ECLI:NL:RBAMS:2025:7032

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
11640153
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling koopprijs auto en afwijzing buitengerechtelijke incassokosten

Op 4 januari 2023 heeft gedaagde een koopovereenkomst voor een auto gesloten met eiser, waarbij een bedrag van €3.200 in termijnen betaald zou worden. Gedaagde betaalde slechts twee termijnen. Eiser vordert betaling van de resterende hoofdsom en rente.

Gedaagde voert verweer dat de overeenkomst feitelijk door een ander is gesloten en zij de auto nooit in bezit heeft gekregen. De kantonrechter oordeelt echter dat gedaagde de overeenkomst heeft ondertekend, de auto op haar naam staat en zij betalingen heeft verricht, zodat zij gehouden is tot betaling.

De kantonrechter toetst ambtshalve aan consumentenrecht en constateert dat eiser aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat geen algemene voorwaarden van toepassing zijn. De gevorderde hoofdsom is transparant en toewijsbaar.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat de aanmaningen een te hoog bedrag bevatten dan wel niet voldoen aan wettelijke eisen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.600 hoofdsom en rente, buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11640153 \ CV EXPL 25-5679
fno. 64443
Vonnis van 18 september 2025
in de zaak van
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Armaere B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, ontvangen op 14 april 2025,
- het instructievonnis van 1 mei 2025,
- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen conclusie van dupliek ingediend.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 4 januari 2023 heeft [gedaagde] een “Contract Auto Verkoop in Termijnen” (hierna: de overeenkomst) ondertekend in de autogarage van [eiser] .
2.2.
In de overeenkomst staat dat [gedaagde] als koper van de auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) een bedrag van € 3.200,00 aan [eiser] als verkoper betaalt in tien maandelijkse termijnen van € 300,00, en één termijn van € 200,00. De eerste termijn diende in januari 2023 betaald te worden, en de laatste termijn in november 2023.
2.3.
[gedaagde] heeft op 26 januari 2023 € 300,00 aan [eiser] betaald. Op 8 mei 2023 heeft zij opnieuw € 300,00 betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.600 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] stelt dat [gedaagde] heeft nagelaten termijnbetalingen binnen de daarvoor gestelde termijnen te voldoen. Daarom is [gedaagde] in verzuim.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat de overeenkomst feitelijk is aangegaan namens de heer [naam] . [eiser] heeft uitsluitend contact gehad met de heer [naam] ten aanzien van de koop, levering en betaling en de auto is nooit in bezit van [gedaagde] gekomen. Er bestaat daarom geen grondslag om de betaling te verhalen op [gedaagde] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ambtshalve toetsing
4.1.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen [eiser] als handelaar en [gedaagde] als consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
4.2.
De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst de nodige informatie aan [gedaagde] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst in de autogarage is gesloten, zijn de informatieplichten van artikel 6:230l aanhef en onder a, b, c, d en f van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. De kantonrechter constateert dat de daarin genoemde informatie is verstrekt en dat daarmee de toepasselijke essentiële informatieplichten zijn nageleefd.
4.3.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een transparant kernbeding ten aanzien van de prijs. Ambtshalve toetsing van dat beding op oneerlijkheid is daarom niet aan de orde (artikel 4 lid 2 van Pro Richtlijn 93/13). De hoofdsom is daarom in beginsel toewijsbaar.
4.4.
Op de koopovereenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard, zodat toetsing aan de Richtlijn 93/13 verder niet aan de orde is.
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
4.5.
[gedaagde] heeft haar stelling dat de overeenkomst door de heer [naam] is gesloten niet met stukken onderbouwd en deze stelling is door [eiser] gemotiveerd betwist.
[eiser] voert aan dat [gedaagde] de overeenkomst heeft ondertekend, dat de auto op naam van [gedaagde] is gezet, en dat [gedaagde] al twee deelbetalingen vanaf haar rekening aan [eiser] heeft voldaan. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat gelet op deze omstandigheden voldoende vaststaat dat [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] heeft gesloten. De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen.
De wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten
4.6.
De gevorderde wettelijke rente is gebaseerd op de wet en wordt daarom toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.7.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De door [eiser] verstuurde aanmaningen voldoen niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen. In de aanmaningen is namelijk betaling verlangd van een hoofdsom van € 3.300,00. Dat bedrag is hoger dan de
hoofdsom die [gedaagde] op het moment van de aanmaningen nog verschuldigd was, namelijk een bedrag van € 2.600,00. In het verlengde daarvan is in de aanmaningen bovendien een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
4.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
965,54

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.600,00 aan hoofdsom en € 265,78 aan verschenen wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom, met ingang van 29 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 965,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2025.