Op 4 juni 2025 werd verdachte betrapt op het bezit van een omgebouwd pistool (vuurwapen categorie III), een stroomstootwapen (categorie II) en 26 gram MDMA in Amsterdam. De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen, mede doordat verdachte bekende en geen verweer voerde tegen het bewijs.
De officier van justitie eiste 11 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk, terwijl de verdediging vroeg om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden en de tijd in voorarrest. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de ernst van de feiten en het recidivegevaar.
De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte en het reclasseringsrapport, waarin werd aangegeven dat verdachte gemotiveerd is voor begeleiding, maar dat het recidivegevaar hoog is. Daarom werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt in mindering gebracht op de straf. De voorwaardelijke straf kan worden uitgevoerd als verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of niet voldoet aan de voorwaarden. De uitspraak werd uitgesproken op 21 augustus 2025 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.