Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties,
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 3 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting de Alliantie en een huurder, hierna te noemen [gedaagde]. De Alliantie vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, omdat [gedaagde] sinds 2018 geen hoofdverblijf in de woning had en het gehuurde aan derden in gebruik had gegeven. De huurovereenkomst was gesloten op 20 september 2017, waarbij [gedaagde] verplicht was het gehuurde zelf te bewonen. De Alliantie voerde aan dat [gedaagde] bij geen van de zeventien huisbezoeken was aangetroffen en dat er aanwijzingen waren dat er andere personen in de woning verbleven. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 september 2025 heeft [gedaagde] verklaard dat hij wel degelijk in de woning woont, maar de kantonrechter oordeelde dat hij onvoldoende bewijs had geleverd om zijn stelling te onderbouwen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] sinds april 2018 geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en dat hij het gehuurde in gebruik heeft gegeven aan derden. Dit leidde tot de conclusie dat er sprake was van ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst, wat ontbinding rechtvaardigde. De kantonrechter heeft de vordering van de Alliantie toegewezen, [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen en hem in de proceskosten veroordeeld.