ECLI:NL:RBAMS:2025:7099

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
AWB 25/869
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 2 Parkeerverordening Amsterdam 2024Art. 1.1 Parkeerverordening Amsterdam 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd wegens onduidelijkheid parkeerbord

De heffingsambtenaar legde aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat eiser op 5 december 2024 parkeerde zonder te betalen. Eiser maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Amsterdam.

De kern van het geschil betrof de interpretatie van een parkeerbord dat verschillende perioden en tijden vermeldde waarin een laad- en loszone van kracht was. Eiser stelde dat het bord aangeeft dat er geen sprake was van parkeren in de zin van de parkeerverordening, waardoor geen parkeerbelasting verschuldigd was. De heffingsambtenaar stelde dat eiser buiten de aangegeven tijden parkeerde, zodat wel sprake was van parkeren.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aan zijn informatieplicht had voldaan omdat het bord op meerdere manieren kon worden gelezen, waardoor redelijkerwijs misverstand kon ontstaan. De rechtbank vond de uitleg van eiser niet onaannemelijk en stelde dat de gemeente het bord duidelijker had moeten formuleren. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en het bezwaar vernietigd en het door eiser betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens onvoldoende informatieplicht van de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/869

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, omdat hij op 5 december 2024 ter hoogte van de [adres] in Amsterdam heeft geparkeerd, zonder hiervoor parkeerbelasting te betalen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft eiser in bezwaar geen gelijk gegeven. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van [heffingsambtenaar] , vergezeld door [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat de kern van deze zaak wordt gevormd door onderstaand parkeerbord:
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar hem ten onrechte een naheffingsaanslag heeft opgelegd, omdat uit dit bord volgt dat geen sprake was van een fiscale parkeerplaats toen hij daar parkeerde. Van links naar rechts lezend, bepaalt dit bord namelijk dat in de periode vanaf 4 augustus 2024 09.00 uur tot en met 2 december 2024 17.00 uur en in de periode vanaf 2 december 2024 09.00 uur tot en met 1 april 2025 17.00 uur sprake is van een laad- en loszone. Dit betekent dat parkeren op deze parkeerplaatsen in deze periode wettelijk verboden is [1] en dat de heffingsambtenaar dus geen parkeerbelasting kan (na)heffen omdat geen sprake is van ‘parkeren’ als bedoeld in de parkeerverordening [2] , aldus eiser.
5. De heffingsambtenaar betoogt dat dit bord anders gelezen moet worden. Het bord bepaalt dat sprake is van een laad- en loszone in de periode vanaf 4 augustus 2024 tot en met 2 december 2024 dagelijks telkens van 09.00 tot 17.00 uur en in de periode vanaf
2 december 2024 tot en met 2 april 2025 dagelijks telkens van 09.00 tot 17.00 uur. Eiser heeft op 11 december 2024 om 17:08 geparkeerd. Dit was dus buiten de genoemde perioden waardoor sprake was van ‘parkeren’ als bedoeld in de Parkeerverordening Amsterdam.
6. De rechtbank overweegt dat het in eerste instantie aan de heffingsambtenaar is om duidelijk te maken waar (en wanneer) een parkeerder parkeerbelasting verschuldigd is. Dit moet hij op zo’n manier doen dat daar redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan. Dit wordt ook wel de informatieplicht genoemd. Aan de andere kant mag van een parkeerder worden verwacht dat hij voldoende onderzoekt of hij parkeerbelasting moet betalen. Dit wordt ook wel de onderzoeksplicht genoemd.
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in dit geval niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan, omdat er met dit bord redelijkerwijs misverstand kan ontstaan over de vraag of parkeerbelasting is verschuldigd op de plaats waar het voertuig van eiser stilstond. Het bord kan namelijk op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. De rechtbank vindt de uitleg die eiser aan het parkeerbord heeft gegeven, namelijk niet onaannemelijk. Hiervoor vindt de rechtbank vooral van belang dat de tijden
naastde perioden staan vermeld. De gemeente Amsterdam had naar het oordeel van de rechtbank het gebod op dit bord anders kunnen weergeven, zodanig dat bedoeld misverstand redelijkerwijs niet kon ontstaan. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank het geval zijn als bijvoorbeeld de tijdstippen
onderde genoemde perioden vermeld zouden staan, een en ander zoals hierna is aangegeven:
4 augustus 2024 tot en met 1 april 2025
09.00 – 17.00
h
8. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat, als de rechtbank tot de conclusie komt dat hij niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan, er geen grondslag is voor het naheffen van parkeerbelasting.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt zowel de uitspraak die de heffingsambtenaar op het bezwaar van eiser heeft gedaan, als de naheffingsaanslag. Dit betekent dat eiser de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen. Aangezien eiser gelijk krijgt, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 september 2025.
de rechter is verhinderd deze uitspraak te
ondertekenen
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar artikel 24, eerste lid, onder f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
2.Artikel 2 van Pro de Parkeerverordening Amsterdam 2024, respectievelijk artikel 1.1 van de Parkeerverordening Amsterdam 2025.