ECLI:NL:RBAMS:2025:7236

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
10781581 \ CV EXPL 23-14254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 130 lid 3 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering afgewezen wegens oneerlijke handelspraktijk en niet-toetsing kredietwaardigheid

In deze civiele zaak vordert LAKEMAN AUTO'S ALMERE B.V. betaling van gedaagde, die niet is verschenen. De kantonrechter beoordeelt ambtshalve of aan de informatieplicht van artikel 7:60 BW Pro is voldaan en of de kredietwaardigheid van gedaagde is getoetst.

Eisende partij heeft niet alle precontractuele informatie verstrekt en heeft nagelaten de kredietwaardigheid van gedaagde te toetsen. Dit leidt tot een oneerlijke handelspraktijk en ambtshalve vernietiging van de overeenkomst. Hierdoor kan de overeenkomst niet als grondslag voor de vordering dienen.

Eisende partij heeft haar grondslag gewijzigd en vordert subsidiair een bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking, maar deze wijziging is niet aan gedaagde kenbaar gemaakt, zodat hieraan in verstek geen gevolg kan worden gegeven.

De vordering wordt daarom afgewezen en eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn begroot.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen en de overeenkomst vernietigd wegens niet-naleving van informatieplicht en niet-toetsing kredietwaardigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10781581 \ CV EXPL 23-14254
Vonnis van 19 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LAKEMAN AUTO'S ALMERE B.V.,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
gemachtigde: Van Es Gerechtsdeurwaarders & Inc.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juli 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld een goed leesbare versie van de overeenkomst over te leggen, zich uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de informatieplichten van artikel 7:60 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en zich uit te laten over de wijze waarop zij de kredietwaardigheid van gedaagde partij heeft getoetst.
2.2.
Eisende partij heeft aangevoerd welke informatie als bedoeld in artikel 7:60 BW Pro zij onder meer aan gedaagde partij heeft verstrekt. De kredietwaardigheid van gedaagde partij heeft eisende partij niet getoetst.
2.3.
Nu eisende partij niet alle precontractuele informatie als bedoeld in artikel 7:60 BW Pro aan gedaagde partij heeft verstrekt en zij de kredietwaardigheid van gedaagde partij niet heeft getoetst, maakt eisende partij zich ingevolge artikel 7:60 lid 3 BW Pro schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk. Daarom zal de kantonrechter, zoals aangekondigd, overgaan tot ambtshalve vernietiging van de overeenkomst.
2.4.
Vernietiging leidt ertoe dat de overeenkomst niet kan dienen als grondslag voor de vordering. Eisende partij heeft de grondslag van haar vordering bij akte gewijzigd, in die zin dat zij subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking een bedrag van € 736,00 vordert. Dat is het bedrag dat gedaagde partij volgens eisende partij nog verschuldigd is, zonder de kosten van het krediet, in dit geval bestaande uit € 250,00 ‘administratiekosten’. Met deze grondslagwijziging kan in verstek geen rekening worden gehouden, omdat deze niet bij exploot aan gedaagde partij kenbaar is gemaakt. In dit verband wordt verwezen naar artikel 130 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.5.
Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering.
2.6.
Eisende partij wordt bij deze uitkomst veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij, tot op heden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.
991