ECLI:NL:RBAMS:2025:7231

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
11479627 \ CV EXPL 25-307
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht in leaseovereenkomst met onduidelijkheid over consumentstatus

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen HILTERMANN LEASE B.V. en een gedaagde partij. De eisende partij, HILTERMANN, heeft een vordering ingesteld op basis van een leaseovereenkomst voor een personenauto, waarbij zij stelt dat de gedaagde de overeenkomst niet als consument heeft aangegaan. De gedaagde, die als zelfstandige in de zorg werkt, heeft echter aangevoerd dat zij de leaseovereenkomst wel degelijk als consument is aangegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vooralsnog niet vaststaat dat de gedaagde handelde in de uitoefening van haar bedrijf, ondanks de bepaling in de overeenkomst die dit suggereert. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar het objectieve begrip 'consument' en het relevante jurisprudentie, zoals het Costea-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gezien de onduidelijkheid over de status van de gedaagde als consument, heeft de rechtbank besloten een mondelinge behandeling te gelasten. Partijen zijn geïnformeerd over de procedure en de vereisten voor de mondelinge behandeling, waarbij de kantonrechter zal beslissen over de verdere gang van zaken. De zaak is aangehouden voor verdere behandeling en de partijen zijn opgeroepen om hun verhinderdata door te geven voor de mondelinge behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11479627 \ CV EXPL 25-307
Vonnis van 25 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HILTERMANN LEASE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna de noemen: Hiltermann,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde],
handelende onder de naam
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna de noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 december 2024, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord van 9 januari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Hiltermann vordert, uit hoofde van een met [gedaagde] gesloten leaseovereenkomst, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.287,31 vermeerderd met rente en proceskosten.
2.2.
Hiltermann stelt dat zij onder meer met [gedaagde] is overeengekomen dat [gedaagde] het leaseobject, zijnde een personenauto (Volkswagen Golf), uitsluitend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf zal gaan gebruiken. Volgens Hiltermann is [gedaagde] de overeenkomst niet als consument aangegaan, zodat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is.
2.3.
[gedaagde] heeft bij antwoord laten weten dat de vordering op zichzelf klopt, maar dat zij, ondanks dat zij als zelfstandige werkt in de zorg, de leaseovereenkomst is aangegaan als consument.
2.4.
Geoordeeld wordt dat, mede gelet op het antwoord van [gedaagde] , vooralsnog niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst handelde voor doeleinden die (uitsluitend, althans hoofdzakelijk) binnen haar bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen. Dat in de leaseovereenkomst een bepaling is opgenomen dat het leaseobject uitsluitend in de uitoefening van een bedrijf of zelfstandig uitgeoefend beroep zal worden gebruikt, is daarvoor op zichzelf onvoldoende.
2.5.
Het begrip consument is een objectief begrip. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft
(HvJEU 3 september 2015, C-110/14, Costea, ECLI:EU:C:2015:538).
2.6.
Nu het leaseobject een personenauto is, die naar zijn aard ook in privé kan worden gebruikt, terwijl [gedaagde] ook zelf verklaart dat zij als consument handelde, staat niet vast met welk doel de overeenkomst is gesloten. Daarin wordt aanleiding gezien een mondelinge behandeling te gelasten.
2.7.
Stukken ten behoeve van de mondelinge behandeling dienen uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en de wederpartij te worden toegestuurd.
2.8.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
2.9.
De kantonrechter wijst partijen erop dat partijen op de hierna vermelde roldatum
(9 oktober 2025) nog niet hoeven te verschijnen, maar dat (uiterlijk) op die datum alleen hun verhinderdata schriftelijk kunnen worden doorgegeven. Daarna zal een datum voor de mondelinge behandeling worden vastgesteld. Die wordt schriftelijk aan partijen kenbaar gemaakt.
2.10.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, Hiltermann bijgestaan door haar gemachtigde, voor het geven van inlichtingen en het nader onderbouwen van hun stellingen, door mr. L. van Berkum, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en Hiltermann dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van deze zaak – en bij voorkeur ook van deze overeenkomst – op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
donderdag 9 oktober 2025 om 10.00 uurvoor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen in de maanden
oktober 2025tot en met
februari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald, waarvan partijen op de hoogte zullen worden gesteld,
3.4.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
3.5.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
3.6.
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling
60 minutenzal worden uitgetrokken,
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.
991