ECLI:NL:RBAMS:2025:7182

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
C/13/765848 / HA ZA 25-825
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige handeling UWV en terugvordering Ziektewetuitkering

In deze zaak vorderen eisers, [eiseres] en [eiser], een verklaring voor recht dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld tijdens een onderzoek naar de rechtmatigheid van de Ziektewetuitkering van [eiseres]. De rechtbank oordeelt dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van het UWV van 25 januari 2021, dat formele rechtskracht heeft verkregen. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] het gestelde onrechtmatig handelen bij de bestuursrechter had kunnen aanvechten, maar dit heeft nagelaten. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen omdat hij onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor zijn claims. De rechtbank concludeert dat het UWV niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. De proceskosten worden toegewezen aan het UWV, en eisers worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/765848 / HA ZA 25-825
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van

1.[eiseres] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiseres] en [eiser] ,
advocaat: mr. M.F. Mooibroek,
tegen
de rechtspersoon op grond van artikel 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: UWV,
advocaat: mr. M.S. Dalfour.

1.Waar gaat deze zaak over?

[eiseres] heeft een Ziektewetuitkering ontvangen van het UWV op grond van een vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het UWV is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van die uitkering, waarna [eiseres] een deel moest terugbetalen. Volgens [eiseres] en [eiser] is die terugbetaling terecht, maar was de aanleiding voor het onderzoek en de manier waarop het UWV dit heeft uitgevoerd onrechtmatig.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] het gestelde onrechtmatig handelen bij de bestuursrechter had kunnen aankaarten. Omdat zij dat heeft nagelaten zal de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat het UWV jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en daarom wijst de rechtbank zijn vorderingen af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Daarna is een datum voor het vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] en [eiser] zijn allebei huisarts en zij hadden samen een huisartsenpraktijk. Zij zijn gehuwd.
3.2.
[eiseres] heeft van 3 november 2017 tot en met 29 oktober 2019 een volledige Ziektewetuitkering ontvangen van het UWV op grond van een vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering.
3.3.
Op 1 november 2017 heeft [eiseres] bij het UWV gemeld dat zij op dat moment 20 uur per week werkzaam was. Op 29 oktober 2018 heeft [eiseres] bij het UWV gemeld dat zij op dat moment tien uur per week werkzaam was. Deze meldingen zijn op dat moment niet goed bij het UWV verwerkt.
3.4.
Op 9 augustus 2019 heeft [eiseres] het UWV telefonisch bericht dat zij in plaats van tien uur vier uur in de week is gaan werken. Na dit gesprek heeft de UWV-medewerker bij de afdeling Handhaving van het UWV gemeld dat [eiseres] meer uren werkte of heeft gewerkt dan zij had opgegeven.
3.5.
Een inspecteur Handhaving van het UWV heeft op 28 en 29 oktober 2019 waarnemingen gedaan bij de praktijk van [eiseres] . Een dag later is de inspecteur de praktijk binnengegaan en heeft hij daar met de receptioniste en later met [eiseres] gesproken.
3.6.
Op 30 oktober 2019 heeft de inspecteur bij een tweede arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [eiseres] inlichtingen opgevraagd.
3.7.
In een rapport van bevindingen van 31 oktober 2019 heeft een handhavingsdeskundige van het UWV naar aanleiding van een melding van diezelfde dag de inspecteur verzocht een onderzoek te starten naar het aantal door [eiseres] gewerkte uren.
3.8.
Op 13 november 2019 hebben [eiseres] en de inspecteur een gesprek gevoerd. Tijdens dat gesprek heeft [eiseres] verklaard dat zij bij aanvang van de uitkering 27 uur per week werkte, dat zij per 1 april 2018 24 uur per week werkte en dat zij op dat moment negen uur per week werkzaam was.
3.9.
Op 26 november 2019 heeft de inspecteur bij zorgverzekeraar DSW nagevraagd welke declaraties [eiseres] daar heeft ingediend.
3.10.
Op 4 december 2019 heeft de inspecteur vragen gesteld aan een patiënt van [eiseres] .
3.11.
Op 5 februari 2020 heeft zorgverzekeraar VGZ desgevraagd aan het UWV opgave gedaan van de door [eiseres] ingediende declaraties.
3.12.
Op 3 maart 2020 heeft de belastingdienst desgevraagd informatie over (de praktijk van) [eiseres] aan het UWV toegestuurd.
3.13.
Op 11 maart 2020 heeft een tweede gesprek tussen [eiseres] en de inspecteur plaatsgevonden. [eiseres] heeft toen herhaald dat zij de op 13 november 2019 genoemde uren heeft gewerkt.
3.14.
In een Onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 27 mei 2020 staat dat [eiseres] een aanzienlijk aantal uren heeft gewerkt naast haar uitkering.
3.15.
Bij besluit van 7 augustus 2020 heeft het UWV € 28.534,64 Ziektewetuitkering van [eiseres] teruggevorderd.
3.16.
[eiseres] heeft tegen de hoogte van de terugvordering bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 25 januari 2021 heeft het UWV het bezwaar van [eiseres] gedeeltelijk gegrond verklaard. De hoogte van het terug te betalen bedrag is vanwege een fout in de berekening verlaagd naar € 28.360,74.
3.17.
Tegen de beslissing op bezwaar van 25 januari 2021 heeft [eiseres] geen beroep ingesteld bij de bestuursrechter.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] en [eiser] vorderen:
een verklaring voor recht dat het UWV bij het onderzoek naar [eiseres] onrechtmatig jegens [eiseres] en [eiser] heeft gehandeld en dat het UWV aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade die zij daardoor hebben geleden;
veroordeling van het UWV tot het betalen van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
proceskosten
4.2.
Volgens [eiseres] en [eiser] is het onderzoek dat het UWV naar [eiseres] heeft gedaan onrechtmatig. Het UWV heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 5:13 Algemene wet bestuursrecht en met het recht op privacy zoals opgenomen in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het onderzoek was gebaseerd op verkeerde veronderstellingen want [eiseres] had wel gemeld dat zij naast haar uitkering werkte. Het onderzoek is daarnaast ten onrechte gebaseerd op de werkzaamheden die [eiser] verrichtte. Ook heeft het UWV te vergaande controle-instrumenten ingezet. Dit handelen is ook onrechtmatig jegens [eiser] . [eiseres] en [eiser] hebben door het onrechtmatig handelen van het UWV schade geleden.
4.3.
Het UWV voert verweer en vindt dat de rechtbank [eiseres] en [eiser] in hun vorderingen niet-ontvankelijk moet verklaren of de vorderingen moet afwijzen. Het UWV wijst erop dat [eiseres] tegen het besluit van 25 januari 2021 geen beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter. Dat besluit heeft daarom formele rechtskracht gekregen, waardoor vaststaat dat ook de wijze van totstandkoming van het besluit rechtsgeldig is. Als dit anders is dan geldt dat het UWV niet onrechtmatig heeft gehandeld. De toezichthouder heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden voor zover deze redelijkerwijs nodig waren voor het vervullen van zijn taak. Ook is geen ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op het recht op privéleven van [eiseres] en [eiser] . Zelfs als het UWV wel onrechtmatig heeft gehandeld, dan is er geen causaal verband tussen dit handelen en de schade die [eiseres] en [eiser] zeggen geleden te hebben.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] kan worden tegengeworpen dat zij tegen de beslissing op bezwaar van 25 januari 2021 geen beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter. De rechtbank zal [eiseres] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen omdat hij die onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal haar oordeel hierna verder uitleggen.
De handelingen van het UWV vallen onder de formele rechtskracht
5.2.
[eiseres] heeft tegen het besluit op bezwaar van het UWV van 25 januari 2021 geen beroep ingesteld. Dit besluit heeft daarom ‘formele rechtskracht’ verkregen. Dit betekent dat de rechtbank het besluit zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als de inhoud in overeenstemming met de wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen moet achten. De vraag is of het handelen van het UWV waarop [eiseres] en [eiser] in deze procedure hun vorderingen baseren onder de reikwijdte van de formele rechtskracht valt, zoals het UWV stelt en [eiseres] en [eiser] betwisten.
5.3.
Het gestelde onrechtmatige handelen bestaat er volgens [eiseres] en [eiser] uit dat het UWV het onderzoek naar [eiseres] op onjuiste gronden is gestart en dat daarbij te vergaande controle-instrumenten zijn ingezet. Het UWV is direct overgegaan tot heimelijke observatie en tot het opvragen van informatie bij derden. Ook heeft het UWV zonder medeweten van [eiseres] een patiënt van de huisartsenpraktijk benaderd. Tot slot is de inspecteur de huisartsenpraktijk binnengetreden en heeft hij daar met het personeel gesproken. Volgens [eiseres] en [eiser] geldt de formele rechtskracht niet voor deze handelingen die door het UWV zijn verricht in de periode van de voorbereiding van het besluit. Deze feitelijke handelingen kunnen onafhankelijk van de eventuele (on)rechtmatigheid van het besluit zelfstandig een onrechtmatige gedraging opleveren, aldus [eiseres] en [eiser] .
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van feitelijke handelingen ter voorbereiding op het uiteindelijke besluit. In beginsel valt de voorbereiding van het besluit onder de formele rechtskracht. Uit de rechtspraak volgt dat dit anders is als de gewraakte handelingen onafhankelijk van het besluit onrechtmatig zijn (vgl. HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7898 (Staat/Bolsius) en HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1474 (Staat/Van Benten)). In dat geval kan de burgerlijke rechter daarover oordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. Het handelen van het UWV staat in direct verband met het uiteindelijke besluit. Het UWV heeft de controle-instrumenten ingezet om tot het besluit te komen. Dat het UWV ook zonder inzet van deze controle-instrumenten tot dit besluit (op bezwaar) had kunnen komen, zoals [eiseres] en [eiser] menen, maakt dit niet anders. Dit standpunt had door de bestuursrechter in het kader van de beoordeling van de beslissing op bezwaar kunnen worden beoordeeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] nog gezegd dat zij uitgaat van de juistheid van dat besluit en dat om die reden een procedure bij de bestuursrechter niet zinvol was geweest. Ook als vernietiging van een besluit geen doel op zich is, had de onrechtmatigheid van de voorbereidingshandelingen aan de bestuursrechter voorgelegd kunnen worden. De rechtbank oordeelt dan ook dat de handelingen waartegen [eiseres] en [eiser] in deze procedure opkomen onder de reikwijdte van de formele rechtskracht vallen. [eiseres] wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.
5.5.
Het voorgaande geldt niet voor [eiser] . De reikwijdte van de formele rechtskracht van een besluit is beperkt tot degenen die belanghebbenden zijn bij het besluit. Tussen partijen staat vast dat [eiser] geen belanghebbende was bij de beslissing op bezwaar van 25 januari 2021. Dat betekent dat de formele rechtskracht niet in de weg staat aan de vorderingen van [eiser] .
Het UWV heeft niet onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld
5.6.
[eiseres] en [eiser] hebben aangevoerd dat het (gestelde) onrechtmatig handelen jegens [eiseres] ook onrechtmatig is jegens [eiser] door middel van schending van een (aanvullende) zorgvuldigheidsnorm. [eiseres] en [eiser] hebben dit standpunt niet nader onderbouwd. Zij hebben niet toegelicht welke zorgvuldigheidsnorm het UWV in dit geval tegenover [eiser] zou hebben geschonden. Het enkele feit dat [eiser] schade heeft geleden is daartoe niet voldoende. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] daarom af.
[eiseres] en [eiser] moeten proceskosten betalen
5.7.
[eiseres] en [eiser] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van UWV worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.120,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
6.2.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.3.
veroordeelt [eiseres] en [eiser] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] en [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Blok en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.