Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] e.a., uit [woonplaats] , verzoekster
de burgemeester van Amsterdam, de burgemeester
Samenvatting
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
C. Ramradi als tolk en de gemachtigden van de burgemeester. Ook de schoonzus van verzoekster, mevrouw [familielid] , was aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
29 september 2025 besloten dat de woning dient te worden gesloten voor drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels [1] . Er bestaat volgens de burgemeester een ernstig risico voor de openbare orde wanneer de woning openblijft. De burgemeester acht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan het individuele belang van verzoekster, omdat niet aannemelijk is dat verzoekster en haar dochter daadwerkelijk hun hoofdverblijf hebben in de woning.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
11 augustus 2025 en de bestuurlijke rapportage is op 25 augustus opgemaakt. Op
29 september 2025 heeft de burgemeester een bevel tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden gegeven. Hiertussen zit zes weken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van een woning in beginsel een geschikt middel om de woning uit de loop te halen. Dat dit middel volgens verzoekster niet geschikt is vanwege het tijdsverloop, volgt de voorzieningenrechter niet. Gelet op het feit dat een dag na de doorzoeking verzoekster en haar dochter ingeschreven stonden op het adres van de woning, moest de burgemeester wel onderzoek doen naar de feitelijke woonsituatie en de vraag welke personen mogelijk door een sluiting in hun huisrecht zouden worden aangetast. De burgemeester heeft een zienswijze gevraagd aan verzoekster naar aanleiding van het voornemen van 28 augustus 2025 om de woning te sluiten. Vervolgens heeft de burgemeester onderzocht wie van de ingeschrevenen op het adres van de woning in zijn of haar huisrecht wordt geschonden door de woningsluiting. Dit onderzoek heeft tijd gekost. Toezichthouders van de BRP van de gemeente Amsterdam zijn op verzoek van de burgemeester op 8 september 2025 in de middag en in de avond langs geweest voor een huisbezoek en zij hebben op basis van de feitelijke situatie in de woning en de verklaringen van verzoekster geconcludeerd dat verzoekster en haar dochter feitelijk niet woonachtig zijn in de woning. De toezichthouders hebben daarbij betrokken dat de woning op
8 september 2025 in vrijwel dezelfde staat is aangetroffen als tijdens de doorzoeking op
11 augustus 2025. Op 23 en 24 september 2025 heeft de wijkagent aangebeld bij de woning voor een huisbezoek, maar hier is niet op gereageerd. De voorzieningenrechter acht de duur van het tijdsverloop redelijk vanwege het onderzoek naar de feitelijke woonsituatie en het belang van het kind van verzoekster. De woningsluiting is daarom ondanks het tijdsverloop een geschikt middel om de doelen te bereiken die de burgmeester voor ogen heeft.
Conclusie en gevolgen
29 september 2025 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.