ECLI:NL:RBAMS:2025:7069

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
C/13/774317 / KG ZA 25-669
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een geldvordering in kort geding tussen Zonneveld de Melkbussen B.V. en GreenIPP B.V. en GreenIPP Holding B.V.

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 25 september 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Zonneveld de Melkbussen B.V. (hierna: Melkbussen) en de gedaagden GreenIPP B.V. en GreenIPP Holding B.V. Melkbussen vorderde een geldvordering van € 165.727, die zij meende recht te hebben op basis van een belastingteruggave. De gedaagden betwistten de vordering en voerden aan dat de belastingteruggave niet op de juiste rekening was gestort en dat er geen directe link was tussen de ontvangen belastingteruggave en de lening aan GreenIPP Holding. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 september 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering van Melkbussen niet toewijsbaar was in kort geding, omdat er geen sprake was van een duidelijke geldvordering die zich leende voor toewijzing. De rechter stelde vast dat de kwestie onderdeel uitmaakte van een breder geschil tussen de partijen en dat Melkbussen in het ongelijk was gesteld. Melkbussen werd veroordeeld in de proceskosten van de gedaagden, die in totaal € 8.146,00 bedroegen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/774317 / KG ZA 25-669 MK/MV
Vonnis in kort geding van 25 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZONNEVELD DE MELKBUSSEN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij bij dagvaarding van 2 september 2025,
hierna te noemen: Melkbussen,
advocaat: mr. S. Herrera Farfán te Amsterdam,
tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidGREENIPP B.V.,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidGREENIPP HOLDING B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna ook te noemen: GreenIPP en GreenIPP Holding,
advocaat: mr. E.R. Looijen te Arnhem.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 11 september 2025 heeft Melkbussen de dagvaarding toegelicht. GreenIPP en GreenIPP Holding hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Melkbussen heeft tevens een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Op de mondelinge behandeling waren namens Melkbussen aanwezig
[naam 1] en [naam 2] (beiden via een digitale verbinding en bijgestaan door een tolk) met mr J.W. de Groot en mr. M.M.A. Steinebach. Namens GreenIPP en GreenIPP Holding waren aanwezig [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] met
mr. Looijen. Na verder debat is vonnis bepaald op 25 september 2025.

2.De feiten

2.1.
GreenIPP is een Nederlandse ontwikkelaar van duurzame energieprojecten. GreenIPP Holding is 100% aandeelhouder van GreenIPP.
2.2.
Melkbussen is een projectvennootschap die op 13 november 2019 is opgericht. Melkbussen houdt zich bezig met de ontwikkeling van een zonnepark in de buurt van Heerle met als doel het opwekken van zonne-energie. Het project wordt vanaf 2023 beheerd door Obton A/S (hierna Obton). Obton is een Deens bedrijf dat zonne-energieprojecten in Europa ontwikkelt en beheert.
2.3.
Tot eind 2022 werd het project van Melkbussen beheerd door GreenIPP en ontwikkeld door Greenton B.V. (hierna Greenton), een
joint venturetussen GreenIPP en Obton. De
joint ventureGreenton is opgericht op 11 oktober 2016 met als doel het realiseren van duurzame energieprojecten in Nederland. Obton zou optreden als investeerder en GreenIPP als beheerder. Greenton en Green IPP hebben verder nog een managementovereenkomst gesloten waarbij GreenIPP verantwoordelijk was voor de boekhouding en de btw-aangifte van de projectvennootschappen, waaronder Melkbussen.
2.4.
In 2023 had Melkbussen recht op teruggave van in totaal € 165.727 voor reeds betaalde omzetbelasting over het jaar 2022 en over de eerste twee kwartalen van 2023. Omdat Melkbussen niet beschikte over een eigen bankrekening maakte zij gebruik van de bankrekening van Obton GreenIPP 11 C.V. (hierna 11 CV).
2.5.
De belastingteruggave is niet op die bankrekening gestort van 11 CV maar op de bankrekening van Greenton, hetgeen desgevraagd op 2 februari 2024 door GreenIPP aan Melkbussen is bevestigd.
2.6.
In reactie hierop heeft Melkbussen GreenIPP verzocht de belastingteruggave over te boeken naar de rekening van 11 CV. GreenIPP heeft vervolgens erkend dat de belastingteruggave aan Melkbussen toebehoorde, maar dat terugbetaling niet mogelijk was vanwege een gebrek aan middelen. Volgens GreenIPP waren de middelen die zij had gebruikt om een lening te verstrekken aan GreenIPP Holding.
2.7.
Nadien heeft Melkbussen herhaaldelijk verzocht de belastingteruggave naar haar over te maken. Bij brief van 11 april 2025 heeft Obton (nogmaals) namens Melkbussen GreenIPP erop gewezen dat zij gehouden is de belastingteruggave aan Melkbussen te betalen. Volgens die brief heeft GreenIPP als manager van Melkbussen onrechtmatig gehandeld door zonder toestemming van Melkbussen de Belastingdienst te verzoeken de belastingteruggave naar de bankrekening van Greenton over te maken en die gelden vervolgens namens Greenton uit te lenen aan GreenIPP Holding. Ook is in die brief verzocht om nadere informatie over die lening.
2.8.
Bij e-mail van 13 april 2025 heeft GreenIPP geantwoord dat de belastingteruggave was verwerkt in de door GreenIPP voorgestelde eindafrekening van de afwikkeling van Greenton. Op 14 april 2025 heeft Obton bericht dat dit niet correct is

3.Het geschil

3.1.
Melkbussen vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad GreenIPP en GreenIPP Holding hoofdelijk te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van dit vonnis van € 165.727 aan Melkbussen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment waarop iedere belastingteruggave door de Belastingdienst is overgemaakt op de bankrekening van Greenton, met hoofdelijke veroordeling van GreenIPP en GreenIPP Holding in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Melkbussen legt aan de vordering – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. GreenIPP en GreenIPP Holding hebben meerdere keren erkend dat de belastingteruggave aan Melkbussen moet worden betaald. Waar het geld zich thans bevindt (bij GreenIPP of bij GreenIPP) is voor Melkbussen niet duidelijk omdat naar aanleiding van de brief van 11 april 2025 (zie 2.7) geen informatie over de lening is verstrekt. Omdat GreenIPP Holding op 24 april 2025 kenbaar heeft gemaakt dat GreenIPP momenteel in acute liquiditeitsproblemen verkeert en een faillissement dreigt, heeft Melkbussen een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vordering. Omdat de geldvordering is erkend, is geen sprake van een restitutierisico. Dat GreenIPP en GreenIPP Holding de belastingteruggave willen betrekken in de afrekening tussen GreenIPP en Obton is niet juist omdat Melkbussen in die kwestie in het geheel niet is betrokken. Melkbussen en Obton maken geen deel uit van dezelfde groepsstructuur en staan geheel los van elkaar, zodat GreenIPP niet beschikt over de mogelijkheid tot verrekening.
3.3.
GreenIPP en GreenIPP Holding voeren – samengevat weergegeven – het volgende verweer. Melkbussen is een indirect 100% deelneming van Obton. Obton is in alle projecten (waaronder Melkbussen) beherend vennoot en [naam 1] is niet alleen bestuurder bij Melkbussen maar ook functionaris bij Obton. Melkbussen is Obton. GreenIPP en GreenIPP Holding betwisten niet dat
Greentoneen afdrachtverplichting heeft ten opzichte van Melkbussen, maar wel dat zij als debiteuren kunnen worden aangesproken. Belastingteruggaven (niet alleen voor Melkbussen maar voor alle projecten van Obton) werden niet stelselmatig overgemaakt op de rekening van 11 CV, maar op een rekening op naam van Greenton. Greenton boekte ontvangsten en uitgaven (dus ook de onderhavige belastingteruggave) steeds ten gunste of ten laste van de betrokken vennootschappen. Als de rekening-courant met Melkbussen werd
geclearedwerden de bedragen uitbetaald op de rekening van 11 CV, omdat Melkbussen geen eigen rekening had. Dit heeft nooit ter discussie gestaan. De belastingteruggave waar het in dit geding om gaat is niet direct na ontvangst te kwader trouw doorgeboekt aan GreenIPP Holding, zoals Melkbussen suggereert. De belastingteruggave is als een ontvangen bedrag in de boeken van Melkbussen opgenomen en is aangewend als werkkapitaal voor de ontwikkeling van onder meer Melkbussen, zoals gezegd een project van Obton. In dat kader is ook de lening aan GreenIPP Holding verstrekt. Er is dus geen directe link tussen de ontvangen belastingteruggave en de verstrekte lening en dus ook geen sprake van onrechtmatig handelen, zoals Melkbussen stelt. Voor beoordeling van de vordering van Melkbussen is verder van belang dat tussen Obton en GreenIPP een discussie is ontstaan over de managementvergoeding die GreenIPP toekwam. Obton liet de facturen van GreenIPP die betrekking hadden op Melkbussen onbetaald, ook na herhaalde verzoeken om betaling. Op 29 maart 2025 heeft GreenIPP Obton in gebreke gesteld voor een totaalbedrag van € 1.914.691. Kort daarna heeft Obton de onderhavige kwestie over de belastingteruggave opgeblazen tot enorme proporties, maar als Melkbussen een verrekeningsverklaring aflegt behoort het probleem tot het verleden. Obton en Melkbussen doen aldus aan
cherry picking.GreenIPP en GreenIPP Holding mogen zich niet beroepen op verrekening, maar Melkbussen wenst hun wel aan te spreken voor een vordering op Greenton.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar indien de eisende partij hierbij een spoedeisend belang heeft en indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zal toewijzen.
4.2.
Gezien het door GreenIPP en GreenIPP Holding gevoerde verweer is geen sprake van een “klip en klare” geldvordering die zich leent voor toewijzing in kort geding. Dat de bodemrechter zal oordelen dat naast Greenton ook GreenIPP en GreenIPP Holding verplicht zijn tot afdracht van de belastingteruggave is onvoldoende aannemelijk. Dat GreenIPP en GreenIPP Holding onrechtmatig gehandeld hebben jegens Melkbussen staat geenszins vast – veeleer aannemelijk is dat Greenton de belastingteruggave op de gebruikelijke wijze in rekening-courant heeft geboekt en (indirect) ten goede is gekomen aan Melkbussen. Welk verwijt GreenIPP en GreenIPP Holding treft in dat verband heeft Melkbussen niet aannemelijk weten te maken. Ook de door Melkbussen alternatief genoemde grondslag – naar de voorzieningenrechter begrijpt naar analogie met de zakenrechtelijke gedachte dat GreenIPP Holding de fondsen opzettelijk heeft “toegeëigend” en nu “op het geld zit” – leidt niet tot een ander oordeel. De belastingteruggave maakt tenslotte onderdeel uit van een breder geschil, te weten de ontvlechting tussen Obton en GreenIPP (waaronder de liquidatie van de
joint ventureGreenton). Eén onderdeel daaruit pakken en voor dat onderdeel een vordering in kort geding instellen is niet de wijze waarop een dergelijke ontvlechting zou moeten worden afgewikkeld.
4.3.
Melkbussen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GreenIPP en GreenIPP Holding worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.146,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorziening,
5.2.
veroordeelt Melkbussen in de proceskosten van € 8.146,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Melkbussen niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff , voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.
Coll: EvK