ECLI:NL:RBAMS:2025:7355

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
c/13754464 HA ZA 24-848
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rentevergoeding bij lening tussen voormalige echtelieden en de gevolgen van de Wet tegenbewijsregeling box 3

In deze zaak, die op 1 oktober 2025 door de Rechtbank Amsterdam is behandeld, gaat het om een eindvonnis met betrekking tot een rentevergoeding bij een lening tussen voormalige echtelieden. De lening was bedoeld om in levensonderhoud te voorzien, en de rente is vastgesteld op basis van de relevante rendementsheffing in box 3 van de partij die de lening in het vermogen heeft gekregen. De eiser, vertegenwoordigd door mr. F.N. Jorritsma, heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde, vertegenwoordigd door mr. M. Boender-Radder, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht in de procedure. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 2 juli 2025 de rentebepaling uit de beëindigingsovereenkomst uitgelegd en partijen de gelegenheid gegeven om hun standpunten verder toe te lichten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stelling van de eiser, dat de Wet tegenbewijsregeling box 3 invloed heeft op de eerdere beslissingen, niet wordt gevolgd. De rechtbank heeft de vordering van de eiser om de resterende geldlening niet op te eisen toegewezen, maar heeft de eiser ook veroordeeld tot betaling van een bedrag van €24.942 aan de gedaagde, te vermeerderen met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat elke partij zijn eigen kosten draagt. De rechtbank heeft verder bepaald dat het betaalmoment voor de rentevergoeding gelijk valt met het moment waarop de gedaagde de vermogensrendementsheffing aan de Belastingdienst verschuldigd is. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door mr. M.L.S. Kalff, rechter, en is een belangrijke uitspraak in het civiele recht met betrekking tot de financiële verplichtingen tussen voormalige echtelieden.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/754464 / HA ZA 24-848
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.N. Jorritsma,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Boender-Radder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis),
- de aktes uitlaten met producties van beide partijen van 13 augustus 2025, die conform instructie van de rechtbank op voorhand zijn uitgewisseld zodat daarin ook een reactie op de akte van de andere partij is opgenomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

de rechtbank blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank de rentebepaling uit de beëindigingsovereenkomst uitgelegd en partijen de gelegenheid gegeven bij akte kort toe te lichten of en zo ja hoe verrekend moet worden over de periode 2017 tot en met heden.
2.2.
Beide partijen hebben een deel van hun akte gebruikt om te betogen dat teruggekomen moet worden op bepaalde (eind)beslissingen in het tussenvonnis. Wat partijen hebben aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding om op haar eerdere beslissingen terug te komen. Op twee onderdelen die (mede) zien op gebeurtenissen van na het tussenvonnis wordt kort ingegaan.
2.3.
De stelling van [eiser] dat als gevolg van het aannemen van de Wet tegenbewijsregeling box 3 door de Eerste Kamer op 8 juli 2025 (zes dagen na het tussenvonnis) hetgeen onder 4.14 van het tussenvonnis is overwogen anders moet luiden wordt niet gevolgd. In 4.14 is overwogen dat onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] in staat is eerdere aanslagen tot nihil te verlagen. Daartoe had [eiser] twee uitspraken van de Hoge Raad aangehaald die mede aanleiding waren voor genoemde Wet tegenbewijsregeling box 3. Het aannemen van deze wet leidt niet tot een ander oordeel op dit onderdeel (zie ook 2.12 en 2.13 hierna).
2.4.
In 4.19 van het tussenvonnis is overwegen dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht (3.1 sub VI van het tussenvonnis) dat [gedaagde] de resterende geldlening niet mag opeisen wordt toegewezen, met een toevoeging. Hetgeen [gedaagde] in haar akte op dit punt heeft aangevoerd ten aanzien van het handelen van [eiser] na het tussenvonnis leidt niet tot een ander oordeel. Verwezen wordt naar hetgeen is overwogen in 4.22 van het tussenvonnis.
verrekening: [eiser] moet nog €24.942 betalen
2.5.
Partijen zijn het nagenoeg eens over de bedragen die [eiser] nog moet betalen na toepassing van de rentebepaling zoals die door de rechtbank is uitgelegd. Over de jaren 2018 (over 2017 wordt geen nabetaling gevorderd) tot en met 2024 gaat het volgens
[gedaagde]om
€58.638(€165.821 minus €107.183), zie productie 44. Volgens
[eiser]gaat het om
€58.629(€165.812 minus €107.183), zie productie 35. Het verschil van € 9 laat zich vermoedelijk verklaren door afrondingverschillen per jaar; de rechtbank gaat uit van het laagste bedrag (als erkend door [eiser] ). Na het tussenvonnis heeft [eiser] nog €33.687 aan [gedaagde] voldaan. De rechtbank zal [eiser] daarom veroordelen om
€24.942(€58.629 minus €33.687) te betalen aan [gedaagde] .
2.6.
De door [gedaagde] gevorderde verhoging met de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf veertien dagen na dit vonnis. De meer gevorderde rente en incassoprovisie wordt afgewezen. Zie in dit verband 4.22 van het tussenvonnis: in de gegeven omstandigheden is het vorderen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
2.7.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat hij geen betaling over 2024 verschuldigd is nu [gedaagde] eenvoudig kan aantonen dat zij geen rendement maakt op de resterende geldlening. Dit standpunt wordt niet gevolgd. [gedaagde] heeft onderbouwd toegelicht dat het onzeker is hoe de resterende geldlening gekwalificeerd wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement. Dat maakt dat niet op voorhand uitgegaan kan worden van ‘geen rendement’ en dus ook niet van ‘geen vermogensrendementsheffing’ (zie ook 2.12 en 2.13 hierna).
2.8.
Daarmee zijn de tegenvorderingen onder 3.4 sub I (ii) en (iii) en III van het tussenvonnis behandeld. Nu [eiser] nog betalingen heeft verricht en moet verrichten over de periode 2018 tot en met 2024 zal de door hem gevorderde verklaring voor recht dat hij de rente juist had berekend (3.1 sub III van het tussenvonnis) worden afgewezen.
het betaalmoment van de rentevergoeding is tijdstip (voorlopige) aanslag
2.9.
Dan is nog aan de orde de tegenvordering van [gedaagde] dat het betaalmoment van de rentevergoeding wordt aangepast, in die zin dat [eiser] de jaarlijkse rentevergoeding over de geldlening betaalt binnen twee weken nadat [gedaagde] haar voorlopige aanslag inkomstenbelasting heeft gestuurd aan [eiser] (zie 3.4 sub II van het tussenvonnis). [eiser] verweert zich hiertegen en wil vasthouden aan het verstrekken van de definitieve aanslag als betaalmoment.
2.10.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.11.
De tekst van de beëindigingsovereenkomst bevat geen afspraak over het betaalmoment van de rentevergoeding door [eiser] . Er is slechts opgenomen dat [gedaagde] haar
aangifteinkomstenbelasting aan [eiser] zal overleggen zodat de hoogte van de vermogensrendementsheffing kan worden bepaald (zie 2.3 van het tussenvonnis). De ratio van de rentevergoeding is dat [eiser] (een deel van) de vermogensrendementsheffing die [gedaagde] aan de Belastingdienst verschuldigd is aan [gedaagde] vergoedt. Daarbij past dat [eiser] zijn aandeel in de vermogensrendementsheffing aan [gedaagde] betaalt op het moment dat [gedaagde] deze moet afdragen aan de Belastingdienst. Aldus zal worden beslist. Daarbij geldt, anders dan [eiser] bepleit, dat zijn betalingsverplichting niet pas ontstaat bij de
definitieveaanslag. Dit kan enkele jaren duren – volgens [gedaagde] is over 2023 en later nog geen definitieve aanslag beschikbaar – wat zou betekenen dat [gedaagde] op basis van een of meer voorlopige aanslag(en) al wel betaald heeft aan de Belastingdienst, maar [eiser] nog niet heeft bijgedragen. Beslist wordt dan ook dat het betaalmoment gelijk is aan de betalingsverplichting van [gedaagde] jegens de Belastingdienst op grond van een voorlopige of definitieve aanslag. Overigens geldt dat als een voorlopige of definitieve aanslag leidt tot een teruggave, [gedaagde] gehouden is het voor [eiser] bestemde deel aan hem terug te betalen, ook weer op het moment dat zij de gelden ontvangt van de Belastingdienst (of deze aan haar ten goede komen).
hoe verder ten aanzien van de aangiftes en (voorlopige) aanslagen
2.12.
Zolang de resterende geldlening nog bestaat en [eiser] rente is verschuldigd die verband houdt met de door [gedaagde] verschuldigde vermogensrendementsheffing hebben partijen met elkaar te maken. In dat kader merkt de rechtbank nog het volgend op.
2.13.
Artikel 6:2 BW brengt mee dat [eiser] en [gedaagde] , beiden partij bij de beëindigingsovereenkomst, verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Anders dan [gedaagde] stelt in haar akte, betekent dit onder meer dat [gedaagde] gehouden is met de belangen van [eiser] rekening te houden rondom de aangiften en (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting voor zover die (mede) betrekking hebben op de vermogensrendementsheffing (hierna: IB). Zijn belang daarbij is immers gegeven nu hij een deel daarvan aan [gedaagde] moet betalen als rentevergoeding. Dit betekent onder meer dat [eiser] tijdig geïnformeerd moet worden over (voorlopige) aanslagen en teruggave IB (daaruit volgt het betaalmoment voor [eiser] ) en voorgenomen aanpassingen daarvan. Als er aanleiding bestaat een aanpassing van de IB te verzoeken, bijvoorbeeld vanwege de ontwikkelingen die voortvloeien uit de door [eiser] genoemde uitspraken van de Hoge Raad (zie 4.14 tussenvonnis) en de Wet tegenbewijsregeling box 3, zullen [eiser] en [gedaagde] met elkaar moeten overleggen, zo nodig via een door hen gezamenlijk in te schakelen adviseur, over de te nemen stappen. De vermogensrendementsheffing die [gedaagde] verschuldigd is aan de Belastingdienst komt immers voor hun beider rekening, wat betekent dat zij beiden een belang hebben bij een eventuele aanpassing.
afronding – proceskosten gecompenseerd
2.14.
Beide partijen hebben deels gelijk en deels ongelijk gekregen zodat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat op basis van de huidige omstandigheden geen grond bestaat voor [gedaagde] om de resterende geldlening (met rente, incassoprovisie en kosten) uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst op te eisen;
3.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.4.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen €24.942, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als niet binnen veertien dagen na heden aan deze veroordeling wordt voldaan;
3.5.
bepaalt dat het betaalmoment voor de rentevergoeding die [eiser] ingevolge de beëindigingsovereenkomst aan [gedaagde] verschuldigd is gelijk valt met het moment dat [gedaagde] de betreffende vermogensrendementsheffing op basis van een voorlopige of definitieve aanslag aan de Belastingdienst verschuldigd is;
3.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
3.7.
verklaart de betalingsveroordeling onder 3.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.