ECLI:NL:RBAMS:2025:7039

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
13/072406-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van medeplichtigheid aan poging tot doodslag en zware mishandeling na schietincident

Op 7 maart 2025 werd een man in Amsterdam Nieuw-West neergeschoten en zwaar mishandeld. Verdachte werd ervan beschuldigd dat hij medepleger of medeplichtige was bij deze poging tot doodslag en zware mishandeling. De officier van justitie stelde dat verdachte een significante bijdrage had geleverd door de schutter te vervoeren en de vlucht mogelijk te maken.

Tijdens de terechtzitting op 9 september 2025 heeft verdachte verklaard dat hij als snorder een onbekende man had vervoerd zonder te weten dat deze de schutter was. De rechtbank heeft dit standpunt onderzocht aan de hand van het procesdossier en getuigenverklaringen.

De rechtbank oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte een bewuste en nauwe samenwerking had met de schutter, waardoor medeplegen niet bewezen was. Ook was er onvoldoende bewijs voor het vereiste dubbel opzet bij medeplichtigheid. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. Daarnaast werden de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplichtigheid aan poging tot doodslag en zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/072406-25
Datum uitspraak: 23 september 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.T. Robijn die waarneemt voor mr. E. El Assrouti, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), en van wat hij en zijn advocaat, mr. W. van Egmond, naar voren hebben gebracht.
De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaak van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) met parketnummer 13/072372-25.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – verkort weergegeven en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 9 september 2025 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:
het op 7 maart 2025 in Amsterdam medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer] , door met een vuurwapen in de richting van het lichaam te schieten, waardoor [slachtoffer] in zijn been is geraakt. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid aan het medeplegen van poging tot doodslag;
Feit 2:
het op 7 maart 2025 in Amsterdam medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer] , door met een vuurwapen in het been van die [slachtoffer] te schieten, waardoor hem (een) of meer schotverwonding(en) in het been zijn toegebracht. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid aan het medeplegen van zware mishandeling. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van poging tot zware mishandeling en meest subsidiair als medeplichtigheid aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Vrijspraak

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte medeplichtig is aan het medeplegen van poging tot doodslag (feit 1 subsidiair) en medeplichtig is aan het medeplegen van zware mishandeling (feit 2 subsidiair). Vastgesteld kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij en wetenschap heeft gehad van het schietincident. Zo heeft verdachte – samen met medeverdachte [medeverdachte] – de schutter met de auto opgehaald vanaf metrostation Gein. Verdachte heeft hierbij zijn eigen auto gebruikt. Vervolgens is hij bijna twee uur in aanwezigheid van de schutter en medeverdachte [medeverdachte] geweest, waarna verdachte de schutter naar de plaats delict heeft gebracht, zijn vest aan hem heeft uitgeleend en uiteindelijk – na het schietincident – tevens de vlucht mogelijk heeft gemaakt. De door verdachte afgelegde verklaring – dat hij die dag als snorder een voor hem onbekende man heeft opgehaald en weggebracht zonder dat hij wist van het beraamde schietincident – is volgens de officier van justitie op onderdelen aantoonbaar onjuist en niet aannemelijk. Hoewel de rol die verdachte bij het ten laste gelegde heeft gespeeld beperkter is dan die van medeverdachte [medeverdachte] , heeft verdachte – door voornoemd handelen – een significante bijdrage geleverd aan het delict.
Wat betreft (de kwalificatie van) het letsel heeft de officier van justitie zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat sprake is van poging tot doodslag, omdat uit de door een forensisch arts opgestelde rapportage blijkt dat een schotwond in het been potentieel dodelijk letsel veroorzaakt. Ten aanzien van feit 2 kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van de poging tot doodslag zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zo kampt hij tot de dag van vandaag met pijn, is de breuk in zijn been nog niet genezen en is er sprake van zenuwschade met mogelijk blijvend letsel tot gevolg.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken, omdat op grond van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat hij wetenschap heeft gehad van datgene waaraan hij – als degene die mogelijk de schutter heeft vervoerd – een bijdrage heeft geleverd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Op 7 maart 2025 heeft een nog onbekend gebleven schutter in de Joseph Scaligerstraat in Amsterdam vanaf een korte afstand met een vuurwapen twee keer op [slachtoffer] geschoten en hem daarbij één keer in zijn rechterbeen geraakt. Door een getuige wordt vervolgens waargenomen hoe de schutter naar een roodkleurige geparkeerde auto – waarvan het kenteken zou beginnen met [kenteken] – rent en instapt, waarna deze vervolgens wegrijdt. Het blijkt te gaan om de rode Toyota Aygo van verdachte die voorzien is van het kenteken [kenteken] . Verdachte heeft – bij de politie en op zitting – verklaard dat hij die dag als zogenoemde ‘snorder’ – een taxichauffeur zonder taxivergunning – samen met medeverdachte [medeverdachte] een voor hem onbekende man heeft opgehaald bij metrostation Gein. Hierna heeft verdachte de onbekende man afgezet op zijn bestemming, gewacht, weer mee terug genomen en vervolgens weer bij metrostation Gein afgezet. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat deze man de schutter betrof die onderweg was naar de Joseph Scaligerstraat om daar [slachtoffer] neer te schieten.
De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of verdachte bij het schietincident als medepleger betrokken is geweest. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan dit incident heeft geleverd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het schietincident. De rechtbank acht daarom het onder feit 1 primair en feit 2 primair en meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen niet bewezen.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij het schietincident. Medeplichtigheid is het bevorderen of gemakkelijk maken van andermans strafbaar handelen, oftewel hulp bieden aan de dader bij het begaan van een misdrijf. Van medeplichtigheid kan alleen sprake zijn als er sprake is van dubbel opzet; de medeplichtige moet opzet hebben op de ondersteunende handeling die hij verricht – in dit geval bijvoorbeeld het vervoeren van de schutter – én hij moet opzet hebben op het gronddelict, in dit geval het schieten op [slachtoffer] .
De rechtbank acht de door verdachte afgelegde verklaring – dat hij enkel als snorder werkzaam was en verder van niets wist – ongeloofwaardig en gaat ervan uit dat verdachte die dag door medeverdachte [medeverdachte] is ingeschakeld om de schutter te vervoeren. Op basis van de inhoud van het procesdossier acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte wist dat hij mogelijk een bijdrage ging leveren aan iets illegaals. Het procesdossier bevat echter onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte wetenschap had van een vooropgezet plan iemand neer te schieten, waarbij hij bereid was om ter uitvoering van dat plan de schutter van en naar de plaats delict te vervoeren en hem de vlucht mogelijk te maken. Het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet kan daarom niet worden bewezen.

4.Beslag

Onder verdachte zijn tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 1 STK Vest (Omschrijving: PL1300-2025055300-6629528, merk: Lacoste);
  • 1 STK Telefoon (Omschrijving: PL1300-2025055300-6628052, merk: Apple iPhone).
Deze voorwerpen worden aan verdachte teruggegeven.

5.Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert in totaal een bedrag van € 30.521,47 aan schadevergoeding.
Hij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 – primair en subsidiair – en feit 2 – primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair – ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte,
[verdachte], daarvan vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer] , niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij, [slachtoffer] , en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Beslag
Gelast
de teruggave aan verdachte, [verdachte] , van:
  • 1 STK Vest (Omschrijving: PL1300-2025055300-6629528, merk: Lacoste);
  • 1 STK Telefoon (Omschrijving: PL1300-2025055300-6628052, merk: Apple iPhone).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en T. van den Bergh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2025.