ECLI:NL:RBAMS:2025:7148

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
11621160 CV EXPL 25-5092
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurkoopovereenkomst en schadevergoeding wegens betalingsachterstand

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 18 september 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen ABN AMRO Asset Based Finance N.V. en een gedaagde partij die een huurkoopovereenkomst had gesloten voor een auto. De gedaagde heeft een betalingsachterstand opgelopen en heeft de auto niet ingeleverd na beëindiging van de overeenkomst door ABN AMRO. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gedaagde tekort is geschoten in haar verplichtingen en heeft de vorderingen van ABN AMRO grotendeels toegewezen. De gedaagde is veroordeeld tot afgifte van de auto en betaling van een bedrag van € 21.263,52 aan hoofdsom, vermeerderd met rente. Daarnaast zijn de kosten voor de inname van de auto en de proceskosten aan de gedaagde opgelegd. De kantonrechter heeft de gevorderde dwangsom afgewezen, omdat de gedaagde heeft toegezegd de auto zelf in te leveren. De rechtbank heeft ook de gevorderde incassokosten gematigd tot een redelijk bedrag, in overeenstemming met de wettelijke staffel.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11621160 \ CV EXPL 25-5092
Vonnis van 18 september 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ABN-AMRO ASSET BASED FINANCE N.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
gemachtigde: mr. J. Rietman (VD&P Juristen),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 10 maart 2025,
- het proces verbaal van het mondeling gegeven antwoord,
- het tussenvonnis van 17 april 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling is namens ABN AMRO verschenen mr. Rietman. [gedaagde] is verschenen met haar vader. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van kantonrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op heden.
1.3.
Bij e-mail van 19 augustus 2025, met mr. Rietman in de cc, heeft [gedaagde] , zoals tijdens de mondelinge behandeling verzocht, haar budgetplan van het buurtteam [woonplaats] toegestuurd aan de griffier. Dit budgetplan is tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken en aan het dossier toegevoegd.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft een huurkoopovereenkomst gesloten met LFH Lease B.V. voor de huurkoop van een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De overeenkomst staat op naam van de inmiddels opgeheven eenmanszaak van [gedaagde] , [naam eenmanszaak] . De looptijd van deze overeenkomst bedroeg 64 maanden en de maandelijkse huurtermijn bedroeg € 409,- exclusief btw, die [gedaagde] telkens voor of op de 19e van iedere kalendermaand moest voldoen. Op de huurkoopovereenkomst waren de algemene voorwaarden Financiële Lease versie 2022-01-FL van toepassing. [gedaagde] heeft de auto gebruikt voor de activiteiten van haar eenmanszaak. ABN AMRO heeft op enig moment deze huurkoopovereenkomst overgenomen van LFH Lease B.V.
2.2.
Op enig moment is [gedaagde] , ondanks aanmaning door ABN AMRO, gestopt met het betalen van de leasetermijnen. ABN AMRO heeft daarop de overeenkomst per 8 oktober 2024 beëindigd dan wel ontbonden en teruggave van de auto en betaling van het openstaande saldo van de financiering geëist. [gedaagde] heeft de auto niet ingeleverd en het restant van de financiering niet aan ABN AMRO betaald.
2.3.
[gedaagde] heeft op 25 oktober 2024 haar eenmanszaak uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

3.Het geschil

3.1.
ABN AMRO vordert, samengevat:
I. een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voor de auto is beëindigd;
II. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de auto, op straffe van een dwangsom;
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 20.275,53 vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand, althans de wettelijke (handels)rente over een bedrag van € 21.298,67 vanaf 18 februari 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding, met dien verstande dat als de auto is ingeleverd en wordt verkocht de verkoopopbrengst op de hoofdsom in mindering wordt gebracht;
IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.693,27 aan btw, en € 423,50 aan koopoptie indien gedaagde de auto wil overnemen;
V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.194,80 dan wel € 987,99 aan (contractuele) incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.040,60 in het geval [gedaagde] de auto niet vrijwillig teruggeeft en ABN AMRO moet overgaan tot inname van de auto;
VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 217,80 in het geval [gedaagde] de auto niet vrijwillig teruggeeft en ABN AMRO overgaat tot aangifte bij de politie;
VIII. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
ABN AMRO heeft ook nog een voorlopige voorziening gevorderd.
3.3.
ABN AMRO legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Omdat [gedaagde] is opgehouden met het betalen van haar maandelijkse huurtermijnen ondanks herhaalde verzoeken daartoe, en zij de auto niet langer zakelijk gebruikt, is [gedaagde] tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst. Als gevolg van deze tekortkomingen mocht ABN AMRO op grond van artikel 12 van de algemene voorwaarden de overeenkomst beëindigen en de schade op [gedaagde] verhalen, welke schade gelijk is aan het bedrag van de overeengekomen huurtermijnen. Op grond van 12 artikel van de algemene voorwaarden en de wet is ABN AMRO ook gerechtigd om over te gaan tot inname van de auto op kosten van [gedaagde] , die te verkopen en de verkoopopbrengst op de schadevergoeding in mindering te brengen. Voor het geval [gedaagde] de auto wenst over te nemen is [gedaagde] naast de huurtermijnen gehouden de btw en de koopoptie te voldoen.
3.4.
[gedaagde] erkent dat zij een betalingsachterstand heeft maar wil de auto graag blijven gebruiken. Door onmacht heeft [gedaagde] haar bedrijf opgeheven en toen had zij tijdelijk onvoldoende inkomen voor al haar vaste lasten, ondanks dat zij als zzp-er werkte. Inmiddels heeft zij weer een baan in loondienst en een vast inkomen. Ook ontvangt zij misschien nog een tegemoetkoming als mogelijk slachtoffer van de toeslagenaffaire. Daarmee kan zij een betalingsregeling treffen. Zij heeft de auto nodig om naar haar werk te komen en om haar kinderen naar school en sport te brengen.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van het openstaande saldo van de financiering niet betwist en ook niet dat zij daarom gehouden is de auto af te geven aan ABN AMRO. Het is vervelend voor [gedaagde] dat zij op enig moment in de financiële problemen is geraakt en de activiteiten van haar eenmanszaak heeft moeten staken, maar deze omstandigheden komen echter in de handelsrelatie met ABN AMRO voor rekening en risico van [gedaagde] .
4.2.
Financiële onmacht ontheft [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting, terwijl ABN AMRO niet kan worden verplicht met betaling in termijnen in te stemmen. Op de mondelinge behandeling is nog onderzocht onder welke voorwaarden [gedaagde] de auto zou kunnen behouden en overnemen. Daar zijn partijen niet uitgekomen. De gemachtigde van ABN AMRO heeft toegezegd om, nadat dit vonnis is gewezen, te bekijken of en onder welke voorwaarden een (betalings)regeling mogelijk is.
4.3.
Bovenstaande betekent dat de vorderingen van ABN AMRO onder 3.1 onder I en III als onbetwist toewijsbaar zijn, waarvan III met de contractuele rente als gevorderd. Datzelfde geldt voor het onder II gevorderde, zij het dat de dwangsom zal worden afgewezen, omdat [gedaagde] heeft toegezegd de auto zelf in te zullen leveren. Ook willen partijen mogelijk nog verder onderzoeken of en zo ja op welke wijze [gedaagde] de auto alsnog kan overnemen. De kantonrechter zal daarom in dit vonnis geen termijn verbinden aan het gevorderde onder II.
4.4.
De gevorderde innamekosten zullen worden afgewezen, omdat ABN AMRO de hoogte van het bedrag van € 1.040,60 onvoldoende heeft onderbouwd. Deze vordering zal echter wel in zoverre worden toegewezen dat als [gedaagde] niet vrijwillig tot teruggave van de auto aan ABN AMRO overgaat, en ABN AMRO de inname van de auto met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder moet bewerkstelligen, [gedaagde] de deurwaarderskosten met een maximum van € 1.040,60 dient te betalen.
4.5.
De gevorderde kosten voor het doen van aangifte bij de politie worden afgewezen, nu de kantonrechter niet inziet dat een dergelijke aangifte op zijn plaats is en de hoogte van dat bedrag verder niet is toegelicht.
4.6.
De door ABN AMRO gevorderde kosten voor het geval [gedaagde] de auto overneemt, zullen worden afgewezen. Vooralsnog is van die situatie geen sprake, omdat partijen op zitting geen regeling konden treffen. Mochten partijen alsnog tot een regeling komen, dan kunnen zij daarover onderling afspraken maken.
4.7.
ABN AMRO vordert verder betaling van contractuele incassokosten zoals bedongen in de algemene voorwaarden. Artikel 242 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelt de rechter in staat bedongen buitengerechtelijke (incasso)kosten ambtshalve te matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling. Deze bepaling is onder meer van toepassing op kosten die zijn overeengekomen tussen partijen in ‘business to business’-relaties, zoals hier het geval is.
4.8.
De kantonrechter ziet aanleiding om de vergoeding te matigen tot het tarief volgens de wettelijke staffel. De incassowerkzaamheden zijn in dit geval beperkt gebleven tot het versturen van standaard sommatiebrieven. De aard en de omvang van deze werkzaamheden kunnen de toewijzing van de gevorderde vergoeding van € 3.194,80 niet rechtvaardigen. De overige werkzaamheden betreffen verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. Dit maakt dat een vergoeding hoger dan de wettelijke tarieven niet redelijk is jegens [gedaagde] . De kantonrechter wijst daarom een vergoeding toe voor buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de wettelijke staffel, wat bij deze hoofdsom neerkomt op een bedrag van € 987,99.
4.9.
De door [gedaagde] bij (de gemachtigde van) ABN AMRO gedane betalingen genoemd in de dagvaarding (€ 989,78 en € 495,00) strekken in mindering op de toe te wijzen geldvorderingen (€ 21.298,67 aan hoofdsom, € 987,99 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 461,64 aan vervallen contractuele rente), zodat in totaal een bedrag van € 21.263,52 zal worden toegewezen.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.738,23
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.12.
Gelet op de uitkomst in de hoofdzaak heeft ABN AMRO geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de gevraagde voorlopige voorzieningen af;
in de hoofdzaak:
5.2.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst die ziet op de Seat Ibiza met kenteken [kenteken] is beëindigd;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de Seat Ibiza met kenteken [kenteken] aan ABN AMRO;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan ABN AMRO van € 21.263,52 aan hoofdsom, vermeerdert met de contractuele rente vanaf 18 februari 2025, met dien verstande dat als de auto is ingeleverd en verkocht, de opbrengst van de verkoop in mindering strekt op de hoofdsom;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] , voor zover zij niet na een verzoek daartoe van of namens ABN AMRO de auto zelf inlevert, en ABN AMRO de inname van de auto met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder bewerkstelligt, aan ABN AMRO de kosten van de inname te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van de deurwaarder met een maximum van € 1.040,60;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.738,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2025.
460/57170