat het beleid van [gedaagde] is en of [eiser] hiervan kennis heeft kunnen nemen. Ook het verweer dat [eiser] een verwijt valt te maken omdat geen gehoor is gegeven aan de verzoeken van [gedaagde] gaat niet op. In dit verband is van belang wat in de rechtsoverweging hiervoor is overwogen met betrekking tot de druk vanuit [gedaagde] , die tevens uiting vindt in de voorbarig aangekondigde loonstop.
Jubileumuitkering
4.7.
De vordering van [eiser] tot betaling van een jubileumuitkering in verband met zijn veertigjarig dienstverband zal worden afgewezen, omdat uitgebreide behandeling van deze vordering zich niet leent voor kort geding. De stellingen van [eiser] – het is gebruikelijk en een verworven recht binnen [gedaagde] , de afwijzing is puur persoonlijk – zijn gemotiveerd betwist door [gedaagde] . Er is volgens [gedaagde] geen sprake van een schriftelijk vastgelegde verplichting, het gaat om een discretionaire bevoegdheid en niet om een verworven recht. Zij voert verder aan dat er geen sprake is van beleid dat er automatisch recht is op een uitkering bij een veertigjarig jubileum, dat dit per geval wordt toegekend en dat er eerder bij een andere jubilaris ook niet tot uitkering is overgegaan door [gedaagde] . In een eventuele bodemprocedure kan beter aan de orde komen de vraag, of het afzien van de jubileumuitkering en de motivering daarvan de toets van goed werkgeverschap en het verbod van willekeur kan doorstaan.
Toekomstig loon
4.8.
De vordering van [eiser] tot betaling van het (toekomstige) loon tot het moment dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd wordt toegewezen tot het moment dat het eerste jaar arbeidsongeschiktheid is verstreken omdat over deze maanden de voornoemde CAO overeenkomstig van toepassing wordt geacht. Vanaf het moment dat het eerste jaar is verstreken is [gedaagde] conform artikel 84, lid 3 van de voornoemde C
AO (en artikel 49, lid 1 onder b van de CAO Technische Groothandel) gerechtigd om 30% van het loon in te houden. De vordering van [eiser] kan daarom slecht deels worden toegewezen.
Eenmalige uitkering november 2025
4.9.
Conform de voornoemde CAO, welke onder 4.4 voorshands van toepassing is geacht, is [gedaagde] gehouden om in november 2025 een eenmalige uitkering van € 650,00 aan [eiser] uit te keren. Deze vordering kan daarom worden toegewezen.
Loonspecificaties
4.10.
De vordering tot het verstrekken van de loonspecificaties wordt toegewezen omdat [gedaagde] als werkgever verplicht is deze te verstrekken
Re-integratie en herstel functie
4.11.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld hem in staat stellen tot re-integratie bij [gedaagde] zodra hij daartoe in staat is alsmede na zijn herstel tot zijn eigen werkzaamheden toe te laten voor het overeengekomen aantal arbeidsuren. Echter, het is aan de bedrijfsarts om te beoordelen wanneer en voor hoeveel uren [eiser] zijn werkzaamheden weer kan gaan verrichten. Ook hebben partijen tijdens de zitting uitgesproken bereid te zijn tot een tweede mediationtraject met een nieuwe mediator, de heer [naam 5] . Daarom worden de vorderingen tot re-integratie en herstel in zijn functie en de gevorderde dwangsom afgewezen. Dit wordt ook in het belang van [eiser] zelf geacht, om geen druk te zetten op het hernieuwde mediationtraject en zijn herstel.
Personeelsdossier
4.12.
De vordering tot het verstrekken van het personeelsdossier van [eiser] wordt toegewezen, omdat [gedaagde] als werkgever verplicht is deze te verstrekken op grond van artikel 7:655 BW. Uit het procesdossier blijkt dat [gedaagde] een aanvang heeft gemaakt met het verzamelen van de stukken van het personeelsdossier en ter zitting heeft [gedaagde] verklaard bereid te zijn deze te verstrekken. Omdat [gedaagde] dat eerder – ondanks de toezegging al in februari – niet heeft gedaan, zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen als prikkel tot nakoming door [gedaagde] . De kantonrechter ziet echter aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 250,00 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 10.000,00.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.761,54
4.14.
De gevorderde wettelijke rente wordt als niet weersproken eveneens toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] - binnen 48 uur na betekening van dit vonnis - aan [eiser] te betalen € 10.783,50 bruto ter zake achterstallig loon tot en met juli 2025 (onder gelijktijdige verstrekking van een bruto/netto specificatie), te vermeerderen met 50 % wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente zoals bedoeld artikel 6:119 BW, vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen het volledige bruto maandsalaris van € 5.134,99 te vermeerderen met vakantiegeld en overige emolumenten gedurende de periode van ziekte over augustus tot december 2025,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen een eenmalige uitkering van € 650,00 in november 2025 (onder gelijktijdige verstrekking van een bruto/netto specificatie),
5.4.
veroordeelt [gedaagde] - binnen 48 uur na betekening van dit vonnis - het volledige personeelsdossier van [eiser] te verstrekken aan [eiser] op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.761,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend alsmede de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.
61291