ECLI:NL:RBAMS:2025:7288

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
25/5244
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3.9.6 lid 6 sub a Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking B&B vergunning wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker, houder van een vergunning voor een Bed and Breakfast (B&B) sinds april 2020, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van deze vergunning. De intrekking volgde op een onderzoek waaruit bleek dat de B&B zich bevond in meerdere zelfstandige woonruimten zonder onttrekkingsvergunning, in strijd met de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op spoedeisend belang. Verzoeker stelde omzetderving en dreigende financiële nood, waaronder de noodzaak tot verkoop van zijn woning, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen ondanks meerdere verzoeken daartoe. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen als kennelijk ongegrond. De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de B&B vergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5244

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van de vergunning voor een Bed en Breakfast (B&B).
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Verzoeker is sinds 15 april 2020 in het bezit van een vergunning voor een B&B op het adres [adres] [huisnummer 1] in Amsterdam.
2.2.
Tijdens het huisbezoek van 17 maart 2025 hebben de toezichthouders verzoeker, de eigenaar van de B&B, aangetroffen in de woning. Verzoeker heeft toen verklaard dat de huisnummers [huisnummer 2], [huisnummer 1] en [huisnummer 3] zijn samengevoegd tot de woning op het huisnummer [huisnummer 1].
2.3.
Verweerder heeft naar aanleiding van het huisbezoek nader onderzoek verricht. Hij is tot de conclusie gekomen dat er sprake is van drie zelfstandige woonruimten. Zo beschikken nummer [huisnummer 2], [huisnummer 1] en [huisnummer 3] over alle wezenlijke voorzieningen: een eigen opgang, een badkamer, een toilet en een keuken. Daarnaast is verweerder gebleken dat er nooit een onttrekkingsvergunning is aangevraagd. Op basis hiervan concludeert verweerder dat er nog steeds sprake is van drie afzonderlijke woningen en huisnummers, namelijk [adres] [huisnummer 2], [huisnummer 1] en [huisnummer 3]. De B&B ruimtes worden door verweerder als zelfstandige woonruimtes beschouwd en maken geen onderdeel uit van de woning waarvoor de vergunning is verleend, [adres] [huisnummer 1] .
2.4.
Op 28 augustus 2025 heeft verweerder besloten de vergunning voor de B&B op het adres [adres] [huisnummer 1] in te trekken. Gebleken is namelijk dat de B&B zich bevindt aan de [adres] [huisnummer 2] en [adres] [huisnummer 3] , terwijl verzoeker hoofdverblijf heeft aan de [adres] [huisnummer 1] . Dit is in strijd met artikel 3.9.6, lid 6, sub a van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
2.5.
Verzoeker heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3.2.
Op 11 september 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoeker verzocht het spoedeisend belang nader toe te lichten. Op 12 september 2025 heeft verzoeker een aanvullende onderbouwing ingediend.
3.3.
Op 16 september 2025 heeft de voorzieningenrechter, naar aanleiding van de aanvullende onderbouwing van verzoeker, verzoeker verzocht zijn gestelde financiële nood met stukken te onderbouwen. Op 17 september 2025 heeft verzoeker gereageerd. Verzoeker heeft geen stukken ter onderbouwing overlegd.
3.4.
Op 30 september 2025 heeft verzoeker een tabel aangeleverd van gegevens van reserveringen van de B&B die hij heeft moeten annuleren, nu vergunning is ingetrokken en de verhuur geen doorgang meer kan vinden. Verzoeker heeft aan de tabel een bedrag van misgelopen inkomsten verbonden.
3.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht niet blijkt van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker spreekt van omzetderving maar het overzicht dat hij zelf heeft gemaakt van de volgens hem gederfde winsten is niet met bewijsstukken onderbouwd en daarom onvoldoende om deze stelling aannemelijk te maken. Ook als de voorzieningenrechter verzoekers omzetderving zou aannemen, is er geen sprake van voldoende spoedeisend belang. Verzoeker stelt zijn woning te moeten verkopen als de vergunning ingetrokken blijft en hij zijn inkomsten blijft mislopen. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden waarop verzoeker deze stelling baseert. De voorzieningenrechter heeft verzoeker tot twee keer toe in de gelegenheid gesteld zijn financiële situatie inzichtelijk te maken en met stukken te onderbouwen, maar dat is niet gebeurd. Dit betekent dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat een onomkeerbare situatie dreigt of dat sprake is van acute financiële nood, waardoor hij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
3.6.
Nu het spoedeisend belang door verzoeker niet aannemelijk is gemaakt, is het verzoek kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.