ECLI:NL:RBAMS:2025:7374

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
25/5576
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake woningsluiting op grond van de Opiumwet

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 8 oktober 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het betreft een besluit van de burgemeester van Amsterdam om de woning van verzoekster te sluiten voor de duur van drie maanden op basis van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster, die samen met haar minderjarige dochter in de woning staat ingeschreven, is het niet eens met de sluiting en heeft bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of de sluiting noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde. De burgemeester heeft vastgesteld dat er een handelshoeveelheid drugs in de woning is aangetroffen, wat een ernstige inbreuk op de openbare orde met zich meebrengt. Ondanks het tijdsverloop tussen de doorzoeking en de sluiting, oordeelt de voorzieningenrechter dat de sluiting gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten en dat de sluiting evenwichtig is, waarbij het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoekster en haar dochter. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, wat betekent dat het sluitingsbevel van de burgemeester niet wordt opgeschort.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5576

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] e.a., uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S.N. de Jager),
en

de burgemeester van Amsterdam, de burgemeester

(gemachtigden: mr. S.A. de Wied, mr. H. Hasnai, [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gekoppeld aan dat bezwaar verzoekt zij een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de woning niet wordt gesloten. Zij voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft de woning van verzoekster mogen sluiten en daarbij het belang van de bescherming van de openbare orde zwaarder mogen wegen dan het belang van verzoekster
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 29 september 2025 heeft de burgemeester bevolen dat de woning gelegen aan de [adres] [huisnummer 1] in [woonplaats] (hierna: de woning) moet worden gesloten voor de duur van drie maanden
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster,
C. Ramradi als tolk en de gemachtigden van de burgemeester. Ook de schoonzus van verzoekster, mevrouw [familielid] , was aanwezig.

Totstandkoming van het besluit

3. Verzoekster haar partner, de heer [partner] ( [partner] ), is huurder en hoofdbewoner van de woning. Verzoekster staat sinds 12 augustus 2025 samen met haar minderjarige dochter ingeschreven op het adres van de woning.
3.1.
De politie heeft de voortvluchtige [partner] op 11 augustus 2025 aangehouden. Tijdens de fouillering in het cellencomplex werd bruto 31 gram cocaïne en bruto 2 gram hasj aangetroffen. Naar aanleiding van de aanhouding heeft de politie op 11 augustus 2025 een doorzoeking gedaan in de woning en de berging van de woning. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 25 augustus 2025 blijkt dat in de woning op 11 augustus 2025 diverse soorten drugs zijn aangetroffen, namelijk 517 gram hasj, 564 gram hasj, 113 gram hennep en vermoedelijk cocaïne. Voornoemde hoeveelheden zijn in de bestuurlijke rapportage als handelshoeveelheid aangemerkt. In de woning werden tevens diverse goederen aangetroffen welke gebruikt worden bij de handel in (hard)drugs, zoals meerdere vacuummachines, verpakkingsmaterialen en diverse weegschalen. In de berging, toebehorend aan de woning, zijn goederen aangetroffen welke gebruikt worden bij het kweken en de handel in drugs (vermoedelijk hennep). Dit betroffen onder andere ventilatoren, (kweek)lampen, een slakkenhuis, meterkasten, transformatoren en plantenspuiten. Verder blijkt uit het politierapport dat het gaat om een feitelijk bewoonde woning. Eén dag na de doorzoeking zijn verzoekster (geboortejaar 1993) en haar minderjarige dochter (geboortejaar 2021) ingeschreven in het BRP, naast [partner] die reeds ingeschreven stond. Volgens de politie is tijdens de doorzoeking gebleken dat de woning niet geschikt is voor kinderen. Naast dat er verdovende middelen zijn aangetroffen, waren er geen voorzieningen voor een kind in de woning aanwezig, zoals een kinderbed, kinderstoel of kinderkamer.
3.2.
Op 28 augustus 2025 heeft de burgemeester het voornemen bekendgemaakt om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. Hier heeft verzoekster op 3 september 2025 een zienswijze op gegeven.
3.3.
Op 8 september 2025 hebben toezichthouders van de BRP van de gemeente Amsterdam op verzoek van de burgemeester een bezoek aan de woning gebracht van 16:21 uur tot 16:38 uur. Uit het rapport van bevindingen volgt dat op aanbellen bij de woning niet werd gereageerd. De toezichthouders hebben vervolgens meerdere buren gesproken. De man die op huisnummer [huisnummer 2] woont heeft verklaard niet te weten wie op huisnummer [huisnummer 1] woont en dat voor de politie-inval meerdere personen op het adres kwamen. De buurvrouw van huisnummer [huisnummer 3] heeft verklaard dat zij af en toe wel geluiden hoorde in de woning boven haar, maar dat er volgens haar op dit moment niemand in de woning woont. De buurman van huisnummer [huisnummer 4] heeft verklaard dat de bewoner van [huisnummer 1] vastzit en dat er nu niemand op het adres zou wonen.
3.4.
Op 8 september 2025 om 19:40 uur brachten de toezichthouders van de BRP van de gemeente Amsterdam wederom een bezoek aan de woning. Uit het rapport van bevindingen volgt dat zij bij aankomst twee vrouwen en een klein kind de trap van het portiek zagen oplopen en de woning binnen zagen gaan. Kort hierop belden de toezichthouders aan en mochten zij de woning binnen komen. De toezichthouders spraken met verzoekster en mevrouw [familielid] , de zus van [partner] en schoonzus van verzoekster. Verzoekster en mevrouw [familielid] hebben verklaard dat [partner] sinds de doorzoeking op 11 augustus in detentie zit en de verwachting is dat hij minimaal 11 maanden vast gaat zitten. Verzoekster heeft verklaard dat zij sinds juli van dit jaar in Nederland woont met haar dochter en dat zij op verschillende plekken verblijft, maar dat zij ook in de woning verblijft. De belangrijke documenten van verzoekster, zoals paspoorten, zouden bij haar zus in Den Haag liggen in verband met de veiligheid. Verzoekster verklaarde desgevraagd niet veel in de woning te hebben verbleven omdat zij het sinds de doorzoeking nog niet veilig vindt. Zij heeft voor het laatst in de woning geslapen van 31 augustus tot 4 september. Verder volgt uit het rapport van bevindingen dat de toezichthouders geen persoonlijke verzorgingsproducten voor volwassenen en/of kinderen in de badkamer hebben zien liggen. De badkamer gaf de indruk dat die een tijdje niet was gebruikt. Ook hadden de toezichthouders de indruk dat het gebruikte servies en het bord met opgedroogd eten al een tijd in de keuken lag. De koelkast was leeg en zat niet in het stopcontact. In de eerste slaapkamer waren twee eenpersoonsbedden, waarvan 1 bed geen hoeslaken had. In de tweede slaapkamer stond een lege kledingkast en een nieuwe wasmachine in verpakking. Verder verklaarde verzoekster dat zij en haar dochter vanuit een tas leven en niet veel spullen/kleding hebben. Deze spullen liggen nu nog bij mevrouw [familielid].
3.5.
Op 23 en 24 september heeft de wijkagent aangebeld bij de woning voor een huisbezoek, maar hier is niet op gereageerd.
3.6.
Naar aanleiding van deze constateringen heeft de burgemeester op
29 september 2025 besloten dat de woning dient te worden gesloten voor drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels [1] . Er bestaat volgens de burgemeester een ernstig risico voor de openbare orde wanneer de woning openblijft. De burgemeester acht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan het individuele belang van verzoekster, omdat niet aannemelijk is dat verzoekster en haar dochter daadwerkelijk hun hoofdverblijf hebben in de woning.
3.7.
De woning is feitelijk nog niet gesloten. Naar aanleiding van contact met de rechtbank over de zittingsdatum heeft de burgemeester aanvankelijk de feitelijke sluiting op 7 oktober 2025 gepland. Naar aanleiding van een verzoek van de gemachtigde van verzoekster op de zitting op 6 oktober 2025, heeft de gemachtigde van de burgemeester toegezegd dat de woning niet eerder dan op donderdag 9 oktober 2025 zal worden gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoekster voert in dit kader aan dat de woningsluiting betrekking heeft op de woning van verzoekster en haar minderjarige dochter. Zij hebben geen andere plek waar zij heen kunnen. Verzoekster beschikt niet over een andere woonruimte of financiën om een andere woonruimte te huren. Het spoedeisend belang is niet in geschil tussen partijen en de voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang hiermee aanwezig.
Toetsingskader
5. Het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13 van de Opiumwet is weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 augustus 2019 [2] , nader aangevuld in de uitspraken van 2 februari 2022 [3] en 6 juli 2022 [4] . In een recente uitspraak van de Afdeling wordt daarbij nog benadrukt dat, gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op de grondrechten van de bewoners, de toetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend is. [5]
5.1.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht.
Bevoegdheid
6. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten (het criterium van het openbaar ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer en in het geval van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 5 pillen. [6]
6.1.
Verzoekster voert aan dat de bestuurlijke rapportage een onjuist beeld oproept, dat niet volgt uit de bevindingen van de rechter-commissaris op 11 augustus 2025. Er is geen hennep aangetroffen volgens de rechter-commissaris en uit de bewoordingen dat een zakje cocaïne is aangetroffen volgt niet dat dit een handelshoeveelheid cocaïne is. Bovendien is de aangetroffen poeder waarvan wordt vermoed dat het cocaïne is nog niet getest. Het is volgens verzoekster ook opvallend dat de rechter-commissaris besluit om goederen in de box achter te laten, zodat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat van deze goederen geen gevaarzetting of verstoring van de openbare orde uitgaat. Deze situatie is tegenstrijdig met de motivering van de burgemeester in het sluitingsbevel, dat deze goederen een verstoring van openbare orde opleveren. Verzoekster betwist dan ook dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten. Het is volgens verzoekster niet aannemelijk dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor handel.
6.2.
De voorzieningenrechter constateert dat de aangetroffen drugs en de goederen die worden genoemd in de bestuurlijke rapportage van 25 augustus 2025 en het verslag van de rechter-commissaris nagenoeg volledig overeenkomen. Op basis van kleine verschillen, zoals dat de in de bestuurlijke rapportage genoemde aangetroffen hennep niet voorkomt in het verslag van de rechter-commissaris, kan niet worden geconcludeerd dat om die reden de bestuurlijke rapportage niet zorgvuldig tot stand is gekomen. In de woning is namelijk nog steeds meer dan een kilo hasj en daarmee een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. Dat volgt uit de bestuurlijke rapportage en dat weerspreekt het verslag van de rechter-commissaris niet. Dat de inhoud van het zakje vermoedelijke cocaïne (nog) niet is getest, maakt het voorgaande ook niet anders. Daar komt bij dat [partner] na zijn aanhouding is gefouilleerd en cocaïne en hasj bij hem op zak is aangetroffen. Deze stoffen zijn toen wel indicatief getest en positief bevonden. Dat er geen onderzoeksresultaten zijn van de aangetroffen poeder in de woning waarvan vermoed wordt dat het cocaïne betreft, maakt niet dat de burgemeester de woning niet kon sluiten. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten.
Geschiktheid en noodzakelijkheid
7. Als de burgermeester bevoegd is om een woning te sluiten, dient hij zich ervan te vergewissen dat de sluiting redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 volgt dat het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds de sluiting, bij het beoordelen van de geschiktheid en de noodzakelijkheid, een relevante factor is die moet worden meegenomen in de besluitvorming. [7]
7.1.
De volgende vraag is of het noodzakelijk is om de woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. [8] Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. [9]
7.2.
Verzoekster voert aan dat er geen sprake is van noodzaak om de woning te sluiten. Er is niet gebleken van een loop naar de woning en er is ook geen herhalingsgevaar. [partner] verblijft voor lange tijd in detentie en verzoekster heeft de woning schoongemaakt en opgeruimd. In de bestuurlijke rapportage zijn geen meldingen van overlast genoemd. Bovendien verklaren geen van de ondervraagde buren tijdens het huisbezoek over overlast of een loop gerelateerd aan drugs. Volgens verzoekster is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van het verhandelen van drugs vanuit de woning. Ook het tijdsverloop in combinatie met het feit dat er geen meldingen van overlast of loop zijn, maakt dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk is. Er is geen enkel signaal of meldingen geweest waaruit volgt dat na 11 augustus 2025 loop is geweest naar de woning. De burgemeester had volgens verzoekster kunnen volstaan met een lichter middel, zoals een waarschuwing.
7.3.
De doorzoeking van de woning door de politie heeft plaatsgevonden op
11 augustus 2025 en de bestuurlijke rapportage is op 25 augustus opgemaakt. Op
29 september 2025 heeft de burgemeester een bevel tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden gegeven. Hiertussen zit zes weken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van een woning in beginsel een geschikt middel om de woning uit de loop te halen. Dat dit middel volgens verzoekster niet geschikt is vanwege het tijdsverloop, volgt de voorzieningenrechter niet. Gelet op het feit dat een dag na de doorzoeking verzoekster en haar dochter ingeschreven stonden op het adres van de woning, moest de burgemeester wel onderzoek doen naar de feitelijke woonsituatie en de vraag welke personen mogelijk door een sluiting in hun huisrecht zouden worden aangetast. De burgemeester heeft een zienswijze gevraagd aan verzoekster naar aanleiding van het voornemen van 28 augustus 2025 om de woning te sluiten. Vervolgens heeft de burgemeester onderzocht wie van de ingeschrevenen op het adres van de woning in zijn of haar huisrecht wordt geschonden door de woningsluiting. Dit onderzoek heeft tijd gekost. Toezichthouders van de BRP van de gemeente Amsterdam zijn op verzoek van de burgemeester op 8 september 2025 in de middag en in de avond langs geweest voor een huisbezoek en zij hebben op basis van de feitelijke situatie in de woning en de verklaringen van verzoekster geconcludeerd dat verzoekster en haar dochter feitelijk niet woonachtig zijn in de woning. De toezichthouders hebben daarbij betrokken dat de woning op
8 september 2025 in vrijwel dezelfde staat is aangetroffen als tijdens de doorzoeking op
11 augustus 2025. Op 23 en 24 september 2025 heeft de wijkagent aangebeld bij de woning voor een huisbezoek, maar hier is niet op gereageerd. De voorzieningenrechter acht de duur van het tijdsverloop redelijk vanwege het onderzoek naar de feitelijke woonsituatie en het belang van het kind van verzoekster. De woningsluiting is daarom ondanks het tijdsverloop een geschikt middel om de doelen te bereiken die de burgmeester voor ogen heeft.
7.4.
Verder overweegt de voorzieningenrechter in het kader van de noodzakelijkheid van de sluiting dat het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in beginsel al een belang tot sluiting van de woning met zich mee brengt. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan de keten van drugshandel wordt onttrokken. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat uit vaste rechtspraak volgt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking daarvan en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Een loop naar de woning is in dit geval niet geconstateerd door de politie. De voorzieningenrechter begrijpt uit de bestuurlijke rapportage echter dat er drie telefoons in beslag zijn genomen vanwege een indicatie van dealeractiviteiten. Ook vermeldt de bestuurlijke rapportage dat er een stapel contant geld is aangetroffen en dat dit wordt aangemerkt als handelsgeld. Daarnaast staat in het rapport van bevindingen van 8 september 2025 dat een buurman heeft verklaard dat voor de politie-inval meerdere personen op het adres in de woning kwamen. Ook zijn tijdens de doorzoeking van de politie op 11 augustus 2025 meerdere personen aangetroffen in de woning. De burgemeester duidt dit als zekere loop naar de woning. Ondanks dat er geen meldingen zijn, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zekere mate van loop wel worden aangenomen op basis van de verklaring van genoemde buurman en alles wat is aangetroffen door de politie in de woning op 11 augustus 2025. In de woning is een handelshoeveelheid drugs aangetroffen en meerdere goederen die bestemd zijn voor de inrichting van een hennepkwekerij, waaronder meerdere meterkasten, transformatoren en lampen. Dit was niet slechts een geringe hoeveelheid, maar een flinke uitrusting aan diverse goederen. Ook is de heer [partner] aangehouden en zit hij momenteel in detentie. Alle genoemde omstandigheden in samenhang bezien kan worden aangenomen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dat maakt dat de openbare orde in het geding is en de burgemeester het noodzakelijk heeft mogen vinden om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de burgemeester niet met een waarschuwing had hoeven volstaan.
Evenwichtigheid
8. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, komt vervolgens de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoekster. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als verweerder daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [10]
8.1.
Verzoekster voert aan dat zij met haar minderjarige dochter op straat komt te staan als de woning wordt gesloten. Verzoekster betwist dat zij heeft verklaard niet in de woning te verblijven. Ook verzoekt verzoekster het belang van haar dochter zwaarder te laten wegen dan het algemene belang van de burgemeester. De gevolgen voor verzoekster zijn verstrekkend, omdat op het moment dat zij geen woning heeft haar aanvraag voor een verblijfsvergunning zal worden afgewezen. Ook heeft verzoekster geen inkomsten op dit moment en verblijft haar partner in detentie. Zij is hierdoor genoodzaakt om een bijstandsuitkering aan te vragen. Als zij geen woonadres heeft, dan wordt deze aanvraag ook afgewezen. Ook zal verzoekster de woning kwijtraken door een buitengerechtelijke ontbinding door de woningcorporatie.
8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning in dit geval niet onevenwichtig is. Het is allereerst inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. De omstandigheid dat de verhuurder mogelijk het huurcontract van de partner van verzoekster zal ontbinden is inherent aan de ernst van de overtreding. De voorzieningenrechter weegt voor de evenwichtigheid mee dat verschillende buren op 8 september 2025 hebben verklaard niet te weten wie er in de woning woont en dat de woning niet bewoond lijkt. Verzoekster heeft op 8 september 2025 jegens de toezichthouders van de Dienst Wonen van de gemeente verklaard dat zij sinds juli 2025 in Nederland woont met haar dochter en dat zij op verschillende plekken verblijft, maar ook in de woning. Ook heeft zij verklaard niet veel in de woning te hebben verbleven omdat zij sinds de politie-inval de woning nog niet veilig vindt. Zij heeft voor het laatst in de woning geslapen van 31 augustus tot 4 september 2025. De toezichthouders hebben geen persoonlijke verzorgingsproducten voor volwassenen en/of kinderen in de badkamer zien liggen. De badkamer gaf de indruk dat die een tijdje niet was gebruikt. Ook hadden de toezichthouders de indruk dat het gebruikte servies en het bord met opgedroogd eten al een tijd in de keuken lag. De koelkast was leeg en zat niet in het stopcontact. In de eerste slaapkamer waren twee eenpersoonsbedden, waarvan 1 bed geen hoeslaken had. In de tweede slaapkamer stond een lege kledingkast en een nieuwe wasmachine in verpakking. Verzoekster heeft hierover verklaard dat zij vanuit een tas leeft en niet veel spullen of kleding heeft en dat die tas nu nog bij mevrouw [familielid] ligt. Op 23 en 24 september heeft de wijkagent aangebeld bij de woning voor een huisbezoek en hier is niet op gereageerd. Door zowel de politie als de toezichthouders van de BRP is niet geconstateerd dat verzoekster en haar dochter feitelijk duurzaam in de woning verblijven. De door verzoekster in deze procedure gestelde afhankelijkheid van de woning staat dan ook haaks op de door haar eerder gegeven verklaringen. Op basis van het onderzoek heeft de burgemeester het niet aannemelijk hoeven vinden dat verzoekster met haar dochter duurzaam in de woning verblijft. Hierbij heeft de burgemeester ook mogen meewegen en opmerkelijk mogen vinden dat verzoekster en haar dochter één dag na de doorzoeking door de politie ingeschreven stonden op het adres van de woning. Voor zover verzoekster met de ingebrachte foto’s wil aantonen dat zij op 8 september 2025 in de woning verbleef, omdat zij die dag de woning aan het schoonmaken was, rijmt dit niet met haar verklaringen van 8 september 2025 tegenover de toezichthouders. Eiseres heeft verklaard dat zij van 31 augustus tot 4 september 2025 in de woning verbleef, maar ook dat zij op andere plekken verbleef. De voorzieningenrechter volgt verzoekster dan ook niet in haar stelling dat zij met haar dochter duurzaam in de woning woont. Het belang van de bescherming van de openbare orde weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoekster bij het behoud van de woning. Hierbij is ook voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind van verzoekster, omdat de burgemeester er van uit mocht gaan dat het kind feitelijk niet duurzaam in de woning woont. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om het besluit onevenwichtig te vinden.

Conclusie en gevolgen

9. De slotsom is dat de burgemeester gelet op al het voorgaande in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van
29 september 2025 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam), geldend van 01-02-2023 t/m heden.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
9.Zie overweging 10.2 van de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.